- Arrest van 25 februari 2014

25/02/2014 - 2013VR1

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 479 Sv heeft enkel betrekking op de wijze waarop de strafvordering moet ingesteld worden voor het bevoegde hof van beroep ingeval van voorrang van rechtsmacht maar heeft geen betrekking op de wijze waarop de inbreuken worden vastgesteld en de personen die hiervoor bevoegd zijn.


Arrest - Integrale tekst

I. Artikel 479 Sv. : draagwijdte.

II. II. Criteria bij de bepaling van de straf lastens een magistraat.

Artikel 479 Sv heeft enkel betrekking op de wijze waarop de strafvordering moet ingesteld worden voor het bevoegde hof van beroep ingeval van voorrang van rechtsmacht maar heeft geen betrekking op de wijze waarop de inbreuken worden vastgesteld en de personen die hiervoor bevoegd zijn.

__________________________________________________________

Nr van het arrest 26/11/2013

Voortz 07/01/2014

VU 25/02/2014

Nr. 2013/VJ11/007 van het parket

Nr. 2013/VR/1

A R R E S T

Het Hof van Beroep, zitting houdende te Brussel, 1ste Kamer, rechtdoende in strafzaken, wijst het volgende arrest :

van het OPENBAAR MINISTERIE en van :

1) D...., plaatsvervangend rechter,

eerste beklaagde, in persoon verschijnende, op 26 november 2013 bijgestaan door Meester Sven De Baere, advocaat te Brussel en door Meester Nathalie Buisseret, advocaat te Brussel, en op 7 januari 2014 bijgestaan door Meester Delva loco Meester Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie te Brussel;

2) R. R.

tweede beklaagde, ter zittingen van 26 november 2013 en 7 januari 2014 in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Broothaers, advocaat bij de balie te Brussel;

de eerste (D.) zijnde een der magistraten bedoeld bij artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering, met name tot het ambt van plaatsvervangend rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel benoemd bij Koninklijk Besluit van 18 september 2001 en de tweede (R.),

...

I. OP STRAFRECHTELIJK GEBIED:

1. Wat P. D. betreft:

1.1. Wat de ten laste gelegde feiten betreft:

Beklaagde werpt op dat het onderzoek van deze inbreuken verricht werd in strijd met de regels omtrent het voorrecht van rechtsmacht zoals bepaald in artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer o.a. een rechter ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, het aan de procureur-generaal bij het hof van beroep toekomt hem te dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld.

Voornoemde bepaling heeft enkel betrekking op de wijze waarop de strafvordering moet ingesteld worden voor het bevoegde hof van beroep ingeval van voorrang van rechtsmacht maar heeft geen betrekking op de wijze waarop de inbreuken worden vastgesteld en de personen die hiervoor bevoegd zijn.

Zoals blijkt uit het bevel tot dagvaarding heeft in deze wel degelijk de procureur ¬- generaal bij het hof van beroep te Brussel de vordering laten inleiden voor deze kamer.

In deze is er geen schending van artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering en is er evenmin sprake van een onrechtmatig verkregen bewijs.

Ondergeschikt houdt beklaagde voor Mr. STRUYVEN - aangesteld als sekwester bij vonnis uitgesproken op 8 mei 2008 - stelselmatig op de hoogte te hebben gebracht maar dat die echter niet reageerde en geen initiatieven terzake nam.

Uit de briefwisseling waarnaar beklaagde zelf verwijst, blijkt enkel dat zij met het beheer van de appartementen is blijven doorgaan niettegenstaande de aanstelling van een sekwester en buiten toedoen van deze om.

De tenlasteleggingen H1 en H2 zijn derhalve bewezen in hoofde van beklaagde.

1.2. Wat de straftoemeting betreft:

1.2.1. De aan beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A.1)a. (zoals beperkt), A.1)b., A.1)e., A.2)a. (zoals heromschreven), A.2)b., A.2)c. B, C, E, H1 en H2, zijn, na onderzoek van de zaak, bewezen gebleken.

De aan beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A.1)c., A.1)d., A.2)d, A.2)e., F, G1 en G2., zijn, na onderzoek van de zaak, niet bewezen gebleken.

De strafvordering uit hoofde van de betichting D is niet ontvankelijk.

Al de bewezen verklaarde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A.1)a. (zoals beperkt), A.1)b., A.1)e., A.2)a. (zoals heromschreven), A.2)b., A.2)c. B, C, E, H1 en H2 zijn de voortgezette en opeenvolgende uiting geweest van een zelfde misdadig opzet.

Beklaagde is als advocaat en als plaatsvervangend rechter schromelijk tekort gekomen aan haar beroepsverplichtingen. Als schuldbemiddelaar waarbij zij te maken had met delicate dossiers en waarin zij geconfronteerd werd met partijen die zich bevonden in een uitermate zwakke financiële positie heeft zij deze situatie nog meer uitgebuit enkel en alleen om te voldoen aan haar eigen noden en behoeften.

De houding van beklaagde getuigt van een uitgesproken normvervaging.

Beklaagde vraagt haar het voordeel toe te kennen van de opschorting. Deze maatregel zou de doeleinden van de openbare vervolging niet verwezenlijken.

De hierna bepaalde straf is aangepast aan de ernst en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten en aan de persoonlijkheid van beklaagde.

Gelet echter op het blanco strafregister van betrokkene en gelet op het feit dat zij niet meer in functie is, behoort het in deze omstandigheden uitstel te verlenen van de tenuitvoerlegging van huidig arrest voor wat de hoofdgevangenisstraf betreft. Deze maatregel beantwoordt aan de doelstelling van de strafvordering zonder de reclassering van beklaagde in gevaar te brengen.

...

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

RECHTSPREKEND NA TEGENSPRAAK,

Gezien de hierna volgende wetsbepalingen:

- art. 1, 3, 6, 7, 25, 38, 39, 40, 42, 43, 43bis, 50, 65, 66, 70, 80, 93, 193, 194, 196, 197, 213, 214, 226, 240, 398, 410, 458, 461, 463, 491 van het Strafwetboek,

- art. 145, 162, 162 bis, 182, 183, 185, 189, 190, 191, 194, 210, 211, 226, 227, 479 tot 503 bis van het Wetboek van Strafvordering,

- art. 813 van het Burgerlijk Wetboek,

- art. 17 van het Decreet van 4 februari 1997, zoals gewijzigd door het Decreet van 24 maart 2006, thans gewijzigd door het Decreet van 7 juli 2006 houdende wijziging van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1996, van het Decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor de kamers en studentenkamers

- art. 20 § 1 van het Decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gewijzigd zijnde bij artikel 6 van het Decreet van 19 maart 2004, bij artikel 20 van het Decreet van 7 mei 2004 en bij artikel 8 van het Decreet van 7 juli 2006, in werking getreden bij artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 (BS 30 augustus 2007),

- art. 1 en 8 § 1 van de wet van 29 juni 1964, betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie,

- art. 1 en 3 van de wet van 5 maart 1952 op de opdeciemen;

- art. 22, 23, 25, 26, 27 en 28 op de wet van 17 april 1878, gewijzigd door de Wet van 30 mei 1961 en bij artikelen 25 en 26 van de Programmawet;

- art. 21 tot en met 28 van de V.T.Sv;

- art. 11, 12, 16, 21, 24, 25, 31 tot 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

- art.28, 29 en 41 van de Wet op 1 augustus 1985 en het K.B. van 18 december 1986 betreffende het hulpfonds ten bate de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, gewijzigd bij wetten van 24 december 1993 en 22 april 2003;

- art. 91, tweede lid, van het K.B. van 28 december 1950, zoals gewijzigd door het artikel 1 van het K.B. van 13 november 2012;

OP STRAFRECHTELIJK GEBIED:

WAT BEKLAAGDE SUB 1 BETREFT:

Veroordeelt beklaagde P. D. uit hoofde van de betichtingen A.1)a. (zoals beperkt), A.1)b., A.1)e., A.2)a. (zoals heromschreven), A.2)b., A.2)c., B, C, E, H1 en H2, vermengd tot:

- een gevangenisstraf van ZEVEN MAANDEN en een geldboete van 100 euro, na toepassing van de wet op de opdeciemen gebracht op 550 euro, bij gebreke aan betaling binnen de wettelijke termijn te vervangen door een gevangenisstraf van één maand.

Stelt de tenuitvoerlegging van huidig arrest uit gedurende een termijn van DRIE jaar volgens de termen en voorwaarden gesteld door de wet betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, enkel voor wat de hoofdgevangenisstraf betreft.

Veroordeelt beklaagde sub 1 tot betaling van een bijdrage van 25 euro, gebracht bij toepassing van de wettelijke opdeciemen op 150 euro, overeenkomstig artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985, gewijzigd door artikel 3 van de programmawet van 24 december 1993 en door het K.B. van 31 oktober 2005;

Veroordeelt beklaagde sub 1 bovendien tot betaling van een vergoeding van 50 euro gebracht op 51,20 euro.

Spreekt beklaagde sub 1 vrij uit hoofde van de betichtingen A.1)c., A.1)d., A.2)d, A.2)e., F, G1 en G2.

Zegt voor recht dat wat de betichting D betreft beklaagde sub 1 geniet van immuniteit van strafvervolging bij toepassing van artikel 462 Sw. en de strafvordering op dat punt bijgevolg niet ontvankelijk is.

Spreekt de bijzondere verbeurdverklaring uit zoals gevorderd door de procureur-Generaal bij toepassing van de artikelen 42, 43 en 43bis Sw.

WAT BEKLAAGDE SUB 2 BETREFT:

Spreekt beklaagde sub 2 vrij uit hoofde van de betichtingen H1 en H2.

Veroordeelt beklaagde sub 1 tot 4/5 van de kosten van huidig geding in hun geheel begroot op 83,14 euro gezien slechts dit deel van de kosten veroorzaakt zijn door de misdrijven waarvoor deze beklaagde is veroordeeld.

Legt het overige deel van de kosten ten laste van de BELGISCHE STAAT.

Houdt de beslissing over de burgerlijke belangen ambtshalve aan.

OP BURGERRECHTELIJK GEBIED:

...

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Brussel, eerste kamer, op 25 februari 2014

waar aanwezig waren:

A. DE PREESTER, Voorzitter,

E. JANSSENS DE BISTHOVEN & M. DEBAERE, Raadsheren,

R. DE BRUYNE, Advocaat-Generaal,

V. DE VIS, Griffier,

Goedgekeurd de doorhaling van nietige lijn(en) en nietig(e) woord(en).

DE VIS DEBAERE JANSSENS DE BISTHOVEN DE PREESTER

Vrije woorden

  • I. Plaatsvervangend rechter. Artikel 479 SV. Voorang van rechtsmacht. II. Bepaling van de straf. Criteria in geval van beklaagde magistraat.