- Arrest van 25 november 2013

25/11/2013 - 2008AR2614

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De wet legt de beneficiaire erfgenaam geen termijn op voor het opmaken van de boedelbeschrijving.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2008/AR/2614

INZAKE VAN :

De heer H. J.,

eiser tot cassatie van een arrest gewezen op 18 mei 1998 door het hof van beroep te Antwerpen, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 3 oktober 1994,

vertegenwoordigd door Meester Toon VERBEEK loco Meester Geert RENS, advocaat te 3920 Z., Michiel Jansplein 25,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer L. F., en zijn echtgenote

2) Mevrouw M. G.,

verweerders in cassatie, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester LYNA loco Meester Victor ENGELEN, advocaat te 3530 HOUTHALEN-HELCHTEREN, Herebaan-Oost 3/1,

Nalatenschappen. Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Termijn voor het opmaken van de boedelbeschrijving.

De wet legt de beneficiaire erfgenaam geen termijn op voor het opmaken van de boedelbeschrijving.

++++++++++++++++++++++++++++++

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het arrest van het Hof van Cassatie van 25 maart 1999 dat het arrest van de eerste kamer van het hof van beroep te Antwerpen van 18 mei 1998 vernietigt en de zaak naar het hof van beroep te Brussel verwijst;

- de betekening van het cassatiearrest aan appellant bij exploot van 10 februari 2000;

- de syntheseconclusie van appellant (neerlegging 5 september 2013);

- de syntheseconclusie van geïntimeerden (neerlegging 6 september 2013).

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzittingen van 24 september 2012 en 21 oktober 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Bij exploot van 23 november 1993 hebben de heer L. F. en zijn echtgenote mevrouw M. G. een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen de heer H. J. in betaling van verschillende bedragen die, in hun stelling, hun verschuldigd waren door wijlen J. J., overleden op 1 augustus 1982, wiens nalatenschap door huidige appellant aanvaard was onder voorbehoud van boedelbeschrijving.

Eisers verklaarden dat hun schuldvordering opzichtens de nalatenschap werd vastgesteld bij vonnis van 25 juni 1984 en arrest van 10 november 1987.

Zij stelden dat huidige appellant nimmer een boedelbeschrijving heeft laten opstellen doch door slecht beheer van de nalatenschap, de schulden na het overlijden onnodig heeft verhoogd.

Eisers vorderden meer bepaald:

- 17.564 BEF begrote kosten,

- de wettelijke interest op 99.867 BEF (registratierechten) van 1 augustus 1982 tot 25 mei 1987,

- 3.910 BEF per maand vanaf 1 augustus 1982 tot 19 augustus 1987, meer de wettelijke interest tot datum dagvaarding

- 240 BEF per maand vanaf 1 augustus 1983 tot 25 juni 1984, meer de wettelijke interest tot datum dagvaarding

- 4.150 BEF per maand vanaf 26 juni 1984 tot 19 februari 1987, meer de wettelijke interest tot datum dagvaarding

- de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding en de kosten van het geding

2. Bij vonnis van 3 oktober 1994 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, vijfde kamer, de vordering ontvankelijk en gegrond.

3. Appellant stelde hoger beroep in bij verzoekschrift dat op 24 november 1994 ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen werd neergelegd.

Hij vorderde, met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

4. Bij arrest van 18 mei 1998 heeft de eerste kamer van het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard en appellant veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep.

Bij het verwijzingsarrest van 25 maart 1999 vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep te Antwerpen op grond van volgende overwegingen:

"Overwegende dat eiser (J.) in zijn samenvattende appelconclusie in ondergeschikte orde aanvoerde dat "naast het feit van de fout, evenmin het bestaan van de schade, noch het oorzakelijk verband bewezen wordt";

Overwegende dat het arrest oordeelt dat "er geen betwisting bestaat over de omvang van de schade en de begroting van de schadevergoeding";

Dat het aldus van de aanvullende appelconclusie van eiser een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is."

5. Na cassatie vordert appellant nog steeds om, met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, ontoelaatbaar minstens ongegrond te verklaren.

Hij vraagt, ondergeschikt, vooraleer ten gronde te beslissen, hem te machtigen om met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat:

- de woning W. 128, die door geïntimeerden aangekocht werd op 15 januari 1981, kort na het overlijden van de heer J. J., afgebrand is en minstens en alleszins sinds 8 juli 1983 onbewoonbaar was;

- geïntimeerden reeds voor 19 februari 1987, in de periode 1984-1985, overgingen tot het slopen van de bestaande woning W. 128;

- geïntimeerden reeds voor 19 februari 1987 overgingen tot het bouwen van een nieuwe woning op het perceel grond in kwestie.

Hij vraagt in meer ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat geïntimeerden geen aanspraak kunnen maken op interest, gerechtelijke interest, noch kapitalisatie van interest en hij vordert alleszins zijn gerechtskosten.

6. Geïntimeerden besluiten tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond.

Zij vragen hun akte te verlenen van de uitbreiding van hun oorspronkelijke eis met het oog op kapitalisatie van interest en deze ontvankelijk te verklaren, dienvolgens appellant te veroordelen tot betaling aan geïntimeerden van 13.295,79 euro, te verhogen met de gerechtelijke interest vanaf 15 maart 2000 tot op datum van algehele betaling en met alle gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

7. Op 15 januari 1981 hebben wijlen de heer J. J., vader van huidige appellant, enerzijds, en geïntimeerden, anderzijds, een "verkoopverbintenis" ondertekend waarbij de heer J. J. verklaarde aan geïntimeerden te verkopen "(1) een bouwplaats, met deel van woonhuis te Z., W. 128, sectie A, deel van nummers 1157 en 1159/B, groot 9 aren 59 centiaren, aangeduid als lot 1 op opmetingsplan d.d. 8 februari 1980 (2) (het) achterliggend perceeltje grond, groot ongeveer 3 aren 24 centiaren, sectie A, deel van nummers 1157 en 1159/B, en gelegen achter voorgeschreven lot 1 zoals aangeduid als lot 3 op nagemeld plan (de juiste oppervlakte zal blijken uit de opmeting)."

De verkoop was overeengekomen voor de prijs van 600.000 BEF, betaald "op het ogenblik der ondertekening van tegenwoordig compromis, waarvan kwijtschrift". Geïntimeerden hebben immers een cheque op naam van de heer J. J. uitgeschreven voor de som van 600.000 BEF, welke op 21 januari 1981 werd betaald .

Als bijzondere voorwaarde waren partijen overeengekomen dat de verkoper "het gedeelte huis, zich bevindende op voorschreven lot 1 (zou) mogen blijven bewonen tot aan zijn dood". De "onkosten van de akte van verkoop" werden ten laste gelegd van de verkoper.

De notariële akte zou binnen de maand, op eerste verzoek, verleden worden voor notaris I. te Z..

8. Geïntimeerden hebben op 12 maart 1981 de registratierechten (64.360 BEF) betaald.

9. De raadsman van geïntimeerden stelde de heer J. J. in gebreke om voor notaris I. te verschijnen met het oog op het verlijden van de authentieke akte .

Notaris Y., handelend voor de heer J. J., stelde dat de partijen eerst bij hem waren gekomen, dat zij akkoord gingen over een totale verkoopwaarde van 900.000 BEF, aktekosten niet inbegrepen, en dat zij dan bij notaris I. buiten zijn aanwezigheid zijn verschenen en een andere overeenkomst afsloten op basis van de prijs van 600.000 BEF en aktekosten ten laste van de verkoper. Notaris Y. oordeelde dat op het kantoor van zijn confrater "deugnieterij is gebeurd en wijlen de heer J. J. werd misleid en fors benadeeld" .

10. Bij exploot van dagvaarding van 5 mei 1981 hebben huidige geïntimeerden een vordering ingesteld tegen de heer J. J. voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. De rechtbank verklaarde de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en beval, bij tussenvonnis van 15 februari 1982, de persoonlijke verschijning van partijen. De verschijning van geïntimeerden heeft op 31 maart 1982 plaatsgehad.

De persoonlijke verschijning van de heer J. J. moest wegens gezondheidsredenen worden uitgesteld.

11. De heer J. J., geboren op 8 juli 1908, overleed op 1 augustus 1982. Hij liet geen reservataire erfgenaam na.

Appellant H. (of H.) J. verklaarde de nalatenschap van de heer J. J. te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving (verklaring ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt afgelegd op 17 november 1983).

Het wordt niet betwist dat de overige wettige erfgenamen de nalatenschap hebben verklaard te verwerpen.

12. Bij vonnis van 25 juni 1984 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de vordering van geïntimeerden gegrond. De overeenkomst van 15 januari 1981 werd rechtsgeldig verklaard en de rechtbank zegde voor recht dat het vonnis als titel overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Hypotheekwet zou gelden. Appellant werd bovendien veroordeeld tot betaling van de registratierechten, ten bedrage van 99.867 BEF en van een schadevergoeding van 3.910 BEF per maand vanaf 1 maart 1981 tot datum vonnis.

13. Appellant stelde op 29 augustus 1984 hoger beroep in. Hij hield voor dat zijn vader zich op datum van de verkoop "in verregaande staat van zwakzinnigheid of dementie bevond" en dat de verkoop dan ook nietig was.

In de loop van het geding verschenen partijen op 19 februari 1987 voor notaris I. die de verkoopovereenkomst kon verlijden.

Appellant benadrukt dat geïntimeerden op dit ogenblik al geruime tijd het goed ter beschikking hadden en reeds sedert 1985 het genot over het goed hadden.

14. Bij arrest van 10 november 1987 stelde het hof van beroep te Antwerpen vast dat de notariële akte inmiddels verleden was en dat het geschil betreffende de verkoop zonder voorwerp was geworden, evenals het geschil m.b.t. de registratierechten (97.641 BEF). Voor het overige bevestigde het hof het bestreden vonnis met deze wijziging dat de vordering in hervatting van geding gegrond wordt verklaard t.a.v. appellant in zijn hoedanigheid van erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving en hij in deze hoedanigheid veroordeeld wordt tot betaling van de registratierechten, ten bedrage van 99.867 BEF en van een schadevergoeding van 3.910 BEF per maand vanaf 15 februari 1981, plus wettelijke interest.

Rechtdoende op de eisuitbreiding van geïntimeerden, veroordeelde het hof appellant om in zijn hoedanigheid van erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving aan geïntimeerden te betalen als schadevergoeding voor de betaalde huurgelden, boven de bedragen vermeld in het bestreden vonnis, 240 BEF per maand vanaf 1 februari 1983 tot 25 juni 1984 en 4.150 BEF per maand vanaf 26 juni 1984 tot 19 februari 1987 met aanwas van de wettelijke interest tot de dag van de betaling.

Ten slotte verklaarde het hof de vordering van geïntimeerden tegen appellant in eigen naam ontoelaatbaar en legde het de gerechtskosten ten laste van partijen, elk tot beloop van de helft.

15. Geïntimeerden stelden eveneens bij exploot van 21 september 1990 een vordering tot inkorting van legaten in voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen de bijzondere legatarissen van de heer J. J., de echtgenoten H.-V. en de echtgenoten C.-P..

Bij vonnis van 27 februari 1992 oordeelde de rechtbank dat de vermelde bijzondere legatarissen slechts gehouden waren tot betaling van de resterende schulden die op datum van overlijden van de heer J. J. bestonden en dat de schadevergoeding na diens overlijden geen erfschuld is.

16. Appellant liet op 17 februari 1994 door notaris X te Z. een boedelbeschrijving opmaken.

Deze boedelbeschrijving geeft als actief aan 87.909 BEF als "provenu gelden beheerd door Virga Jesse ziekenhuis" + 162 BEF tegoed op bankrekeningen en als passief 81.361 BEF begrafeniskosten + 99.867 BEF registratierechten (arrest Antwerpen 10 november 1989, lees 1987), + 66.470 BEF schadevergoeding (vonnis Rb. Hasselt 25 juni 1984 - 3.910 BEF vanaf 1 maart 1981 tot datum overlijden) + 13.000 BEF kosten inventaris.

17. Bij exploot van 23 november 1993 hebben geïntimeerden huidige vordering ingesteld tegen appellant.

Zij stelden dat hun schuldvordering opzichtens de nalatenschap bij vonnis van 25 juni 1984 en arrest van 10 november 1987 werd vastgesteld, enerzijds, en dat appellant nooit een boedelbeschrijving heeft laten opstellen en door slecht beheer van de nalatenschap de schulden na het overlijden van de heer J. J. onnodig heeft verhoogd.

III. Bespreking

1°. Exceptie van niet-ontvankelijkheid

18. Appellant stelt dat geïntimeerden zowel in dagvaarding als bij hun conclusie voor de eerste rechter nagelaten hebben de exacte hoedanigheid te vermelden waarin hij gedagvaard werd met het gevolg dat hij niet kon weten in welke hoedanigheid hij zich diende te verweren. Geïntimeerden zouden bovendien geen grondslag voor hun vordering hebben vermeld.

19. Nu de dagvaarding geen bijzondere hoedanigheid vermeldt waarin appellant gedagvaard werd, had appellant logisch kunnen afleiden dat hij in persoonlijke naam was aangesproken, zoals geïntimeerden het overigens thans benadrukken.

In het dagvaardingexploot hadden geïntimeerden bovendien gesteld dat hun vordering steunde op de handelwijze van appellant die "door slecht beheer van de nalatenschap de schulden na het overlijden van de heer J. J. onnodig heeft verhoogd".

De dagvaarding gaf bijgevolg voldoende duidelijk zowel het voorwerp van de vordering als de feiten waarop zij steunde. De exceptio obscuri libelli is ongegrond. De oorspronkelijke vordering werd terecht ontvankelijk verklaard.

2°. Ten gronde

20. Geïntimeerden verwijten aan appellant dat hij een grove fout heeft begaan bij het beheer van de nalatenschap en zodoende een persoonlijke fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek heeft gepleegd.

De omstandigheid dat appellant, die in gedwongen hervatting van geding werd gedagvaard, zowel voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt als voor het hof van beroep te Antwerpen weigerde, tot 27 februari 1992, om de verkoopakte te laten verlijden impliceert niet dat hij foutief handelde, ook al heeft de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt zijn stelling verworpen, ook al heeft hij zich later neergelegd en heeft hij uiteindelijk aanvaard om voor de notaris te verschijnen.

Appellant kon zich o.m. beroepen op het oordeel van notaris Y. die verklaarde overtuigd te zijn van de bedrieglijke benadeling van de heer J. J. bij de verkoop van zijn onroerend goed. Het wordt niet aangetoond dat het lichtzinnig of roekeloos was het standpunt van de heer J. J. zelf m.b.t. de nietigheid van de verkoop te handhaven. Na het vonnis van 25 juni 1984 blijkt evenmin dat appellant misbruik maakte van zijn recht om hoger beroep in te stellen en hij wachtte overigens niet tot het arrest van het hof te Antwerpen om voor de notaris te verschijnen. Het arrest van 10 november 1987 houdt bovendien een gedeeltelijke hervorming in, meer bepaald m.b.t. de hoedanigheid waarin appellant veroordeeld werd tot betaling van de registratierechten en de schadevergoeding, nl. in zijn hoedanigheid van erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving en niet ten persoonlijke titel.

De enige omstandigheid dat appellant zich in rechte bleef verdedigen tegen de vordering van geïntimeerden en tot 19 februari 1987 weigerde de notariële akte te ondertekenen impliceert bijgevolg geen fout in zijn hoofde.

21. De wet legt de beneficiaire erfgenaam geen termijn op voor het opmaken van de inventaris .

Geïntimeerden tonen bovendien niet aan dat de akte houdende boedelbeschrijving van 17 februari 1994 niet aan de werkelijkheid zou beantwoorden.

Uit deze akte kan het hof afleiden dat op de dag van het overlijden van de heer J. J. het passief hoger lag dan het actief.

Zoals hierboven uiteengezet (randnummer 16) gaf deze boedelbeschrijving als totaal actief 88.077 BEF aan en als passief 81.361 BEF begrafeniskosten + 99.867 BEF registratierechten (arrest Antwerpen 10 november 1987), + 66.470 BEF schadevergoeding (tot datum overlijden) + 13.000 BEF kosten inventaris. Ook al was appellant, na zijn aanvaarding van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving, onmiddellijk overgegaan tot de ondertekening van de authentieke akte, dan nog hadden geïntimeerden hieruit geen werkelijk voordeel kunnen halen. Bij het beheer van de nalatenschap is appellant er gewoon niet in geslaagd significante activa op te sporen maar dit is geen fout in zijn hoofde.

Het bewijs van schade in hoofde van geïntimeerden wordt bijgevolg evenmin geleverd. Het arrest van 10 november 1987 heeft op dit punt geen gezag van rechterlijk gewijsde nu de vordering niet tegen appellant in dezelfde hoedanigheid was gericht (artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek). Het arrest van 10 november 1987 verklaart zelfs de (nieuwe) vordering van geïntimeerden tegen appellant in eigen naam ontoelaatbaar.

22. De oorspronkelijke vordering van geïntimeerden werd dus ten onrechte gegrond verklaard.

Het hoger beroep is gegrond.

23. De gerechtskosten:

De gerechtskosten van beide aanleggen, alsook de kosten voor het Hof van Cassatie, worden ten laste gelegd van geïntimeerden als in het ongelijk gestelde partijen.

De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.210 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zover het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart en de gerechtskosten begroot.

Opnieuw rechtsprekende voor het overige, verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond en wijst geïntimeerden ervan af.

Legt de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van geïntimeerden...

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

25/11/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard J.S DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Vrije woorden

  • Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving: termijn voor het opmaken van deze boedelbechrijving.