- Arrest van 28 mei 2013

28/05/2013 - 2010AR2527

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Bij toepassing van artikel 1271 B.W. komt schuldvernieuwing o.a. tot stand wanneer de schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe schuld aangaat, welke gesteld wordt in de plaats van de oude, die dan tenietgaat (= 1271, 1° B.W.).

Opdat schuldvernieuwing in de zin van artikel 1271, 1° en 2° B.W. geschiedt, zijn geen specifieke pleegvormen vereist. De bedoeling van partijen is hierbij determinerend en de feitenrechter beoordeelt op soevereine wijze het bestaan van de wil tot schuldvernieuwing.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2527

INZAKE VAN :

De heer O. R.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank

van eerste aanleg te Leuven op 4 mei 2010,

vertegenwoordigd door Meester VAN BOXLAER loco Meester Luc DELEU, advocaat te 1730 ZELLIK, Noorderlaan 30,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw R. W.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Sonia HOGNOUL, advocaat te 3300 TIENEN, Kabbeekvest 70,

VOORSTEL VAN SAMENVATTING:

Contractuele verbintenissen. Tenietgaan van verbintenissen.

Artikel 1271 BW: schuldvernieuwing: vorm en voorwaarden

Bij toepassing van artikel 1271 B.W. komt schuldvernieuwing o.a. tot stand wanneer de schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe schuld aangaat, welke gesteld wordt in de plaats van de oude, die dan tenietgaat (= 1271, 1° B.W.).

Opdat schuldvernieuwing in de zin van artikel 1271, 1° en 2° B.W. geschiedt, zijn geen specifieke pleegvormen vereist. De bedoeling van partijen is hierbij determinerend en de feitenrechter beoordeelt op soevereine wijze het bestaan van de wil tot schuldvernieuwing.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 4 mei 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 14 september 2010;

• de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 20 juni 2011;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 5 augustus 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 15 april 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 100.000 euro - bij conclusie herleid tot 99.157,40 euro - plus de conventionele verwijlintresten aan 7% vanaf 26 augustus 2008 en de gerechtelijke intresten.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijke vordering zoals herleid.

1.4. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellant in de loop van 1998 bij een openbare verkoop een woning heeft aangekocht in Herent voor en in naam van geïntimeerde met wie hij een tijdlang een relatie had.

Deze koop werd bekrachtigd door geïntimeerde bij P.V. van 18 mei 1998.

Deze woning was vervallen en werd door appellant eigenhandig gerenoveerd.

2.3. Op respectievelijk 14 augustus 1999 en 2 april 2001 heeft geïntimeerde twee schuldbekentenissen ondertekend ten voordele van appellant telkens voor een bedrag van 2.000.000 BEF of te samen 4.000.0000 BEF of 99.157,40 euro.

2.4. Bij notariële akte verleden op 22 oktober 2001 heeft geïntimeerde aan appellant een levenslang recht van inwoon en gebruik toegestaan in die bewuste woning waaronder een vervreemdingsverbod voor geïntimeerde en haar eventuele bijstand voor verzorging in een rusthuis.

Als oorzaak voor deze overeenkomst werd expliciet in deze akte opgenomen dat appellant de woning eigenhandig had opgeknapt, verbouwd en omgebouwd in zijn huidige staat van afwerking en dat hij als blijk van erkenning en vergoeding voor deze werken een recht van inwoon en gebruik kreeg.

Appellant verblijft sedert 2001 - tot op heden - in de woning zoals overeengekomen in voornoemde authentieke akte.

2.5. Op 26 augustus 2008 werd geïntimeerde bij monde van de raadsman van appellant in gebreke gesteld om een bedrag te betalen van 99.157,40 euro op grond van de hier voren geciteerde schuldbekentenissen.

Deze ingebrekestelling werd door de raadsman van geïntimeerde uitgebreid betwist bij haar schrijven van 24 september 2008.

2.5. Op 24 september 2008 heeft geïntimeerde tevens klacht neergelegd met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter te Leuven tegen appellant wegens oplichting en/of misbruik van vertrouwen.

De raadkamer te Leuven heeft bij beschikking van 23 januari 2009 appellant buiten vervolging gesteld omdat de door geïntimeerde aangegeven feiten geen misdrijf uitmaakten.

III. Bespreking.

3.1. Appellant steunt zijn vordering op de respectieve schuldbekentenissen afgelegd door geïntimeerde in zijn voordeel op 14 augustus 1999 en 2 april 2001, telkens voor een bedrag van 2.000.000 BEF of samen 4.000.000 BEF of 99.157,40 euro waarvan hij thans de terugbetaling vraagt .

Geïntimeerde werpt vooreerst op dat de kwestieuze schuldbekentenissen niet voldoen aan artikel 1326 B.W. om geldig te zijn en beroept zich vervolgens op de schuldvernieuwing overeenkomstig artikel 1271 B.W.

3.2. Wat de toepassing van artikel 1326 B.W. betreft oordeelde de eerste rechter dat de eventuele nietigheid van het instrumentum niet de nietigheid van de overeenkomst tot gevolg had en dat die schuldbekentenissen bijgevolg een begin van bewijs vormden.

Geïntimeerde herneemt deze stelling in haar conclusie en vraagt overigens de bevestiging van het bestreden vonnis zodat over dit rechtsmiddel definitief werd beslist in het bestreden vonnis.

3.3. Bij toepassing van artikel 1271 B.W. komt schuldvernieuwing o.a. tot stand wanneer de schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe schuld aangaat, welke gesteld wordt in de plaats van de oude, die dan tenietgaat (= 1271, 1° B.W.).

Opdat schuldvernieuwing in de zin van artikel 1271, 1° en 2° B.W. geschiedt, zijn geen specifieke pleegvormen vereist.

De bedoeling van partijen is hierbij determinerend en de feitenrechter beoordeelt op soevereine wijze het bestaan van de wil tot schuldvernieuwing.

3.4. In de authentieke akte van 22 oktober 2001 - opgesteld na het ondertekenen van de bewuste schuldbekentenissen - werd o.a. het volgende gestipuleerd:

"2. De heer O. R. - die in die akte "de genieter van het inwoonrecht" wordt genoemd - heeft enige tijd terug deze woning eigenhandig opgeknapt, verbouwd en omgebouwd in zijn huidige staat van afwerking.

3. Als blijk van erkenning en vergoeding voor de uitvoering van deze werken, zijn comparanten overeengekomen hetgeen hierna volgt:

TOEKENNING VAN EEN PERSOONLIJK RECHT VAN INWOON.

a. Mevrouw R. W. - die in de akte als " eigenares" van de woning wordt omschreven - verleent op heden aan de heer O. R., welke verklaart uitdrukkelijk te aanvaarden, een levenslang persoonlijk recht van inwoon en gebruik op de hierboven beschreven woning en tuin te Winksele, Mechelsesteenweg 1002, in zijn totaliteit en zonder enige uitzondering.

De genieter van het recht van inwoon wordt vrijgesteld van de verplichting tot borg - of zekerheidsstelling en van de verplichting tot het opmaken van een plaatsbeschrijving of staat.

Hij zal de goederen mogen bewonen en gebruiken overeenkomstig hun bestemming, doch zal ze niet kunnen verhuren.

...

De eigenaar verbindt zich jegens de genieter van voorgeschreven recht van inwonen, voorbeschreven onroerend goed niet te vervreemden noch te hypothekeren of anderszins te belasten, zonder het voorafgaandelijk schriftelijke akkoord van deze laatste.

b. Ingeval, omwille van zijn gezondheidstoestand, de heer O. R. niet meer zelfstandig zou kunnen wonen, verbindt mevrouw R. W. zich ertoe, in plaats van voormeld inwoonrecht, te zullen zorgen voor verzorging in een rusthuis. Dit rusthuis zal gekozen worden overeenkomstig de stand van de heer R..

..." ( onderstreping toegevoegd door het hof).

3.5. Uit de inhoud van voornoemde authentieke akte blijkt afdoend de wil van de partijen om appellant vergoed te zien voor het eigenhandig opknappen, verbouwen en ombouwen van de kwestieuze eigendom van geïntimeerde en dit door middel van een levenslang recht van inwoon en gebruik en - ingeval van opname in het rusthuis - van de plicht in hoofde van geïntimeerde om appellant te verzorgen en in te staan voor de verzorgingskosten die niet gedekt zijn door eigen inkomsten of kapitaal van appellant of door enige ziekteverzekering.

De authentieke akte vermeldt overigens expliciet dat deze wederzijdse rechten en plichten ontstaan als blijk van erkenning en vergoeding voor de uitvoering van de werken aan de eigendom van geïntimeerde.

3.6. Voornoemde authentieke akte is duidelijk en niet voor enige interpretatie vatbaar.

Het recht van inwoon en gebruik van de woning in kwestie wordt o.a. aan appellant verleend ter vergoeding van de werken die appellant eigenhandig heeft uitgevoerd aan de eigendom van geïntimeerde.

De oorzaak van de schuldbekentenissen en van de notariële akte is dezelfde, namelijk de wil van partijen om appellant vergoed te zien voor het eigenhandig opknappen van de woning van geïntimeerde. Welke partij in werkelijkheid de materialen heeft betaald, is in deze discussie niet relevant.

Appellant betwist verder de oorzaak niet van de aangegane schuldbekentenissen gezien hij in zijn syntheseconclusie letterlijk het volgende stelt: "Het is niettegenstaande correct dat "de schuldbekentenissen" een vergoeding vormen vanwege geïntimeerde voor de maanden, zelfs jaren werk die appellant aan en rond de woning heeft uitgevoerd. Reden waardoor en waarvoor een niet onaanzienlijke waardevermeerdering van het onroerende goed werd gecreëerd."

Hieruit blijkt afdoend de wil van partijen, met name dat geïntimeerde t.a.v. appellant een nieuwe schuld (= recht van inwoon en gebruik van haar eigendom of verzorging van appellant) aanging die gesteld diende te worden in de plaats van de oude (= de aangegane schuldbekentenissen), als gevolg waarvan de oude schuld te niet is gegaan.

3.7. Ten overvloede wordt hierbij nog opgemerkt dat de eerste schuldbekentenis dateert van 14 augustus 1999 en de tweede van 2 april 2001 en dat appellant - bij monde van zijn raadsman - eerst tot het in gebreke stellen, overging van geïntimeerde bij schrijven van 24 september 2008 d.i. respectievelijk 9 en 7 jaar na het opstellen van de kwestieuze schuldbekentenissen.

Dit feitelijk gegeven toont andermaal aan dat bij het ondertekenen van de authentieke akte de wil van partijen erin bestond over te gaan tot schuldvernieuwing met het te niet gaan van de rechtsgevolgen verbonden aan de aangegane schuldbekentenissen tot gevolg.

3.8. De eerste rechter oordeelde bijgevolg terecht dat in deze afdoend bewezen werd dat schuldvernieuwing tot stand was gekomen tussen partijen.

Het bestreden vonnis wordt derhalve bevestigd. Het hof verwijst voor het overige naar de pertinente motieven van de eerste rechter die - voor zoveel als nodig - als hernomen worden beschouwd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

(...)

OM DEZE REDENEN:

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/05/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Vrije woorden

  • Contractuele verbintenissen. Tenietgaan. Schuldvernieuwing. Artikel 1271 BW. Vorm en voorwaarden.