- Arrest van 28 januari 2014

28/01/2014 - 2010AR1066

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de rechter op grond van artikel 1382 e.v. B.W. rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve ingeval van onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde erga omnes van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout aanleiding geeft tot herstel als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/1066

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap WATERHOF, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3210 LUBBEEK, Dunberg 7, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0455.732.526,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 26 januari 2010,

vertegenwoordigd de heer en mevrouw Gillis, bestuurders, bijgestaan door Meester Rudi BEEKEN, advocaat te 3390 TIELT-WINGE, Kraasbeeksgtraat 41,

1ste kamer

TEGEN :

1) De GEMEENTE LUBBEEK, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3210 LUBBEEK, Gellenberg 16,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Linda WIERINCKX, advocaat te 3210 LINDEN, Diestsesteenweg 103,

2) De PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, vertegenwoordigd door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3010 LEUVEN, Provincieplein 1,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Karel VAN ALSENOY, advocaat te 1000 BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat 92,

3) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19,

derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester DAMIAANS loco Meester Dirk VANDECASTEELE, advocaat te 3500 HASSELT, Kolonel Dusatplein 34 bus 1,

I. Milieuvergunning. Administratieve overheid. Machtsoverschrijding. Nietigverklaring door de Raad van Sate. Gezag van gewijsde van dit arrest ‘erga omnes'. Aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 1382 e.v. BW. : vaststaan van de fout van de administratieve overheid. II. Motiveringsverplichting van de bestendige deputatie

Wanneer de rechter op grond van artikel 1382 e.v. B.W. rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve ingeval van onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde erga omnes van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout aanleiding geeft tot herstel als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.

************************************

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 januari 2010, beslissing die betekend werd op 19 maart 2010;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 19 april 2010;

• de conclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 7 oktober 2010;

• de conclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 14 december 2010;

• de conclusie van geïntimeerde sub 3 neergelegd ter griffie op 15 september 2011.

• de conclusie van appellante neergelegd ter zitting van 9 december 2013.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 december 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe een deskundige te horen aanstellen teneinde advies te verlenen over de door haar geleden schade wegens het uitblijven van het afleveren van een milieuvergunning sedert 31 januari 1996 met uitzondering van de vergunde periodes (van 16 maart 2000 tot 3 mei 2001 en van 25 oktober 2001 tot 27 juni 2002) en in afwachting van het neerleggen van het deskundigenverslag geïntimeerden in solidum te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 10.000.000 BEF of 247.893,52 euro.

Geïntimeerden stelden - in ondergeschikte orde - vorderingen in vrijwaring in.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en (2) de vorderingen in vrijwaring zonder voorwerp.

1.3. In hoger beroep herneemt appellante haar aanvankelijke vordering.

1.4. Geïntimeerden vragen allen de bevestiging van het bestreden vonnis en hernemen in ondergeschikte orde hun respectieve vorderingen in vrijwaring.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante een milieuvergunning aanvroeg op 29 oktober 1995 die door de gemeente geweigerd werd op 31 januari 1996.

Tegen deze beslissing tekende appellante hoger beroep aan bij de Bestendige Deputatie die dat beroep op 6 juni 1996 ongegrond verklaarde.

Appellante diende een annulatieberoep in tegen deze laatste beslissing bij de Raad van State die bij arrest van 4 maart 1999 het weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie vernietigde.

2.3. De beroepsprocedure werd bijgevolg hernomen en op 8 juli 1999 weigerde de Bestendige Deputatie andermaal een milieuvergunning toe te kennen.

Appellante diende opnieuw een annulatieberoep in bij de Raad van State die bij arrest van 4 november 1999 het weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie andermaal vernietigde.

2.4. De beroepsprocedure werd voor de tweede maal hernomen en het beroep werd op 16 maart 2000 ingewilligd.

Tegen deze beslissing dienden een aantal omwonenden een annulatieberoep in bij de Raad van State.

Bij arrest van 3 mei 2001 werd de beslissing van 16 maart 2000 vernietigd.

2.5. De beroepsprocedure werd voor een derde maal hernomen.

Door het overschrijden van de beslissingstermijn verkreeg appellante een stilzwijgende vergunning.

Een aantal omwonende tekenden andermaal een annulatieberoep aan bij de Raad van State die bij arrest van 18 maart 2004 de stilzwijgende vergunning van de Bestendige Deputatie vernietigde.

2.6. De beroepsprocedure werd voor een vierde maal hernomen.

Op 27 januari 2005 weigerde de Bestendige Deputatie een milieuvergunning toe te kennen.

Tegen deze beslissing tekende appellante een annulatieberoep aan bij de Raad van State.

Na een negatief advies van de auditeur diende appellante geen verzoek in tot voortzetting van geding als gevolg waarvan bij arrest van 26 juni 2008 akte werd gegeven aan appellante van haar afstand van geding.

2.7. Blijkbaar baat appellante onafgebroken haar manege uit sedert 2000 zonder geldige vergunning wat bevestigd werd door de bestuurders die in persoon aanwezig waren ter zitting van 9 december 2013.

III. Bespreking.

3.1. De vordering van appellante is gesteund op artikel 1382 e.v. B.W.

Zij verwijt aan geïntimeerden niet te zijn opgetreden als een redelijke overheid - nu zij niet in redelijkheid tot de genomen besluiten konden komen - en er telkenmale in geslaagd te zijn een foutieve beslissing te nemen, niettegenstaande het (herhaalde) standpunt van de Raad van State.

Zij is de mening toegedaan dat omwille van dit onzorgvuldig gedrag zij niet enkel een zeer reële kans op winst verloren heeft gedurende verscheidene jaren, doch eveneens bedrijfsverlies heeft geleden en dat zulks het rechtstreeks gevolg is van het ontbreken van enige exploitatie gedurende verscheidene jaren wegens het wederrechtelijk niet - afleveren van de aangevraagde vergunning.

3.2. Wanneer de rechter op grond van artikel 1382 e.v. B.W. rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve ingeval van onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde erga omnes van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout aanleiding geeft tot herstel als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.

De Raad van State heeft (1) bij arrest van 4 maart 1999 het weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie van 6 juni 1996 vernietigd, (2) bij arrest van 4 november 1999 het tweede weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie van 8 juli 1999 vernietigd, (3) bij arrest van 3 mei 2001 het toekenningsbesluit van de Bestendige Deputatie van 16 maart 2000 vernietigd, (4) bij arrest van 18 maart 2004 de stilzwijgende vergunning van de Bestendige Deputatie vernietigd en (5) bij arrest van 26 juni 2008 de afstand van geding vastgesteld na een negatief advies van het auditoraat m.b.t. het annulatieberoep ingediend door appellante tegen de weigeringsbeslissing van de Bestendige Deputatie van 27 januari 2005.

Al de ingediende annulatieberoepen werden gericht tegen de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams - Brabant en bijgevolg staat - ingevolge de tussengekomen arresten van de Raad van State - enkel de fout vast in hoofde van deze partij.

In hoofde van de gemeente Lubbeek en het Vlaamse Gewest behoort het aan appellante aan te tonen in eerste instantie welke concrete fout deze partijen hebben begaan. Appellante toont dit niet afdoend aan. Het Vlaamse Gewest kan niet actief ingrijpen in vergunningsbeslissingen van de gemeenten en de provinciën en het zijn telkens de beslissingen van de Bestendige Deputatie die vernietigd werden en hernomen moesten worden. De gemeente komt niet tussen in de beslissingsfase van de Bestendige Deputatie die telkens hernomen diende te worden.

De vordering van appellante is bijgevolg ongegrond in zoverre gericht tegen de gemeente Lubbeek en het Vlaamse Gewest.

Het Vlaamse Gewest roept in dit verband ten onrechte de obscuri libelli in. De vordering tegen hem is ontegensprekelijk gegrond op artikel 1382 e.v. B.W. en het feit dat geen fouten in hoofde van het Gewest aangetoond worden, maakt de vordering niet dermate vaag en onduidelijk dat deze partij zich hierop niet heeft kunnen verweren zoals overigens blijkt uit de door deze partij neergelegde conclusies.

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd in zoverre hierin de aansprakelijkheid van de gemeente wordt aangehouden op grond alleen van de uitgesproken annulatiearresten van de Raad van State.

3.3. De weigeringsbeslissing van 6 juni 1996 werd door de Raad van State op 4 maart 1999 vernietigd wegens een gebrek in de motiveringsplicht.

De Raad van State overwoog dat indien de Bestendige Deputatie van oordeel was dat het gegeven dat het in deze niet ging om de verplaatsing van een bestaande vergunning het doorslaggevend weigeringsmotief was, zij dit duidelijk had moeten maken in de motivering van de bestreden beslissing met specifieke verwijzing naar de in dat verband toegepaste regelen en één en ander preciezer had moeten argumenteren. De Raad van State verweet tevens aan de Bestendige Deputatie onvoldoende te hebben gemotiveerd waarom de inrichting van appellante niet verenigbaar was met de bestemming "recreatiegebied" geldend op het ogenblik van de exploitatieaanvraag.

Uit dat arrest blijkt dat appellante aanvankelijk een milieuvergunningsaanvraag indiende om in Lubbeek aan de Gellenberg nr. 113A een "nieuwe inrichting" te exploiteren, met name een "recreatieve manège" dat later - op onverklaarbare wijze - werd omgevormd tot een milieuvergunningsaanvraag tot het "verplaatsen" van de inrichting gelegen te Gellenberg nr. 80 naar Gellenberg 113A.

Verder blijkt uit de weigeringsbeslissing van de Bestendige Deputatie van 6 juni 1996 dat die "bestaande" inrichting betrekking had op een mestkalveren - bedrijf dat nooit door appellante werd uitgebaat en dat het dus in feite niet ging om de "verplaatsing" van een bestaand vergund bedrijf.

In het verslag van de auditeur opgesteld n.a.v. het laatste annulatieberoep ingediend door appellante staat verder het volgende te lezen:

"Wat betreft het aspect van de materiële motiveringsverplichting moet opgemerkt worden dat de verzoekende partij er zich in het tweede middel toe beperkt te stellen dat de vaststelling in het bestreden besluit dat zij"de bestaande inrichting voor mestkalveren nooit uitgebaat (heeft) en het (...) dus niet (gaat) om de verplaatsing van een bestaand vergund bedrijf niet correct is en verder dat er "ernstige twijfels kunnen gehecht worden aan de pertinentie van deze uitermate korte motivering". De verzoekende partij maakt haar standpunt echter niet hard met concrete gegevens, terwijl zij daartoe nochtans het best geplaatst is." (onderstreping toegevoegd).

3.4. Appellante toont derhalve niet aan dat zonder de fouten begaan door de Bestendige Deputatie zij wel degelijk een exploitatievergunning had kunnen bekomen, op het ogenblik van haar aanvraag en gelet op de toen vigerende wetgeving, voor een zogenaamde verplaatsing van een bestaand bedrijf dat in realiteit de oprichting inhield van een nieuwe exploitatie, vaststelling die niet met concrete en objectieve gegevens wordt weerlegd.

Appellante houdt enkel voor dat ingevolge de wijziging van de vigerende wetgeving het voor haar onmogelijk werd een vergunning te bekomen op grond van de oude wetgeving maar brengt hiervan geen enkel concreet bewijs voor.

Artikel 5.9.3.14 van VLAREM II, in voege sinds 1 augustus 1995 en het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluit in voege sinds 1 januari 1996 laten immers enkel de uitbating en het verplaatsen van bestaande inrichtingen toe. Hier voren werd reeds gesteld dat uit het verslag van de auditeur opgesteld n.a.v. het laatste annulatieberoep ingediend door appellante niet werd aangetoond dat het om de verplaatsing van een "bestaand" bedrijf ging.

3.5. De eerste rechter heeft bijgevolg terecht geoordeeld dat niet vaststaat dat door de fouten begaan door de Bestendige Deputatie de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd. De eerste rechter heeft even terecht de respectieve vorderingen in vrijwaring zonder voorwerp verklaard.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.6. Ten overvloede wordt hieraan nog toegevoegd dat appellante de manege in kwestie al jaren uitbaat zonder te beschikken over een rechtsgeldige exploitatievergunning en bijgevolg schadevergoeding vraagt op grond van een door haar onterecht in stand gehouden rechtssituatie.

3.6. Appellante begroot de rechtsplegingsvergoeding niet.

Geïntimeerden begroten de rechtsplegingsvergoeding op 10.000 euro, wat voor hen het basisbedrag zou uitmaken gelet op het door appellante gevraagde bedrag in de inleidende dagvaarding, zijnde 30.722.395 BEF.

In haar laatste conclusie - die bepalend is om de omvang van de rechtsplegingsvergoeding te ramen - vordert appellante nog een provisie van 247.893,52 euro. Gelet op de omvang van het gevorderde bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding na indexatie 5.500 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

Uit het bestreden vonnis blijkt overigens dat geïntimeerden ter zitting hebben bevestigd het eens te zijn met het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding volgens het bedrag van de vordering zoals gesteld in de laatste conclusie van huidige appellante wat neerkwam op 5.000 euro.

Het VLAAMSE GEWEST vraagt een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding van de gemeente LUBBEEK ingevolge de door deze laatste partij ingestelde vordering in vrijwaring.

Enkel de hoofdvordering geeft recht op een rechtsplegingsvergoeding en de hoogte van die vergoeding moet bepaald worden in functie van de waarde van die hoofdvordering.

Aan het VLAAMSE GEWEST komt bijgevolg geen bijkomende rechtsplegingsvergoeding toe.

Appellante is derhalve gehouden tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding ad 5.500 euro aan elk van de geïntimeerden afzonderlijk die de in het gelijk gestelde partijen zijn die elk vertegenwoordigd worden door een afzonderlijke raadsman.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis weliswaar op grond van andere motieven.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 5.686 (186 rolrecht + 5.500 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van de gemeente LUBBEEK op euro 5.500 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de Provincie Vlaams-Brabant op euro 5.500 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van Het Vlaamse Gewest op NIHIL.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • I. Milieuvergunning. Administratieve overheid. Machtsoverschrijding. Nietigverklaring door de Raad van Sate. Gezag van gewijsde van dit arrest ‘erga omnes'. Aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 1382 e.v. BW. : vaststaan van de fout van de administratieve overheid. II. Motiveringsverplichting van de bestendige deputatie