- Arrest van 17 maart 2014

17/03/2014 - 2010AR976

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De appeltermijn loopt ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen enkel wat betreft het hoger beroep tegen de partij aan wie zij het vonnis heeft doen betekenen (Cass. AR C.04.0501.F, 7 december 2006, JLMB 2007, 821).

De geïntimeerden doen gelden dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de appellanten hebben berust in het bestreden vonnis.

Artikel 1044 Ger.W. bepaalt dat berusten in een beslissing afstand doen is van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.

Voorwaardelijke berusting heeft alleen dan gevolg, indien zij door de tegenpartij is aanvaard.

Artikel 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, ook al wordt het betwist, heeft belang en hoedanigheid om de vordering te stellen; het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het ingeroepen subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering.

De geïntimeerden doen gelden dat zij niet tot afgifte zijn overgegaan omdat er betwisting bestond over het eigendomsrecht van de installatie.

Dit is correct. Er was betwisting aangaande het eigendomsrecht

De geïntimeerden hebben dan ook geen fout begaan omdat zij de installatie onder zich hebben gehouden in afwachting van een rechterlijke uitspraak omtrent het eigendomsrecht waarover betwisting bestond.

Gevolg is dat de appellanten geen schadevergoeding/gebruiksderving van de geïntimeerden kunnen vorderen nu geen fout in hun hoofde is aangetoond.


Arrest - Integrale tekst

2010/AR/976

1. W. W., milieudeskundige, geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. P. V., advocaat te ..., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de BVBA AETREX, met vennootschapszetel gevestigd te 3980 Tessenderlo, Kanaalweg 100 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0466.769.344, hiertoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 4 mei 2011;

appellanten,

beide vertegenwoordigd door mr. Christopher Suffeleers loco mr. Herman Segers, advo-caat te 3580 Beringen, Hasseltsesteenweg 136

tegen het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van

11 januari 2010, aldaar gekend onder nr. A.R. 08/765/A;

tegen

1. J. L., gepensioneerde, geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. D. L., bedrijfsleider, geboren te ... op ... en wonende te ...;

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door mr. Luc Savelkoul, advocaat te 3583 Beringen (Paal), Paalsesteenweg 133;

* * * * *

Gelet op het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 11 januari 2010, dat op verzoek van de appellanten op 19 februari 2010 werd betekend aan mr. I. B. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV PECA CONSTRUCTIONS, als-mede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 22 maart 2010.

1. De feiten

In het bestreden vonnis werden de ter zake doende feitelijke elementen alsook het voor-werp van de vorderingen uiteengezet, zodat het hof daarnaar verwijst.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Op 17 maart 2008 werd dagvaarding uitgebracht door W. W. en de BVBA AETREX.

2.2. Bij bestreden vonnis van 11 januari 2010 werd als volgt geoordeeld:

"Neemt akte van de hervatting en de verderzetting van het geding door mr. I. B., advocaat te ..., in zijn hoedanigheid van curator van de oorspronkelijke vierde verweerster, de nv Peca Constructions.

Verklaart de hoofdvordering van eisers (W.-AETREX) en de tegenvordering van vierde ver-weerder ontvankelijk.

Verklaart de hoofdvordering, inzoverre ingesteld door eerste eiser, alsmede de tegenvorde-ring van vierde verweerder (I. B. q.q.) ongegrond.

Verklaart de hoofdvordering, inzoverre ingesteld door tweede eiseres, gedeeltelijk gegrond.

Zegt voor recht dat tweede eiseres, de bvba Aetrex, de eigenares is van de waterzuiverings-installatie, bestaande uit twee groene industriële containers, die zich bevinden, of bevon-

den hebben, op de fabrieksterreinen achter het hoofdgebouw van derde verweerster, de nv Kyara, Terploeg 58, te 3980 Tessenderlo en waarvan:

- de eerste container een pompinstallatie is om het grondwater te ontrekken, met een ont-ijzerings-zandfilter, een koolwaterstofafscheider en een PH-sturing;

- de tweede container een striptoren met actief kool bevat.

Veroordeelt tweede verweerder, D. L., derde verweerster, de nv Kyara, en vierde verweerder, mr. I. B., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv Peca Constructions, tot de ter beschikking stelling tegen ontvangstbewijs van voormelde installatie aan tweede eiseres, de bvba Aetrex, en dit binnen de veertien dagen na betekening van huidig vonnis op straffe van een dwangsom van een dwangsom van euro 250,00 per dag vertraging, in solidum verschuldigd door tweede, derde en vierde verweerders.

Verleent voorbehoud aan tweede eiseres omtrent de toestand en de staat waarin de instal-latie zich bevindt.

Verklaart huidig vonnis gemeen en tegenstelbaar aan vijfde verweerder, mr. T. B., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de bvba 4 AX.

..."

2.3. Het bestreden vonnis werd op 19 februari 2010 betekend aan mr. I. B. in zijn hoedanig-heid van curator over het faillissement van de NV PECA CONSTRUCTIONS.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Op 22 maart 2010 werd voor W. W. en de BVBA AETREX een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd tegen J. en D. L..

3.2. De eerste appellant, W. W., vraagt bij conclusies neergelegd ter griffie op 25 september 2013 om:

- het beperkt hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te wijzigen;

- de geïntimeerden solidair, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van 1.500 EUR / maand vanaf 1 september 2005 tot de da-tum van de afgifte, zijnde 10 maart 2010;

- meer de vergoedende intrest vanaf de vervaldatum van iedere maand tot op de dag van betaling;

- ondergeschikt een deskundige aan te stellen om de gebruikelijke huurwaarde van een zuiveringsinstallatie te begroten alsmede een begroting te maken van de normale ge-bruiksvergoeding voor de periode van 1 september 2005 tot 10 maart 2010;

- alsdan de geïntimeerden solidair, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen om een provisionele gebruiksvergoeding te betalen aan de appellanten van 5.000 EUR;

- de geïntimeerden solidair te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

3.3. De tweede appellant q.q. vraagt bij conclusies neergelegd ter griffie op 24 september 2013 hetzelfde als de eerste appellant.

3.3. De geïntimeerden vragen bij conclusie neergelegd ter griffie op 28 november 2013 om:

- het hoger beroep onontvankelijk te verklaren;

- in ondergeschikte orde dit ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellanten te veroordelen tot de kosten (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.000 EUR).

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het bestreden vonnis werd op verzoek van de appellanten aan mr. I. B. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV PECA CONSTRUCTIONS op 19 februari 2010 be-tekend.

Laatstgenoemde is niet in het beperkt hoger beroep betrokken.

De appeltermijn loopt ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen enkel wat betreft het hoger beroep tegen de partij aan wie zij het vonnis heeft doen betekenen (Cass. AR C.04.0501.F, 7 december 2006, JLMB 2007, 821).

De betekening op 19 februari 2010 heeft dan ook geen gevolg voor onderhavig beroep dat gericht is tegen J. en D. L. en niet gericht is tegen mr. I. B. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV PECA CONSTRUCTIONS.

De geïntimeerden doen gelden dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de appellanten hebben berust in het bestreden vonnis.

Bij officiële brief van 22 januari 2010 van de raadsman van de appellanten aan (onder meer) de raadsman van de geïntimeerden schrijft eerstgenoemde: "Voor het overige is kliënt

akkoord om te berusten in het vonnis op voorwaarde dat dit wederzijds is.

Wij vragen alleszins dat partij L., indien zij berusten, het bedrag van 1.750,00 euro ter beschik-king stellen en betalen. Daarmee kan kliënt dan een andere wormpomp gaan kopen. ..."

De raadsman van de geïntimeerden antwoordt bij brief van 11 februari 2010:

"...

Mijn cliënten delen mij mee dat zij aan de waterzuiveringsinstallatie nooit enige wijziging hebben aangebracht, noch er enig onderdeel van verwijderd hebben. Zij weten niet wat be-doeld wordt met een wormpomp en kunnen zich daarbij niets voorstellen. Zij wijzen erop dat de installatie destijds nooit volledig werd afgewerkt, meer bepaald voor wat betreft de elek-tronica en dat ze daardoor altijd manueel moest bediend worden.

Cliënten zijn dan ook niet bereid nog enige bijkomende vergoeding te betalen."

Artikel 1044 Ger.W. bepaalt dat berusten in een beslissing afstand doen is van de rechtsmid-delen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.

Voorwaardelijke berusting heeft alleen dan gevolg, indien zij door de tegenpartij is aanvaard.

Een aanvaarding door de geïntimeerden kan uit het schrijven van 11 februari 2010 niet wor-den afgeleid en wel integendeel. In dit schrijven wordt nergens gesteld dat zij ook berusten in het bestreden vonnis. Bovendien stellen ze niet bereid te zijn een bijkomende vergoeding te betalen.

De geïntimeerden houden voor dat zij berusten in het bestreden vonnis.

Het feitelijke gegeven dat de geïntimeerden geen hoger beroep of incidenteel beroep instel-len, kan geen afbreuk doen aan hetgeen hiervoor werd geoordeeld, namelijk dat de appel-lanten voorwaardelijk hebben berust en dat uit het schrijven van 11 februari 2010 geen aan-vaarding kan worden afgeleid, wel integendeel.

De interpretatie die de geïntimeerden geven aan het samenlezen van het vonnis en de voorwaarde van de betaling van 1.750 EUR, kan niet gevolgd worden. Dat de eerste rechter oordeelde dat een voorbehoud diende verleend te worden voor de toestand en de staat waarin de installatie zich bevond, kan geen afbreuk doen aan het feit dat de appellanten klaar en duidelijk de berusting (naast de berusting van de tegenpartijen) afhankelijk maakten van de betaling van voormeld bedrag.

De voorwaardelijke berusting van de appellanten is dan ook ten aanzien van de geïntimeer-den zonder gevolg.

Het hoger beroep van de appellanten is ontvankelijk.

4.2. Gegrondheid van het hoger beroep

4.2.1. De ontvankelijkheid van de vordering in hoofde van de eerste appellant

De geïntimeerden houden voor dat de eerste appellant geen aanspraken kan laten gelden omdat hij geen eigenaar was/is van de waterzuiveringsinstallatie. De vordering is volgens de geïntimeerden dan ook niet toelaatbaar wegens gebrek aan belang.

Artikel 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, ook al wordt het be-twist, heeft belang en hoedanigheid om de vordering te stellen; het onderzoek naar het be-staan of de draagwijdte van het ingeroepen subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering.

De eerste appellant houdt voor een vordering tot schadevergoeding/gebruiksderving te hebben. Hij houdt dan ook voor titularis te zijn van een subjectief recht. Hij heeft belang en hoedanigheid. Het onderzoek naar het feit of hij wel een vordering heeft, betreft de ge-grondheid van de vordering.

4.2.2. De vordering ten aanzien van J. L.

De appellanten blijven voorhouden dat de heer J. L. gehouden is in deze zaak. Zij leiden dit af uit het feit dat de overeenkomst van 11 juni 2004 werd opgesteld met "De familie J. L. wo-nende te ...," vertegenwoordigd door de heer D. L.. Verder wijzen zij nog op het feit dat op "zijn" woonplaats talloze vennootschappen zijn gevestigd en hij ook gedelegeerd be-stuurder is van de NV KYARA. De eerste geïntimeerde heeft, nog steeds volgens de appellan-ten, nog een dagvaarding uitgebracht tegen de eerste appellant op grond van een lening van 1996 die evenwel verbonden was met de aandelen van de NV AXTRON GROUP. De eerste geïntimeerde diende zich daar aan als houder van de aandelen.

J. L. blijft voorhouden met de zaak niets te maken te hebben.

Het hof oordeelt als volgt:

In de overeenkomst van 11 juni 2004 wordt "De familie J. L." vermeld en niet J. L.. Het feit dat J. L. daar woont en gedelegeerd bestuurder is van diverse vennootschappen, is onvol-doende om daaruit te kunnen afleiden dat J. L. zich daadwerkelijk heeft verbonden.

De appellanten tonen - zoals de geïntimeerden terecht bemerken - niet aan dat J. L. zich vereenzelvigt met "De familie J. L.".

De vordering van de appellanten ten laste van de eerste geïntimeerde is ongegrond.

4.2.3. De vordering ten aanzien van de tweede geïntimeerde

4.2.3.1.

In het bestreden vonnis werd geoordeeld dat de tweede appellante eigenaar is van de kwes-tieuze waterzuiveringsinstallatie.

Daartegen is geen hoger beroep.

De eerste appellant was contractpartij in de overeenkomst van 11 juni 2004.

Beiden kunnen voorhouden schade te hebben geleden.

4.2.3.2.

a) De eerste rechter heeft de vordering tot schadevergoeding afgewezen omdat er geen af-doend bewijs van schade was geleverd. De eerste rechter benadrukte nog dat de tweede appellante haar vordering voor de eerste maal bij conclusies van 4 december 2008 stel-de.

De appellanten zijn het niet eens met dit oordeel. Zij blijven hun vordering handhaven terwijl de geïntimeerden voorhouden niets verschuldigd te zijn.

b) In de overeenkomst van 11 juni 2004 werd bedongen:

"Deze terbeschikkingstelling zal zolang duren als ter plaatste een saneringsbehoefte be-staat.

... partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de exploitatiekosten ten laste van de eigenaar van ... blijven.

...

Gelet op het wederkerig karakter van de overeenkomst van 10 januari 2003 hoger ver-meld, wenst dhr. W. W. zich bij deze het recht voor te behouden om de installatie vermeld in artikel 1 onmiddellijk terug te nemen indien de uitbetaling van zijn maandelijkse, mi-nimale vergoeding van 7.500 Euro meer dan 1 week vertraging zou hebben.."

Klaarblijkelijk was er op een gegeven moment betalingsachterstand.

De eerste appellant ging over tot dagvaarding op 11 oktober 2005 (vonnis van 25 april 2006 op bladzijde 1) van de BVBA 4AX. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te

Hasselt van 25 april 2006 werd de BVBA 4AX veroordeeld tot afgifte van de kwestieuze installatie.

Bij overeenkomst van 23 september 2003 werd in artikel 3 bedongen dat: "Indien de vennootschap 4AX op enig moment in vereffening of in faling zou gaan of zich in een toe-stand van staking van betaling zou bevinden, zullen de partijen DA, PG, DJ en DL (lees:

D. L.) vanaf dat ogenblik ten aanzien van WW (lees: W. W.) solidair en ondeelbaar de rechten en plichten van deze vennootschap overnemen."

De BVBA 4AX werd failliet verklaard en mr. T. B. werd als curator aangesteld.

De geïntimeerden benadrukken dat uit de overeenkomst van 11 juni 2004 blijkt dat de ter beschikkingstelling van de installatie duurde zolang de saneringsbehoefte bestond.

Dit is correct maar dit doet geen afbreuk aan de bepaling dat de eerste appellant de

installatie kon opvorderen wanneer de BVBA 4AX (waarvan de verplichtingen zijn over-genomen door de tweede geïntimeerde gelet op het faillissement) niet betaalde.

De geïntimeerden verwijzen naar de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2012 en 19 maart 2013 waarbij de overeenkomsten van 10 januari 2003 en

23 september 2003 rechtsgeldig werden bevonden en de tweede geïntimeerde samen met R. A. werd veroordeeld tot de nakoming ervan. De tweede geïntimeerde houdt voor daaraan voldaan te hebben door betaling in handen van gerechtsdeurwaarder K. op

4 oktober 2013 van 160.329,40 EUR. De appellanten kunnen zich volgens hem dan ook niet meer beroepen op de exceptie van niet uitvoering.

Los van dit verweer, geldt het volgende:

De geïntimeerden doen gelden dat zij niet tot afgifte zijn overgegaan omdat er betwis-ting bestond over het eigendomsrecht van de installatie.

Dit is correct. Er was betwisting aangaande het eigendomsrecht.

Stuk 1 van het bundel van de geïntimeerden betreft een faxbericht van 5 april 2007 van de NV KYARA (op wiens terrein de installatie stond) aan de NV PECA CONSTRUCTIONS met verzoek te laten weten: "... dat u (de NV PECA CONSTRUCTIONS) als constructeur/ opdrachtgever bij gebreke aan enige aankoop en betaling door dhr. W., nog steeds eige-naar bent van deze containers en hun inhoud ?".

Op deze fax werd met de hand geschreven voor de NV PECA CONSTRUCTIONS: "Bij deze verklaren wij dat bovenvernoemde containers bezit zijn van de firma nv PECA CON-STRUCTIONS. Deze mogen absoluut niet worden verplaatst van Uw terrein, mits nader order onzentwege."

Het is bij vonnis van 11 januari 2010 dat vaststaat wie eigenaar is (de tweede appellan-te).

De geïntimeerden doen terecht gelden dat zij gelet op de eigendomsbetwisting hebben gewacht op de uitspraak wie eigenaar was teneinde te vermijden dat zij - bij overhan-diging aan de foute eigenaar - een tweede maal zouden kunnen worden aangesproken. Van zodra de eigenaar was gekend, werd de installatie op 10 maart 2010 overhandigd.

De geïntimeerden hebben dan ook geen fout begaan omdat zij de installatie onder zich hebben gehouden in afwachting van een rechterlijke uitspraak omtrent het eigendoms-recht waarover betwisting bestond.

Indien al schade werd geleden door de appellanten dienen zij zich te wenden tot de ver-antwoordelijke, de NV PECA CONSTRUCTIONS die ten onrechte het eigendomsrecht op-eiste.

Gevolg is dat de appellanten geen schadevergoeding/gebruiksderving van de geïnti-meer-den kunnen vorderen nu geen fout in hun hoofde is aangetoond.

De overige argumenten en middelen van partijen nopen niet tot een andere besluitvorming van het hof.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verwerpt alle andersluidende en meeromvattende conclusies als ongegrond, niet ter

zake dienstig en/of overbodig;

- verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

- wijst de vordering van de appellanten tot veroordeling van de geïntimeerden in betaling van een schadevergoeding/gebruiksderving van de installatie af;

- veroordeelt de appellanten tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de geïntimeerden vastgesteld als volgt:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.000 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVENTIEN MAART TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Appeltermijn

  • betekening

  • ontvankelijkheid hoger beroep

  • artikel 1044 Ger.W.

  • berusten

  • artikel 17 Ger.W.

  • belang -hoedanigheid

  • betwisting eigendomsrecht

  • geen fout