- Arrest van 9 september 2013

09/09/2013 - 2010AR802

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1. Register voor de osteopaten van België.

2. Het verzuim van de Belgische Staat om de wet van 29 april 1999 (betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen; ‘de wet COLLA') effectief binnen een redelijke termijn te implementeren kan te dezen niet ernstig worden betwist.

3. Betwisting betreffende de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies Ger. W.,

4. Mogelijkheid voor de rechter een bedrag te bepalen waarboven geen dwangsom mee verbeurd wordt (art. 1385ter Ger.W)

5. Het eigen belang van een rechtspersoon is alleen datgene wat zijn bestaan of zijn materiële en morele goederen en inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt. Het louter feit dat een natuurlijk persoon of een rechtspersoon een doel nastreeft, weze het een statutair vastgesteld doel, doet het eigen belang om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/802 - 2010/AR/779

INZAKE VAN :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1040 BRUSSEL, Handelsstraat 78-80,

appellant tegen vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 januari 2010 en 9 februari 2012,

vertegenwoordigd door Meester A. POPPE loco Meester Emmanuel JACUBOWITZ, advocaat te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7,

1ste kamer

TEGEN :

1) De beroepsvereniging REGISTER VOOR DE OSTEOPATEN VAN BELGIË, afgekort R.O.B., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1080 SINT-JANS-MOLENBEEK, Fuchiasstraat 11, ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0425.461.794,

2) De V.Z.W. THE INTERNATIONAL ACADEMY OF OSTEOPATHY, afgekort I.A.O., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9000 GENT, Klein Dokkaai 3-5,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Ben HERMANS, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270,

1. Register voor de osteopaten van België.

2. Zelfs indien geen wetsbepaling aan de uitvoerende macht een termijn voorschrijft om een verordening uit te vaardigen, kan het verzuim om een verordening uit te vaardigen, met toepassing van de artikelen 1382 en 1383 BW, tot schadeloosstelling aanleiding geven, wanneer schade hierdoor werd veroorzaakt. Het verzuim van de Belgische Staat om de wet van 29 april 1999 (betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen; ‘de wet COLLA') effectief binnen een redelijke termijn te implementeren kan te dezen niet ernstig worden betwist.

3. Betwisting betreffende de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies Ger. W., om verder uitvoering te geven aan een bepaald vonnis.

4. In de gevallen bedoeld in artikel 1385ter Ger. W. kan de rechter eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom mee verbeurd wordt.

5. Het eigen belang van een rechtspersoon is alleen datgene wat zijn bestaan of zijn materiële en morele goederen en inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt. Het louter feit dat een natuurlijk persoon of een rechtspersoon een doel nastreeft, weze het een statutair vastgesteld doel, doet het eigen belang om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan.

___________________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (24ste kamer), na tegenspraak uitgesproken op 22 januari 2010, aan appellant bij exploot van 24 februari 2010 betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 22 maart 2010 ter griffie neergelegd (zaak 2010/AR/802);

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (24ste kamer), na tegenspraak uitgesproken op 9 februari 2012, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 16 maart 2012 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van appellant, op 15 mei 2013 ter griffie neergelegd (een conclusie per dossier);

- de syntheseconclusie van geïntimeerden, op 15 april 2013 ter griffie neergelegd (conclusie voor beide zaken).

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Bij exploot van 16 mei 2008 hebben huidige geïntimeerden een vordering ingesteld tegen de Belgische Staat om de Belgische Staat te doen veroordelen "om de in artikel 2 § 2 van de wet van 29 april 1999 geviseerde paritaire commissie te benoemen conform de wettelijke voorschriften ter zake, zulks op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per dag dat (hij) in gebreke blijft zulks te doen na de betekening van het uit te spreken vonnis" en om de Belgische Staat bijkomend te doen veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van een euro alsook tot alle kosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding aan het maximumtarief van 10.000 euro.

2. Bij vonnis van 22 januari 2010 heeft de rechtbank deze vordering gegrond verklaard uitgezonderd de dwangsom die beperkt werd tot 5.000,00 euro per maand dat de Belgische Staat in gebreke blijft om de in artikel 2 § 2 van de wet van 29 april 1999 voorziene paritaire commissie te benoemen conform de wettelijke voorschriften terzake en wat de rechtsplegingsvergoeding betreft die niet aan het maximumtarief maar aan het basistarief van 1.200 euro werd begroot.

3. Appellant vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk (bij gebrek aan belang in hoofde van geïntimeerden), minstens ongegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerden tot betaling van de kosten van het geding.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

4. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis. Aanvankelijk, bij hun conclusie neergelegd op 26 april 2011, vorderden geïntimeerden bij incidenteel beroep om de dwangsom die op 5.000 euro per dag te brengen vanaf de betekening van het uit te spreken arrest. Bij hun laatste syntheseconclusie vragen geïntimeerden echter het bestreden vonnis "te bevestigen inzake de benoeming van de paritaire commissie zoals voorzien door de wet van 29 april 1999, onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per maand".

Zij vorderen tevens bij hun laatste conclusie neergelegd op 15 april 2013 om de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van 25.000 euro als vergoeding voor de in het verleden geleden schade, zulks in plaats van de toegekende provisie van een euro.

5. Bij exploot van 25 augustus 2010 heeft de Belgische Staat een vordering ingesteld om te "horen voor recht zeggen dat:

• de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, om verder uitvoering te geven aan het vonnis van 22 januari 2010 is ingetreden op 6 mei 2010 en zal ophouden op de dag dat de twee wetgevende kamers voor het eerst in plenaire vergadering zullen zijn samengekomen;

• de termijn van drie maanden voor de uitvoering van het vonnis vanaf laatst vermelde dag zal beginnen lopen."

6. Bij het bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis van 9 februari 2012 heeft de eerste rechter de vordering van de Belgische Staat ontvankelijk en deels gegrond verklaard en voor recht gezegd dat "de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, om verder uitvoering te geven aan het vonnis van 22 januari 2010 is ingetreden op 6 mei 2010 en slechts is ophouden te bestaan op 12 oktober 2010 op het ogenblik waarop de Kamer haar eerste gewone parlementaire zitting heeft gehouden".

Verder heeft de rechtbank beslist dat elke partij haar eigen kosten zou dragen.

7. Appellant vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om in hoofdorde te zeggen voor recht dat "de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, om verder uitvoering te geven aan het vonnis van 22 januari 2010 is ingetreden op 6 mei 2010 en slechts is ophouden te bestaan op 6 december 2010 op het ogenblik van de publicatie van de wet van 19 november 2010 in het Belgisch Staatsblad ".

De Belgische Staat vraagt in ondergeschikte orde om vast te stellen "dat de tijdelijke onmogelijkheid slechts opgehouden is te bestaan op 12 oktober 2010, namelijk op het ogenblik waarop de Kamer haar eerste gewone plenaire zitting heeft gehouden", hetgeen zou neerkomen op een bevestiging van het bestreden vonnis.

Appellant vraagt in elk geval te zeggen dat de termijn van drie maanden voor de uitvoering van het vonnis vanaf laatst vermelde dag begon te lopen en dat de kosten van beide aanleggen ten laste van geïntimeerden worden gelegd.

Het tweede hoger beroep werd eveneens tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

8. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

II. Relevante feitelijke gegevens

9. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feitelijke gegevens in het bestreden vonnis en voegt eraan wat volgt.

De oorspronkelijke procedure had betrekking op de tenuitvoerlegging van de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen, de zogenaamde "wet Colla " (B.S. 24 juni 1999).

De vordering was gesteund op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Er was aan de Belgische Staat verweten om niet binnen een redelijke termijn uitvoering te geven aan deze wet.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat de Belgische Staat inderdaad foutief had gehandeld.

10. Wat de veroordeling van de Belgische Staat om de paritaire commissie te benoemen conform de wettelijke voorschriften, is de situatie intussen geregeld nu de leden van de paritaire commissie bij Koninklijk Besluit van 27 maart 2012 werden benoemd. Dit besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 maart 2012 (derde editie).

De discussie blijft nog in verband met de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering, de opgelegde dwangsom en de veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van een euro provisioneel (of de nieuwe vordering tot betaling van 25.000 euro) als schadevergoeding.

11. Aangaande de betwisting betreffende de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, om verder uitvoering te geven aan het vonnis van 22 januari 2010, vraagt de Belgische Staat dus deze onmogelijkheid vast te stellen tot 6 december 2010, minstens tot 12 oktober 2010.

III. Bespreking

1°. Samenvoeging

12. Partijen besluiten tot de samenvoeging van beide zaken die inderdaad samenhangend zijn zodat het hof de samenvoeging beveelt.

2°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep - Belang van appellant

13. Zoals uiteengezet, werd de litigieuze paritaire commissie uiteindelijk samengesteld en geïnstalleerd bij koninklijk besluit van 27 maart 2012.

De Belgische Staat behoudt desondanks het vereiste belang om het bestreden vonnis van 22 januari 2010 aan te vechten en om in hoger beroep de hervorming te vorderen van het vonnis dat zijn belangen schaadt (ontvankelijkheid van de vordering, veroordeling tot benoeming en tot betaling van een provisionele schadevergoeding, dwangsom en gerechtskosten).

De zaak is na bekendmaking van het koninklijk besluit van 27 maart 2012 niet zonder voorwerp geworden.

3°. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden

14. Eerste geïntimeerde, de beroepsvereniging Register voor de Osteopaten van België - Registre des Osteopathes de Belgique, afgekort R.O.B., is een erkende beroepsvereniging opgericht krachtens de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen, zoals later gewijzigd. Zij heeft op 17 september 2002 beslist haar statuten te herzien. De Raad van State heeft de akte houdende herziening van de statuten bekrachtigd, waarna de nieuwe statuten bekendgemaakt werden in de bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 7 juni 2007.

Artikel 3, § 1 van de statuten luidt:

De beroepsvereniging richt zich tot de beoefenaars van de osteopathie die werkzaam zijn op het volledig Belgisch grondgebied en dus in de drie gewesten bedoeld in artikel 3 van de Grondwet en heeft tot doel: het invoeren en onderhouden van normen voor opleiding in osteopathie, voor de bescherming en als nut voor het publiek; bevorderen, helpen, goedkeuren, medewerken aan, de eenheid of de samenwerking regelen met universiteiten, faculteiten, opleidingen, ziekenhuizen, klinieken of andere osteopathische organisaties, instellingen of inrichtingen welke voldoen aan de normen van het register voor wat betreft osteopathische opleiding, onderzoek of praktijk; een register houden van personen die bekwaam zijn osteopathie te beoefenen conform de normen van het register en deze personen de toestemming geven de initialen van lidmaatschap van het register achter hun naam te gebruiken (M.R.O.B.); in het belang van het publiek toezicht te houden op het naleven van de deontologische code en het professioneel gedrag van de leden (als de Raad van Bestuur van mening is dat een lid de normen overschreden heeft, kan zij dit lid berispen, beboeten, intrekken of opschorten van de registratie en schrappen uit het register); de vooruitgang van de geneeskunde en specifiek van de osteopathie kenbaar maken en de vakkennis van haar leden verbeteren door het aanmoedigen van post-graduate opleiding.

15. Tweede geïntimeerde, International Academy of Osteopathy, afgekort IAO, werd op 18 juni 1996 als VZW opgericht . Haar hernieuwde statuten werden goedgekeurd op 21 februari 2006. Haar doel wordt onder artikel 3 beschreven als volgt:

De VZW heeft als doel, zonder winstverdeling onder de leden, noch tijdens haar bestaan, noch na haar ontbinding, het eventueel overschot van inkomsten en uitgaven bestemd zijnde voor de instandhouding of de verbetering van het hierna vermelde hoger burgerlijk doel, met verbod op zowel systematische, al te grote vermogensaccumulatie als te omvangrijke handels- en nijverheidsactiviteiten die dus steeds bijkomstig (ondergeschikt) zullen zijn, door alle mogelijke middelen en technieken de filosofie van Still, Littlejohn en Sutherland in binnen- en buitenland te verspreiden, zowel in de theorie als in de praktijk, meer in het bijzonder alles wat te maken heeft met de kunde van de osteopathie, o.m. door het organiseren van onderwijs, waaronder zowel het aanleren van het vak, bijscholing als herscholing moeten begrepen worden, steeds gevolgd door examens en mits slagen, het uitreiken van een valabel diploma; wetenschappelijk onderzoek; congressen; colloquia; seminaries; conferenties, stages; internationale uitwisseling; uitgaven en publicaties in dat verband.

De VZW mag alle rechtshandelingen stellen die nodig zijn of nuttig voor het verwezenlijken van het maatschappelijk doel van de vereniging en dit onbeperkt en zonder tijds- of frequentielimiet.

Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden, (...)

16. De Belgische Staat betwist dat geïntimeerden blijk geven van een rechtstreeks, rechtmatig en vooral persoonlijk belang bij het instellen van de oorspronkelijke vordering.

17. Eerste geïntimeerde, die opgericht werd als beroepsvereniging krachtens de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen , haalt terecht artikel 10, eerste lid, van deze wet aan:

De vereniging mag in rechte optreden, hetzij om te eisen, hetzij om te verweren, voor de verdediging van de persoonlijke rechten waarop haar leden aanspraak mogen maken als deelgenoten, onverminderd het recht voor die leden om rechtstreeks op te treden, zich bij het geding aan te sluiten of tussen te komen in de loop van het rechtsgeding.

De persoonlijke rechten van de Osteopaten om het implementeren van de wet van 29 april 1999 te eisen kan niet ernstig betwist worden. Deze wet strekt ertoe garanties te bieden inzake kwaliteitsnorm en kwalificatie of opleiding voor de beoefenaars van de osteopathie en hun individuele erkenning . Osteopaten stonden zelfs bloot aan strafrechtelijke vervolgingen wegens illegale beoefening van de geneeskunde bij gebrek aan individuele registratie.

Eerste geïntimeerde was bijgevolg gerechtigd om in rechte op te treden om de oorspronkelijke vordering in te stellen.

18. Tweede geïntimeerde werd als VZW opgericht met het doel de geïnteresseerden op te leiden in de kunde van de osteopathie en hun een diploma te laten uitreiken.

Zij verklaart als internationaal erkende onderwijsinstelling op het vlak van de osteopathie een individueel en rechtstreeks belang bij de correcte uitvoering van de wet van 29 april 1999 te hebben.

Het eigen belang van een rechtspersoon is alleen datgene wat zijn bestaan of zijn materiële en morele goederen en inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt Het louter feit dat een natuurlijk persoon of een rechtspersoon een doel nastreeft, weze het een statutair vastgesteld doel, doet het eigen belang om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan .

Het kan aanvaard worden dat de leden van tweede geïntimeerde wel degelijk materiële en morele belangen hebben bij de inwilliging van de oorspronkelijke vordering maar tweede geïntimeerde toont niet aan dat de VZW zelf een rechtstreeks en persoonlijk belang, van materiële of morele aard, zou hebben.

Het wordt alleszins niet aangetoond dat, indien een werkelijke opleidingsplicht voor de beoefenaars van de osteopathie zou bestaan, conform de bedoeling van de wet van 29 april 1999, het "evident is" dat tweede geïntimeerde als prominente onderwijsinstelling op dit vlak bijkomende studenten zou aantrekken, zoals zij het beweert .

De eerste rechter oordeelde dan ook ten onrechte dat tweede geïntimeerde blijk gaf van het vereiste belang om de vordering in te stellen (artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). Het hoger beroep is op dit punt gegrond.

4°. Ten gronde

19. Het verzuim van de Belgische Staat om de wet van 29 april 1999 effectief binnen een redelijke termijn te implementeren kan te dezen niet ernstig worden betwist.

Zelfs indien geen wetsbepaling aan de uitvoerende macht een termijn voorschrijft om een verordening uit te vaardigen, kan het verzuim om een verordening uit te vaardigen, met toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, tot schadeloosstelling aanleiding geven, wanneer schade hierdoor werd veroorzaakt .

Te dezen valt het op dat de oorspronkelijke vordering ingesteld werd op 25 augustus 2010, dit is wanneer de wet Colla meer dan 11 jaar vroeger was bekendgemaakt, en terwijl de Belgische Staat praktisch geen concreet initiatief had genomen om in de uitvoering van deze wet te voorzien; de enige omstandigheid dat de Belgische Staat in 2008 een studie aan het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg bestelde, impliceert geen correcte invulling van de taak van de uitvoerende macht.

De omstandigheid dat, overigens na het instellen van huidige vordering, de Belgische Staat de nodige stappen heeft ondernomen om de paritaire commissie samen te stellen, belet niet dat de Belgische Staat te dezen een schuldig verzuim heeft begaan.

20. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zover het een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in hoofde van appellant vaststelt.

De eerste rechter heeft eveneens terecht beslist dat het herstel in natura de meest passende vorm van herstel uitmaakte en dat de Belgische Staat moest veroordeeld worden om de in artikel 2, § 2 van de wet van 29 april 1999 voorziene paritaire commissie te benoemen. De Belgische Staat heeft overigens gevolg gegeven aan deze veroordeling.

21. De eerste rechter heeft de veroordeling van de Belgische Staat om de wettelijk voorziene paritaire commissie te benoemen gekoppeld aan het betalen van een dwangsom van 5.000 euro per maand dat de Staat in gebreke blijft zulks te doen, vanaf de derde maand na de betekening van het vonnis.

Het is volkomen begrijpelijk dat de eerste rechter dit bijkomend drukkingsmiddel heeft bepaald om de Belgische Staat aan te zetten niet langer aan te slepen in de benoeming van de paritaire commissie in uitvoering van de hoofdveroordeling.

De Belgische Staat vraagt ten onrechte de vordering tot het betalen van een dwangsom af te wijzen als ongegrond.

22. De opgelegde dwangsom werd oordeelkundig begroot op 5.000 euro per maand. De Belgische Staat betwist overigens op zich niet deze begroting. In ondergeschikte orde vraagt appellant zelfs het bestreden vonnis wat deze dwangsom van 5.000 euro per maand betreft te bevestigen, maar dan met aanvang vanaf de derde maand na de betekening van het uit te spreken arrest.

Deze ondergeschikte stelling van appellant kan niet worden bijgetreden nu het bestreden vonnis thans uitgevoerd is en dat het opleggen van een dwangsom nadat aan de hoofdveroordeling werd voldaan, zinloos zou zijn.

23. Er is vervolgens geen reden om het bestreden vonnis te hervormen wat de termijn van drie maanden na betekening ervan betreft. De Belgische Staat heeft zelf voor de eerste rechter deze termijn van drie maanden vanaf de betekening vooropgesteld, zijnde "de nodige tijd" of "een redelijke termijn om de benoeming van de paritaire commissie rond te krijgen" . Appellant toont niet aan dat deze vraag louter op een vergissing zou berusten.

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg bevestigd in zover het de Belgische Staat veroordeelt tot betaling aan geïntimeerden van een dwangsom van 5.000 euro per maand dat hij in gebreke blijft de paritaire commissie te benoemen vanaf de derde maand na betekening van het vonnis.

Het hof maakt echter toepassing van artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek en bepaalt op 30.000 euro het bedrag waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.

24. Geïntimeerden voeren aan dat appellant nagelaten heeft het bestreden vonnis uit te voeren maar deze betwisting is vreemd aan het voorwerp van het hoger beroep en zal desgevallend behandeld worden door de beslagrechter, bevoegd inzake geschillen over de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

25. Bij hun nieuwe vordering voor het hof vorderen geïntimeerden om hun een definitieve schadevergoeding toe te kennen die in billijkheid op 25.000 euro wordt begroot.

Het lijden door eerste geïntimeerde van een schade gelijk aan 25.000 euro wordt door geen enkel stuk gestaafd. Het hof kent aan eerste geïntimeerde een morele schade van één euro definitief toe.

De nieuwe vordering is ongegrond.

5°. De onmogelijkheid voor appellant om aan de hoofdveroordeling te voldoen

26. Het vonnis van 22 januari 2010 werd bij exploot van 24 februari 2010 aan de Belgische Staat betekend.

De dwangsom zou dan ook voor het eerst verbeuren op 24 juni 2010 (een maand na de toegestane termijn van drie maanden).

Zoals hierboven uiteengezet, vraagt de Belgische Staat vast te stellen dat hij in de tijdelijke onmogelijkheid, in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, was om aan de hoofdveroordeling in het vonnis van 22 januari 2010 te voldoen, dit is om de paritaire commissie te benoemen, vanaf 6 mei 2010 tot en met 6 december 2010.

27. Appellant haalt volgende chronologische feitelijke gegevens aan:

• 6 april 2010: koninklijk besluit houdende erkenning van beroepsorganisaties van een niet-conventionele praktijk of van een praktijk die in aanmerking kan komen om als niet-conventionele praktijk gekwalificeerd te worden ;

• 12 april 2010: bekendmaking in het B.S. van het KB van 6 april 2010;

• 15 april 2010: het voorontwerp van wet tot bekrachtiging van het KB van 6 april 2010 wordt voor advies (binnen de verkorte termijn van vijf dagen) voorgelegd aan de Raad van State, afdeling Wetgeving;

• 20 april 2010: advies 48.129/3 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State;

• 26 april 2010: val van de federale regering;

• 6 mei 2010: ontbinding van het parlement dat niet meer bijeen is kunnen komen tot op de aanvang van het nieuw parlementair jaar, zijnde de tweede dinsdag van oktober (meer bepaald 12 oktober 2010);

• 3 september 2010: de regering in lopende zaken beslist het voorontwerp van wet (ter goedkeuring van het KB van 6 april 2010) ter goedkeuring van de wetgevende kamers voor te leggen;

• 23 september 2010: de FOD Volksgezondheid richt een aanvraag aan de faculteiten geneeskunde om hun kandidaten voor de vier kamers voor te dragen;

• 19 november 2010: wet houdende erkenning van beroepsorganisaties van een niet-conventionele praktijk of van een praktijk die in aanmerking kan komen om als niet-conventionele praktijk gekwalificeerd te worden ( = bekrachtiging van het KB van 6 april 2010);

• 6 december 2010: bekendmaking van de wet in het B.S.;

• 21 december 2010: brief van de minister van Volksgezondheid aan de erkende beroepsorganisaties om leden voor te dragen die zouden zetelen in de kamers als voorzien in artikel 2, § 3 van de wet van 29 april 1999;

• De universiteiten en beroepsorganisaties dragen niet onmiddellijk hun kandidaten voor;

• 13 juli 2011: KB tot uitvoering van artikel 6, §§ 1 en 3, van de wet van 29 april 1999 en KB tot uitvoering van artikel 5, § 2, derde lid, van de wet van 29 april 1999 (bekendgemaakt in het B.S. op 2 augustus 2011 = vastlegging van het aantal leden van de paritaire commissies en van de kamers);

• 6 september 2011: brief van de minister van Volksgezondheid aan de universiteiten en erkende beroepsorganisaties om ten laatste op 30 oktober 2011 leden voor te dragen die zouden zetelen in de paritaire commissies;

• 12 september 2011: benoeming van de leden van de vier kamers (bekendmaking in het B.S. op 27 september 2011);

• 27 maart 2012: KB houdende benoeming van de leden van de paritaire commissies (B.S. 30 maart 2012).

28. Relevant voor het beoordelen van de beweerde onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek zijn de feiten die zich in de periode tussen 6 mei 2010 en 6 december 2010 situeerden.

Het kan aanvaard worden dat de Belgische Staat inderdaad vanaf de val van de regering en de ontbinding van het Parlement redelijkerwijze in de onmogelijkheid was om over te gaan tot benoeming van de paritaire commissie nu het KB van 6 april 2010, dat nogal vlug (anderhalve maand) na de betekening van het vonnis van 22 januari 2010 werd afgekondigd, bij wet diende te worden bekrachtigd en dat deze bekrachtiging bij wet niet mogelijk was.

Die onmogelijkheid duurde tot de eerste voltallige vergadering van de kamer op 12 oktober 2010 en de vordering van appellant om nog rekening te houden met een redelijke termijn van twee maanden om aan het Parlement de tijd te geven om het KB van 6 april 2010 bij wet te bekrachtigen en om de wet te publiceren, is redelijk en rechtvaardig.

De aangehaalde onmogelijkheid is niet het gevolg van enige onzorgvuldigheid van de Belgische Staat.

De onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek om aan de hoofdveroordeling te voldoen wordt bijgevolg vastgesteld in de periode gaande van 6 mei 2010 tot en met 6 december 2010, datum van bekendmaking van de wet houdende bekrachtiging van het KB. In deze periode heeft de Belgische Staat, FOD Volksgezondheid, inspanningen geleverd om de benoeming van de paritaire commissies vooruit te helpen.

Het hoger beroep is op dit punt gegrond.

4°. De gerechtskosten

29. De gerechtskosten worden voor de helft ten laste gelegd van appellant en voor de andere helft ten laste van geïntimeerden, zulks met toepassing van artikel 1017, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Partijen begroten terecht hun rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 voor niet in geld waardeerbare geschillen.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder nummers 2010/AR/802 en 2012/AR/779 samen.

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het de vordering van tweede geïntimeerde, de VZW International Academy of Osteopathy, afgekort IAO, ontvankelijk verklaart en, opnieuw rechtsprekende op dit punt, verklaart de vordering van tweede geïntimeerde onontvankelijk.

Bevestigt het bestreden vonnis in zover het de Belgische Staat veroordeelt om de in artikel 2 § 2 van de wet van 29 april 1999 geviseerde paritaire commissie te benoemen conform de wettelijke voorschriften ter zake en tot betaling aan eerste geïntimeerde van een dwangsom van 5.000 euro per maand dat hij in gebreke blijft de paritaire commissie te benoemen vanaf de derde maand na betekening van het vonnis. Zegt dat met toepassing van artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek het bedrag waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt, bepaald wordt op 30.000 euro.

Stelt de onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek om aan de hoofdveroordeling te voldoen vast in de periode gaande van 6 mei 2010 tot en met 6 december 2010.

Verklaart de hogere beroepen voor het overige ongegrond.

Verklaart de nieuwe vordering van geïntimeerden tot betaling van 25.000 euro schadevergoeding onontvankelijk in hoofde van tweede geïntimeerde en ongegrond in hoofde van eerste geïntimeerde. Begroot de schade in hoofde van eerste geïntimeerde op een euro en veroordeelt de Belgische Staat om deze som te betalen, te verhogen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van huidig arrest.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep voor de helft ten laste van appellant en voor de andere helft ten laste van geïntimeerden.

Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep :

- in hoofde van de Belgische Staat op euro 1.692 (186 rolrecht + 186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

10/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Osteopaten. Osteopathie. Art. 2, §2, wet van 29 april 1999 ('wet Colla') betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, enz. Verzuim van de Belgische Staat deze wet uit te voeren. Buitencontractuele fout van de Belgische Staat. Dwangsom. Toepassing van artikel 1385ter Ger. W. en van artikel 13585quinquies Ger. W.