- Arrest van 3 september 2013

03/09/2013 - 20101441

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. De Wet van 8 juli 1964 handelt over de dringende medische hulpverlening. Dit valt zeker te onderscheiden van de notie dringende medische hulp, zoals omschreven in de Wet van 8 juli 1976.

II. De oorzaak van een vordering is het geheel van feiten en handelingen waarop een partij zich steunt om een veroordeling te bekomen. De essentie van het oorzaakbegrip is dat het aan de rechter toekomt om op het complex van (rechts)feiten en (rechts)handelingen, waarop de partij die ze instelt haar vordering laat steunen, de juiste rechtsregels toe te passen en er de juiste juridische kwalificatie aan te verbinden. Als de partijen zelf de volgens hen toepasselijke rechtsregels aanbrengen, dan binden zij de rechter niet, en gelden ze enkel bij wijze van suggestie voor de rechter die ten definitieve titel de juiste rechtsregels moet toepassen en juist moet kwalificeren.

III. Een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid begaat een fout wanneer zij grondwettelijke of wettelijke regels schendt die haar voorschrijven op een bepaalde wijze iets te doen, zodat zij burgerrechtelijk aansprakelijk is als die fout schade veroorzaakt.

IV. Ht OCMW is wettelijk verplicht om dringende medische hulp te verlenen en de daaraan verbonden kosten ten laste te nemen. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 57 van de Wet van 8 juli 1976.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1441

INZAKE VAN :

Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SCHAARBEEK, afgekort O.C.M.W., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1030 BRUSSEL, Vifquinstraat 2,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 3 februari 2009,

vertegenwoordigd door Meester WATTECAMPS, advocaat te ANTWERPEN, loco Meester Marc LEGEIN, advocaat te 1030 BRUSSEL, Paul Deschanellaan 181 b 11,

1ste kamer

TEGEN :

De V.Z.W. VERPLEEGCENTRUM JEAN TITECA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1030 BRUSSEL, Luzernestraat 11, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0420.427.001,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VAN DEN BOSSCHE loco Meester Dirk DEGREEF, advocaat te 1700 DILBEEK, Eikelenberg 20,

I. De Wet van 8 juli 1964 handelt over de dringende medische hulpverlening. Dit valt zeker te onderscheiden van de notie dringende medische hulp, zoals omschreven in de Wet van 8 juli 1976.

II. De oorzaak van een vordering is het geheel van feiten en handelingen waarop een partij zich steunt om een veroordeling te bekomen. De essentie van het oorzaakbegrip is dat het aan de rechter toekomt om op het complex van (rechts)feiten en (rechts)handelingen, waarop de partij die ze instelt haar vordering laat steunen, de juiste rechtsregels toe te passen en er de juiste juridische kwalificatie aan te verbinden. Als de partijen zelf de volgens hen toepasselijke rechtsregels aanbrengen, dan binden zij de rechter niet, en gelden ze enkel bij wijze van suggestie voor de rechter die ten definitieve titel de juiste rechtsregels moet toepassen en juist moet kwalificeren.

III. Een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid begaat een fout wanneer zij grondwettelijke of wettelijke regels schendt die haar voorschrijven op een bepaalde wijze iets te doen, zodat zij burgerrechtelijk aansprakelijk is als die fout schade veroorzaakt.

IV. Ht OCMW is wettelijk verplicht om dringende medische hulp te verlenen en de daaraan verbonden kosten ten laste te nemen. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 57 van de Wet van 8 juli 1976.

_________________________________________________________

1. De relevante feiten

1) Op 16 juli 2003 werd de heer Alpha BALDE op bevel van de procureur des Konings opgenomen in het Verpleegcentrum J. TITECA (hierna TITECA), op grond van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

Bij vonnis van de vrederechter van het eerste kanton te Schaarbeek van 24 juli 2003 werd de opname ter observatie van betrokkene bevolen voor een periode van 40 dagen.

Bij vonnis van 21 augustus 2003 werd de verdere opname van de betrokkene bevolen voor een periode van twee jaar.

2) Op 17 juli 2003 stelde TITECA O.C.M.W. van Schaarbeek (hierna OCMW) in kennis van de opname van de betrokkene ter haren laste, met verwijzing naar de wet van 26 juni 1990.

Op 23 juli 2003 vroeg TITECA aan het OCMW om de dringende medische hulp ten laste te nemen.

Op 21 augustus 2003 en 22 december 2003 aanvaardde het OCMW als dringende medische hulp twee radiologische onderzoeken en één gastroscopisch onderzoek.

3) De kosten, waarvan thans de terugbetaling gevorderd wordt, zijn vervat in de factuur nummer 728363 van 9 oktober 2003 ten belope van 12.266,37 euro (voor verblijf van 17 juli tot en met 30 september 2003, farmaceutische en para farmaceutische kosten, en erelonen).

Volgens TITECA dient deze hoofdsom vermeerderd te worden met de conventionele verhoging van 1.839,95 euro , dit is 15 % van het gefactureerde bedrag, en de conventionele intresten van 1 % per maand.

Op 1 april 2005 werd door TITECA overgegaan tot dagvaarding van het OCMW tot betaling van 16.314,26 euro .

2. De vordering

De oorspronkelijke vordering van TITECA strekte ertoe het OCMW te horen veroordelen tot het betalen van een bedrag van 16.314,26 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke intresten tot op de dag van volledige betaling, alsook tot de kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingvergoeding.

Het OCMW vroeg om de vordering onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

De eerste rechter besliste met een vonnis van 22 januari 2009 dat de vordering van TITECA deels gegrond was: gelet op het ontbreken van enige contractuele band tussen beide partijen kunnen geen conventionele intresten, noch een schadebeding aangerekend worden.

Het OCMW werd tot het betalen van een bedrag van 12.266,37 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot de volledige betaling.

Verder werd het OCMW veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingvergoeding van 1.100,00 euro .

3. Het hoger beroep

Het OCMW heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 22 januari 2009 met een verzoekschrift tot hoger beroep dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 25 mei 2010.

Het bestreden vonnis werd betekend op 25 april 2010.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

TITECA stelde een incidenteel beroep in met als voorwerp betaling te bekomen van de conventionele interesten en het conventionele schadebeding.

Dit incidenteel beroep is ontvankelijk.

In hoger beroep herneemt het OCMW zijn initiële verweer en verzoekt het het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg het bestreden eindvonnis teniet de doen en de vordering van TITECA af te wijzen als zijnde ongegrond alsook laatstgenoemde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingvergoeding.

4. De ingeroepen middelen.

Als eerste grief roept het OCMW in dat de eerste rechter ten onrechte van oordeel was dat mensen die illegaal in het land verblijven onvoorwaardelijk recht hebben op dringende medische hulp, daar op geen enkel ogenblik zou zijn aangetoond dat de illegale vreemdeling niet in de mogelijkheid verkeerde om een leven te leiden dat beantwoordde aan de menselijke waardigheid.

Als tweede grief stelt het OCMW dat de eerste rechter zich onterecht baseerde op de Wet van 2 april 1965 om de betaling van de facturen door het OCMW aan TITECA te verantwoorden.

Als derde grief stelt het OCMW dat de eerste rechter ten onrechte van oordeel was dat de financiële gevolgen van hospitalisaties, opgelegd in het kader van de Wet van 26 juni 1990 niet ten laste zouden zijn van het opgevorderde ziekenhuis doch als vanzelfsprekend dienen gedragen te worden door het plaatselijke OCMW.

Als vierde grief stelt het OCMW dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat TITECA zou zijn opgetreden als zaakwaarnemer, daar TITECA louter zou hebben gehandeld in het kader van haar ziekenhuisactiviteiten, en niet in een activiteit die zogezegd nuttig is voor het OCMW.

5. Beslissing van het hof

5.1. M.b.t. de voorafgaand opmerking van het OCMW.

In haar synthesebesluiten merkt het OCMW op dat TITECA de oorzaak van de vordering in haar beroepsbesluiten zou hebben gewijzigd, wat niet toegelaten zou zijn.

In tegenstelling tot de procedure voor de eerste rechter, waar TITECA zich in hoofdorde beriep op de verplichting van het OCMW tot het verlenen van dringende medische hulp aan een vreemdeling die illegaal in het land verblijft, beroept TITECA zich thans op de buitencontractuele aansprakelijkheid van het OCMW teneinde een schadevergoeding te verkrijgen.

De oorzaak van een vordering is het geheel van feiten en handelingen waarop een partij zich steunt om een veroordeling te bekomen.

De essentie van het oorzaakbegrip is dat het aan de rechter toekomt om op het complex van (rechts)feiten en (rechts)handelingen, waarop de partij die ze instelt haar vordering laat steunen, de juiste rechtsregels toe te passen en er de juiste juridische kwalificatie aan te verbinden.

Als de partijen zelf de volgens hen toepasselijke rechtsregels aanbrengen, dan binden zij de rechter niet, en gelden ze enkel bij wijze van suggestie voor de rechter die ten definitieve titel de juiste rechtsregels moet toepassen en juist moet kwalificeren.

De juridische kwalificatie van de feiten maakt dan ook geen deel uit van de oorzaak van de vordering.

Wanneer een eiser alleen maar de kwalificatie van de tot staving van de gevorderde ingeroepen feiten of handelingen wijzigt, dan wel de naar zijn mening toepasselijke rechtsregel, heeft zulks geen betrekking op het voorwerp of de oorzaak van de vordering.

In huidig geval moet worden vastgesteld dat TITECA de feiten en handelingen, zoals weergegeven in de inleidende dagvaarding niet wijzigt.

De vordering heeft nog steeds zijn oorzaak in het gegeven dat zij, in het kader van de Wet van 26 juni 1990, verplicht was om de betrokkene op te nemen in haar instelling, wat de nodige kosten met zich meebracht, welke zij wenst te verhalen op het OCMW.

In haar beroepsbesluiten wijzigt TITECA enkel de naar haar mening toepasselijke rechtsregel om haar vordering gegrond te verklaren, doch niet de feiten en/of handelingen.

Met andere woorden wordt de oorzaak van de vordering niet gewijzigd, zodat er geen inbreuk is op artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals door het OCMW ten onrechte opgeworpen.

5.2. Het hoger beroep

5.2.1. De notie dringende medische hulp

Het OCMW tracht voor te houden dat er verwarring zou zijn in het gebruik van de begrippen dringende medische hulp in de zin van de Wet van 8 juli 1964 en deze in de zin van de Wet van 8 juli 1976 en het bijhorende Koninklijk Besluit van 12 december 1996.

Dit is echter niet het geval.

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de Wet van 8 juli 1964 handelt over de dringende medische hulpverlening, wat zeker te onderscheiden valt van de notie dringende medische hulp, zoals omschreven in de Wet van 8 juli 1976.

Het is overduidelijk dat TITECA zich van bij het begin beroept op de notie "dringende medische hulp" in de zin van de Wet van 8 juli 1976 en het bijhorende Koninklijk Besluit van 12 december 1996.

Dit blijkt overigens duidelijk uit de feitelijke grondslagen in dit dossier.

De behandelde persoon was op het ogenblik van zijn opname illegaal in het land, en beschikte niet over enige vorm van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister.

Het is precies om dergelijke situaties op te vangen dat artikel 57, §2 van de Wet van 8 juli 1976 handelt, uitdrukkelijk voorschrijft:

"In afwijking van andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot:

1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;"

Verder preciseert het Koninklijk Besluit van 12 december 1996, in haar artikel 1, het begrip dringende medische hulp als volgt:

"de hulp die een uitsluitend medisch karakter vertoont en waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. Deze hulp kan geen financiële steunverlening, huisvesting of andere maatschappelijke dienstverlening in nature zijn.

Dringende medische hulp kan zowel ambulant worden verstrekt als in een verplegingsinstelling, zoals bedoeld in artikel 1, 3° van de Wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en zij kan zorgverstrekking omvatten die zowel van preventieve als van curatieve aard is."

Wanneer een persoon, in toepassing van de Wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (die van openbare orde is), opgenomen wordt, is het bevoegde OCMW effectief verplicht om dringende medische hulp te verlenen.

Dit wordt overigens nogmaals expliciet duidelijk gemaakt in artikel 2, §1, 1°, ten vijfde van de Wet van 2 april 1965, waarin het steunverlenende OCMW bevoegd wordt gesteld om de noodzakelijke steun te verlenen indien de bijstand vereist is in een instelling van gelijk welke aard, waar de persoon verplicht verblijft in uitvoering van een rechterlijke of administratieve beslissing.

Geheel terecht verwijst de eerste rechter verder ook naar de Ministeriële Omzendbrief van 24 november 1997, waarbij onder "dringend" eveneens dient te worden begrepen de medische hulp die nodig is om een voor de persoon of zijn omgeving gevaarlijke medische toestand te voorkomen.

Het mag bijgevolg duidelijk zijn dat, zowel op basis van de Wet, het Koninklijk Besluit als de Ministeriële Omzendbrief er sprake is van een recht op dringende medische hulp voor de betrokkene.

Vervolgens werpt het OCMW op dat het recht op maatschappelijke dienstverlening uitsluitend toekomt aan de persoon die zich in een staat van behoeftigheid bevindt die hem niet toelaat een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Uit het dossier blijkt dat het OCMW de staat van behoeftigheid van de betrokkene nooit heeft betwist, wel integendeel.

Het bijzonder comité van de sociale dienst van het OCMW besliste herhaaldelijk om aan de betrokkene financiële hulp toe te kennen.

Dit gebeurde onder meer bij beslissing van 29 juli 2003 waarbij aan de betrokkene dringende medische hulp tijdens de opname bij TITECA werd toegekend, en bij het ten laste nemen van de radiologieën en gastroscopie.

Het OCMW heeft bijgevolg duidelijk expliciet erkend dat de betrokkene zich wel in een staat van behoeftigheid bevond.

De gestelde voorwaarde voor de ten laste neming in deze zaak waren bijgevolg voldaan.

5.2.2. Territoriale bevoegdheid van het OCMW van Schaarbeek

Geheel terecht merkt het OCMW op dat de Wet van 2 april 1965 uitsluitend regels bevat betreffende de bevoegdheden tussen de verschillende OCMW's alsook de procedure in verband met de verhaalbaarheid tussen de OCMW's en de Belgische Staat.

Bijgevolg zou, volgens het OCMW, TITECA zich ten onrechte beroepen op deze wet teneinde de bevoegdheid van het OCMW te laten vaststellen.

Dienaangaande oordeelde de eerste rechter volkomen correct dat de discussie in deze zaak betrekking heeft op de al dan niet gehoudenheid van het OCMW tot betaling van facturen, en niet op de territoriale bevoegdheid van de onderscheiden OCMW's, zodat TITECA zich wel degelijk kan beroepen op deze wet.

Artikel 1, 1° van de Wet van 2 april 1965 stelt:

"Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° steunverlenend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn erkend werd en aan wie het centrum steun verleent waarvan de aard en, zo nodig, het bedrag door het centrum beoordeeld en bepaald worden.

3° verplegingsinstelling: elke instelling of afdeling van een instelling waarin, met of zonder hospitalisatie, een diagnose wordt gesteld of een pathologische toestand wordt behandeld."

Artikel 2, §1 van dezelfde wet voorziet de volgende uitzondering op bovenvermelde algemene bevoegdheidsregel:

"In afwijking van artikel 1, 1°, is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene op het ogenblik van zijn opneming in een nagenoemde instelling of bij een nagenoemd privaat persoon voor zijn hoofdverblijf in het bevolkings- of het vreemdelingregister (of in het wachtregister) was ingeschreven, bevoegd om de noodzakelijke steun te verlenen, indien bijstand vereist is:

1° bij opneming of gedurende het verblijf van een persoon:

Hetzij in een psychiatrisch ziekenhuis;

...

Hetzij in een instelling van gelijk welke aard, waar die persoon verplicht verblijft in uitvoering van een rechterlijke of administratieve beslissing;"

Het wordt nergens betwist dat de betrokkene op het ogenblik van zijn verplichte opname in TITECA illegaal in het land verbleef en bijgevolg nergens ingeschreven was.

Ten aanzien van dergelijke personen is bijgevolg, op basis van de algemene bevoegdheidsregel, het OCMW bevoegd van de gemeente waar de behoeftige persoon zich op dat ogenblik bevindt.

Bovendien werd het OCMW van Schaarbeek herhaaldelijk aangeschreven met het verzoek dringende medisch hulp te verschaffen, waarbij zij op geen enkel ogenblik haar territoriale bevoegdheid betwistte.

Verder werd hoger al aangestipt dat het OCMW de staat van behoeftigheid van de betrokkene expliciet heeft erkend, zodat alle voorwaarden voor de ten laste neming vervuld waren.

Het OCMW van Schaarbeek is bijgevolg territoriaal bevoegd in deze aangelegenheid.

5.2.3. De oorspronkelijke vordering

In haar beroepsbesluiten stelt het OCMW dat zij weigert de kwestieuze facturen ten laste te nemen, omdat TITECA, als verstrekker van de dringende medische hulp, niet over een subjectief recht op bijstand zou beschikken.

Er dient echter te worden vastgesteld dat, al in de procedure voor de eerste rechter, TITECA, zich beriep op meerdere rechtsgronden, waaronder de zaakwaarneming, de rechtstreekse vordering, de schuldhernieuwing en de buitencontractuele aansprakelijkheid op basis van artikel 1382 B.W..

In tegenstelling tot wat de eerste rechter meende, kan de zaakwaarneming niet weerhouden worden, omdat de wettelijk voorziene voorwaarden hiertoe niet vervuld zijn.

Evenmin heeft TITECA een rechtstreekse, zekere en opeisbare vordering ten opzichte van het OCMW, zodat ook de rechtstreekse vordering niet kan worden ingeroepen.

Op grond van dezelfde overwegingen is er evenmin sprake van schuldhernieuwing.

Er dient echter te worden vastgesteld dat TITECA in haar synthesebesluiten expliciet stelt dat zij zich in hoofdorde steunt op de buitencontractuele aansprakelijkheid van het OCMW.

De discussie betreft dan ook, in essentie, de vraag of het OCMW als bevoegd hulpverlenend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een fout heeft begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Voormeld artikel laat aan elke persoon toe een vergoeding na te streven van schade die hij/zij heeft geleden als gevolg van een fout begaan door een andere persoon.

Een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid begaat een fout wanneer zij grondwettelijke of wettelijke regels schendt die haar voorschrijven op een bepaalde wijze iets te doen, zodat zij burgerrechtelijk aansprakelijk is als die fout schade veroorzaakt.

Een onrechtmatige overheidsdaad dient als volgt te worden gekwalificeerd:

"De fout van een bestuurlijke overheid, die op grond van artikelen 1382 en 1383 B.W. haar aansprakelijkheid kan meebrengen, bestaat in de gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij deze overheid verplicht is iet te doen of op een welbepaalde manier iets te doen."

Uit de al hoger aangehaalde overwegingen is gebleken dat het OCMW wettelijk verplicht was dringende medische hulp te verlenen en de daaraan verbonden kosten van TITECA ten laste te nemen.

Deze verplichting vloeit voort uit artikel 57 van de Wet van 8 juli 1976.

Doordat het OCMW deze wettelijke verplichting niet nakwam, en de gemaakte kosten niet vergoedde, begin ze een fout waardoor zij burgerrechtelijk aansprakelijk is wanneer deze fout schade veroorzaakt.

De schade bestaat, zoals hoger al aangestipt, in het niet betalen van de openstaande factuur aan TITECA.

Het OCMW betwist hierbij dat deze factuur betrekking zou hebben op medische kosten, zoals vereist in artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 12 december 1996.

De voorgelegde factuur is evenwel voldoende gedetailleerd, zodat onmiskenbaar kan worden vastgesteld dat alle erin vermelde elementen een duidelijk medisch karakter vertonen.

De schade in hoofde van TITECA staat bijgevolg bast, en deze kan terecht worden begroot op het bedrag van de uitstaande factuur.

Tot slot dient, in de toepassing van de leer van de buitencontractuele aansprakelijkheid, ook nog het oorzakelijk verband tussen de vastgestelde fout en schade te worden vastgesteld.

Het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade is aanwezig, ook al heeft TITECA geen rechtstreeks subjectief recht op bijstand.

Ook al is TITECA geen rechtstreeks rechthebbende op de bijstand, dit niet belet dat een partij, wanneer zij schade kan aantonen die zij geleden heeft door de fout van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zelf recht heeft op de hulp in de zin van artikel 58 (Cass., 29 september 2008, nr. C.07.0101.F).

5.2.4. Gehoudenheid Speciaal Onderstandfonds.

Aangaande de eventuele gehoudenheid van het Speciaal Onderstandfonds oordeelde de eerste rechter correct dat de eventuele tussenkomst van dit fonds, hetzij op grond van de Wet van 27 juni 1956 betreffende het Speciaal Onderstandfonds (intussen opgeheven) of van de Belgische Staat op grond van de Wet van 2 april 1965 in het kader van huidige discussie irrelevant is, omdat ze ondergeschikt is aan de eigen wettelijke verplichting van het OCMW tot het verlenen van maatschappelijke dienstverlening (in dit geval de dringende medische hulp).

Volkomen correct oordeelde de eerste rechter dat het OCMW in feite de enige debiteur is van de gemaakte kosten in het kader van het verlenen van de dringende medische hulp, ongeacht de mogelijkheid om deze kosten naderhand elders te kunnen verhalen.

5.2.5. Besluit

Gelet op bovenstaande dient bijgevolg te worden vastgesteld dat de eerste rechter de oorspronkelijke vordering terecht gegrond verklaarde, hoewel op basis van een andere kwalificatie van de voorliggende feiten en handelingen.

Waar de eerste rechter de voorliggende feiten nog kwalificeerde als zaakwaarneming door TITECA ten voordele van het OCMW, wordt de initiële vordering van laatstgenoemde thans op basis van de buitencontractuele aansprakelijkheid van het OCMW ingewilligd.

Het hoger beroep is ongegrond.

5.3. Incidenteel beroep

In haar beroepsbesluiten stelt TITECA incidenteel beroep in, in zoverre, volgens haar, de eerste rechter ten onrechte van oordeel was dat zij geen recht had op vergoedende of verwijlintresten en het schadebeding.

De eerste rechter heeft correct geoordeeld dat partijen niet door enige overeenkomst met elkaar zijn verbonden, zodat geen conventionele interesten, noch een schadebeding kunnen worden aangerekend.

Er is echter wel vastgesteld dat het OCMW een buitencontractuele fout heeft begaan, zodat wel een vergoedende interest kan worden toegekend.

De vergoedende interest is immers een vorm van schadeloosstelling, die mogelijk is bij de niet uitvoering van een verbintenis, die van begin af aan geen geldsom tot voorwerp heeft, of nog bij alle waardeschulden wegens wanprestatie, onrechtmatige daad of onteigening.

Er bestaat geen verschil tussen de contractuele en de buitencontractuele aansprakelijkheid, en de vergoedende interest kan geëist worden vanaf het ontstaan van de schade, waar de benadeelde vanaf het ontstaan van de schade een aanspraak krijgt op schadeloosstelling.

De schade is ontstaan op de factuurdatum, dit is 9 oktober 2003, zodat vanaf deze datum de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet kunnen worden toegekend, en dit tot op de dag van de volledige betaling.

Het incidenteel beroep van TITECA is deels gegrond, in de mate dat de eerste rechter oordeelde dat geen vergoedende intresten konden worden toegekend.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis behalve in de mate dat gerechtelijke interesten werden toegekend en, opnieuw rechtsprekend, het OCMW SCHAARBEEK om aan VERPLEEGCENTRUM J. TITECA VZW vergoedende interesten te betalen op 12.266,37 euro vanaf 9 oktober 2003.

Veroordeelt het OCMW SCHAARBEEK tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze op 186 euro rolrechten en 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

03/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Koenraad MOENS, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS K. MOENS

Vrije woorden

  • OCMW

  • Dringende medische hulp

  • Illegaal

  • Vordering van de verzorgingsinstelling tegen het OCMW: wettelijke grondslag. Eis: onderscheid tussen voorwerp en oorzaak van de feit. Kwalificatie van de feiten. Verandering van de kwalificatie zolder verandering van de aangehaalde feiten.