- Arrest van 15 oktober 2013

15/10/2013 - 2010AR2310

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Nu de advocaat de opdracht kreeg om een welbepaalde rechtshandeling te stellen, met name de inleiding van het fiscaal geschil bij de bevoegde rechtbank bij toepassing van artikel 1385undecies Ger. W., berustte op hem een resultaatsverbintenis om deze procedure met inachtneming van de voorgeschreven pleegvormen en binnen de wettelijke termijn in te stellen. Het niet tijdig instellen van de procedure maakt dan ook een fout uit in hoofde van de advocaat.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2310

INZAKE VAN :

De heer L. J., wonende te

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 19 mei 2010,

vertegenwoordigd door Meester Dirk BOSMANS loco Meester Walter BOSMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 41,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer H. P.,

Mevrouw J.... K.,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Henri VANDEBERGH, advocaat te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Pater Beckersstraat 10,

Advocaat. Taken. Inspannings- of resultaatsverbintenis. Beroepsaansprakelijkheid van de advocaat. Beroepsfout. Inleiding van een fiscaal geschil. Artikel 1385undecies Ger. W. Schade: verlies van een kans. Waardering van deze schade.

Nu de advocaat de opdracht kreeg om een welbepaalde rechtshandeling te stellen, met name de inleiding van het fiscaal geschil bij de bevoegde rechtbank bij toepassing van artikel 1385undecies Ger. W., berustte op hem een resultaatsverbintenis om deze procedure met inachtneming van de voorgeschreven pleegvormen en binnen de wettelijke termijn in te stellen. Het niet tijdig instellen van de procedure maakt dan ook een fout uit in hoofde van de advocaat.

______________________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (9de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 19 mei 2010, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 16 augustus 2010 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellant, op 19 september 2011 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van geïntimeerden, op 13 januari 2011 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 september 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellant stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, ingesteld bij dagvaarding van 14 november 2008, deels gegrond verklaart, huidige appellant derhalve veroordeelt tot betaling aan geïntimeerden van 11.688,85 euro, te verhogen met interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 14 november 2008 en 2/3de van de gerechtskosten ten laste legt van appellant.

2. Appellant vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van beide aanleggen.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellant tot betaling van de gerechtskosten.

Zij stellen incidenteel beroep in waarbij zij hun oorspronkelijke vordering hernemen en de veroordeling van appellant vorderen tot betaling van 8.355,05 euro + 8.551,71 euro + 8.944,89 euro of in totaal 25.851,65 euro, te verhogen met de "wettelijke interest" vanaf 14 november 2008 en de gerechtelijke interest.

Geïntimeerden vragen nog het te vellen arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement, welke vordering voor het hof kennelijk zonder voorwerp is.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Geïntimeerden hebben via hun gevolmachtigde, BVBA Accountants Vancalster, bezwaar ingediend, respectievelijk op 10 januari 2000, 20 april 2000 en 1 maart 2000, tegen de aanslagen (directe belastingen) voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 (artikelen 79990679, 701777099 en 701502322, t.b.v. resp. 8.355,05 euro, 8.551,71 euro en 8.944,89 euro).

Bij beslissing van 7 februari 2002 heeft de Gewestelijke Directeur te Leuven het bezwaar verworpen als ongegrond.

5. Appellant, hierna de advocaat, werd verzocht om de vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Appellant heeft op 10 mei 2002 zijn verzoekschrift ter griffie van de rechtbank neergelegd.

6. Bij vonnis van 6 oktober 2006 heeft de rechtbank de vordering afgewezen nu het verzoekschrift laattijdig was neergelegd, meer bepaald na 8 mei 2002, zijnde meer dan drie maanden vanaf de kennisgeving (artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek).

7. Geïntimeerden hebben bij exploot van 14 november 2008 appellant gedagvaard tot vergoeding van de schade die zij ingevolge de fout van de advocaat (dit is het niet tijdig instellen van het geding) hebben geleden, schade die gelijk is aan het bedrag van de betwiste aanslagen, of 25.851,65 euro.

III. Bespreking

8. De eerste rechter oordeelde dat de fout van de advocaat vaststond. Deze laatste werpt ten onrechte op dat de accountant hem niet tijdig de nodige fiscale gegevens had bezorgd.

Hij oordeelde verder dat geïntimeerden schade hebben geleden bestaande in het verlies van een kans. De rechtbank achtte "de kans zeer groot dat deze onderdelen van de aanslagen voor meer dan de helft zouden verminderd worden" en kende een schadevergoeding van 11.688,85 euro toe.

9. Appellant betwist enige fout te hebben gepleegd en de schade nu het beroep kansloos zou zijn geweest.

1°. De fout

10. Appellant betwist enige fout te hebben gepleegd nu geïntimeerden en het accountantskantoor zelf in gebreke zijn gebleven de nodige documenten en gegevens te bezorgen, o.m. de fiscale bezwaarschriften, en de nodige fiscale argumenten ten gronde mee te delen.

De advocaat bevestigt dat geïntimeerden hem verzocht hebben een beroep in te leiden na afwijzing van hun bezwaar door de Gewestelijke Directeur te Leuven bij beslissing van 7 februari 2002. Hij ontkent niet een kopie te hebben ontvangen van de beslissing van 7 februari 2002 van de Gewestelijke Directeur.

11. Nu de advocaat de opdracht kreeg om een welbepaalde rechtshandeling te stellen, met name de inleiding van het fiscaal geschil bij de bevoegde rechtbank, berustte op hem een resultaatsverbintenis om deze procedure met inachtneming van de voorgeschreven pleegvormen en binnen de wettelijke termijn in te stellen.

De omstandigheid dat de accountant aan de advocaat vooralsnog geen volledige uiteenzetting van de argumenten had bezorgd, belette deze laatste helemaal niet om het beroep in te stellen. De advocaat beschikte inderdaad over de beslissing van 7 februari 2002 van de Gewestelijke Directeur waarin zowel het voorwerp van de betwisting als de grieven, zij het op summiere wijze, worden weergegeven. De beslissing (p. 2) houdt immers o.m. in:

GRIEVEN.

Betreffende de aanslagjaren 1997 en 1998 verwijst volmacht drager naar zijn schrijven d.d. 28.10.1999, zijnde zijn antwoord op het bericht van wijziging d.d. 06.10.1999. Hierin haalt hij aan:

- dat bij het sluiten van een akkoord over de ingebrachte beroepskosten en meer bepaald de autokosten er een akkoord bestond met de taxatiedienst;

- dat er bij het sluiten van dit akkoord rekening werd gehouden met het voordeel in natura van de kabinetswagen, en dat er ten onrechte wordt van uit gegaan dat alle ingebrachte kilometers met de kabinetswagen werden afgelegd.

Betreffende aanslagjaar 1999 haalt volmacht drager aan dat hij niet akkoord kan gaan met het voordeel van alle aard (gebruik kabinetswagen) omdat het aangegeven bedrag van de inkomsten reeds werd verhoogd met dit voordeel.

Deze uiteenzetting, samen met het afwijzende antwoord van de Gewestelijke Directeur in de betwiste beslissing van 7 februari 2002 volstonden om het verzoekschrift op te stellen, dat immers op summiere wijze kon gemotiveerd zijn. Geïntimeerden stellen terecht dat het volstond deze grieven aan te halen in het verzoekschrift en te stellen dat ze ten onrechte verworpen werden.

De advocaat had aldus de mogelijkheid om tijdig de procedure in te stellen op basis van de gegevens en stukken waarover hij beschikte. Het verzoekschrift dat appellant op 10 mei 2002 (laattijdig) neerlegde is overigens niet op meer omstandige wijze gemotiveerd. Aanvullende stukken en gegevens konden nog later worden bezorgd met het oog op het opstellen van de conclusie.

Het niet tijdig instellen van de procedure maakt dan ook een fout uit in hoofde van appellant.

2°. Schade

12. Appellant voert aan dat ook een tijdelijk ingestelde procedure alleszins volledig kansloos was geweest. Geïntimeerden zouden dan ook geen enkele kans hebben verloren en bijgevolg geen schade hebben geleden.

13. Het bezwaar van geïntimeerden betrof de bedrijfsuitgaven, resp. de aangifte van een voordeel in natura m.b.t. het gebruik door eerste geïntimeerde van een functievoertuig.

Eerste appellant was in de gegeven periode kabinetssecretaris van de Vlaamse minister van .... In deze hoedanigheid beschikte hij over een kabinetsvoertuig. Hij was bovendien schepen van de stad Z..

De directeur, Administratie van Financiën, directe belastingen, bevestigde op 5 oktober 1999 aan de dienstchef van de controle Aarschot:

"De in rand vermelde belastingplichtige maakte deel uit van het kabinet van de minister van Economie, KMO, enz. en beschikte gedurende de jaren 1996, 1997 en 1998 over een hem kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (nl. een Citroën BX tot juni 1997 en een Peugeot 405 vanaf juli 1997) waarvan het persoonlijk gebruik aanleiding geeft tot een te belasten voordeel voor de vermelde periode.

Vermits in zijn hoofde het louter toevallig of functioneel gebruik niet bewezen en geen enkele verklaring voldoende gemotiveerd werd, dienen de verplaatsingen tussen de woonplaats en het kabinet, alsmede de andere privé-verplaatsingen (om privé-aankopen te doen, tijdens de weekends, om op vakantie te gaan enz.) weerhouden te worden en als voordeel van alle aard in aanmerking genomen."

14. De inspecteur van het Controle der Belastingen te Z. verstuurde dan op 6 oktober 1999 aan geïntimeerden een aangetekend "bericht van wijziging van aangifte" waarin hij naar de geciteerde brief van 5 oktober 1999 verwees die vaststelde:

- dat u gedurende de periode 1996, 1997 en 1998 deel uitmakende van het kabinet van de minister van Economie, KMO enz., beschikte over een kosteloos gesteld voertuig (...);

- dat hieruit voortvloeit dat het persoonlijk gebruik hiervan aanleiding geeft tot een te belasten voordeel voor de vermelde periodes;

- en vermits in uw hoofde het louter toevallig of functioneel gebruik niet bewezen en in geen enkele verklaring voldoende gemotiveerd werd (er dient aan het Hoofdbestuur der directe belastingen jaarlijkse opgave te worden gezonden met vermelding van de identiteit van de gebruikers van de kabinetswagens, en het bedrag van het in aanmerking te nemen belastbaar voordeel + een fiche 281.10 en een samenvattende opgave 325.10 aan de bevoegde Documentatiecentra).

De directeur besloot:

- dat de verplaatsingen tussen de woonplaats en het kabinet, alsmede alle privé-verplaatsingen weerhouden dienen te worden en als voordeel van alle aard in aanmerking moeten worden genomen;

- dat alzo de beroepskosten van de respectievelijke jaren dienen verminderd te worden met de autokosten.

15. Op 1 april 1999 werd een omzendbrief gepubliceerd , i.v.m. voordelen in natura voortvloeiend uit het persoonlijk gebruik van voertuigen van openbare diensten. Voor ambtenaren die, zoals eerste geïntimeerde, over een kabinetswagen beschikten, moest voortaan een individuele fiche 281.10 worden opgemaakt, met vermelding van het belastbaar voordeel van alle aard wegens persoonlijk gebruik van een kabinetswagen.

16. Geïntimeerden beroepen zich voornamelijk op de akkoorden die op 4 augustus 1999 met de controledienst gesloten werden voor de inkomsten aanslagjaren 1997 en 1998.

Hierover stelde inspecteur N. (Inspectie Tienen) op 14 september 2000 :

Het akkoord stoelde op de veronderstelling dat blp met de eigen wagen naar Brussel reed en van daaruit met de kabinetswagen (brandstof zelf te betalen).

Dit akkoord werd niet door de hiërarchische meerdere bekrachtigd. Integendeel. Aanvullend onderzoek drong zich op ingevolge het nazicht van de kabinetsboekhouding door de dienst van de directeur van directie Brussel 1, wat resulteerde in een opdracht tot taxatie door E.a. inspecteur te Tienen A.

Gezien de bewijslast bij blp berust.

Gezien hem kosteloos een voertuig ter beschikking werd gesteld waarvan het louter toevallig of functioneel gebruik niet bewezen en in geen enkele verklaring voldoende werd gemotiveerd, werden de door blp - volgens zijn aangiften - gereden kilometers terecht weerhouden als basis voor de berekening als voordelen van alle aard.

17. Het fiscaal geschil van geïntimeerden kon onmogelijk alleen gesteund zijn op een niet bekrachtigd akkoord met de controleur, dat bovendien stoelde op verkeerde veronderstellingen over essentiële gegevens, zowel m.b.t. het gebruik van een eigen wagen als m.b.t. de betaling door eerste geïntimeerde van brandstof voor de kabinetswagen, quod non.

18. Een van de verkeerde veronderstellingen van de controledienst was de onterechte overtuiging dat eerste geïntimeerde zelf de benzine (en andere kosten?) voor het gebruik van de kabinetswagen betaalde. Eerste geïntimeerde handhaaft dat hij deze kosten betaalde maar hij legt hierover niet het minste bewijsstuk voor en zijn bewering strookt niet met de verklaring van de directeur, Administratie van Financiën, directe belastingen d.d. 5 oktober 1999, na nazicht van de kabinetsboekhouding, met name dat eerste geïntimeerde beschikte over een kosteloos gesteld voertuig. De administratie had dan ook gedwaald en had bijgevolg voor de rechtbank kunnen stellen dat zij niet door haar akkoord gehouden was.

Appellant benadrukt terecht dat de belastingsplichtige de bewijslast draagt wat de aangegeven kosten betreft.

19. Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat de kansen van geïntimeerden op een gunstig verloop van hun procedure niet "zeer groot" waren gelet op het onzeker karakter van het akkoord met de fiscale administratie.

De aftrek van verplaatsingskosten met een kabinetswagen die kosteloos ter beschikking van eerste geïntimeerde was gesteld en de aanrekening van het voordeel in natura, waren duidelijk problematisch. De administratie heeft ten andere het voordeel in natura berekend op basis van de eigen aangifte van geïntimeerden wat de afgelegde kilometers betreft.

Het hof schat de kans op welslagen van de in te stellen procedure als minimaal en begroot de waarde ervan op 1.000 euro.

Het hoger beroep is deels gegrond. Het incidenteel beroep is ongegrond.

20. De gerechtskosten:

De gerechtskosten van beide aanleggen worden tot beloop van de helft ten laste gelegd van elke partij.

Partijen begroten hun rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Er is immers geen reden om af te wijken van dit basisbedrag.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 2.200 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het appellant heeft veroordeeld tot betaling aan geïntimeerden van 11.688,85 euro en tot 2/3den van de gerechtskosten in eerste aanleg.

Opnieuw rechtsprekend, veroordeelt appellant tot betaling van 1.000 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf de inleidende dagvaarding.

Legt de gerechtskosten van beide aanleggen tot beloop van de helft ten laste van elke partij.

Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep, in hun geheel,

- in hoofde van appellant op euro 2.386 ( 186 rolrecht + 2.200 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.200 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

15/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Beroepsaansprakelijkheid van een advocaat. Inspanningsverbintenis? Resultaatsverbintenis. Inleiding van een fiscaal geding, tijdig en in de vereiste pleegvormen. Schade: verlies van een kans: waardering van deze schade.