- Vonnis van 11 december 2013

11/12/2013 - 07/1286/A

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Men bewijst niet dat de beweerde vermogensverschuiving geen oorzaak heeft, zodat meteen vaststaat dat de figuur van de verrijking zonder oorzaak niet kan worden weerhouden.

Wanneer men beweert dat men een schenking heeft ontvangen, maar men pas met de goederen naar boven durft te komen na het overlijden van de schenker, en in een schrijven elk bezit ontkent, kan men zich wegens het heimelijk karakter van het bezit niet beroepen op artikel 2279 van het burgerlijk wetboek.


Vonnis - Integrale tekst

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, vierde kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

A.R. nr. 07/1286/A INZAKE :

1. De heer R. S. en zijn echtgenote, mevrouw C. V. G.,

2. De heer S. V. D. B. en zijn echtgenote, mevrouw A. D.,

3. De heer L. J. en zijn echtgenote, mevrouw A. H.,

4. De heer R. B. en zijn echtgenote, mevrouw P. V. G.,

eisers op hoofdeis, verweerders op tegeneis, die als raadsman hebben Mr. Joris Vercammen, advocaat te 2800 Mechelen, Schuttersvest 4-8,

TEGEN :

De heer F. V. en zijn echtgenote, mevrouw V. K., verweerders op hoofdeis, eisers op tegeneis, die als raadsman hebben Mr. Jeroen Van Laethem, advocaat te 9240 Zele, Dr. A. Rubbensstraat 60,

* * * * *

De rechtbank neemt in acht :

 de tussenvonnissen van deze kamer van 04.11.2009, 30.06.2010, 08.02.2012 (gewezen in andere samenstelling) en 09.10.2013, en de daarin vermelde procedurestukken

 de conclusie voor verweerders neergelegd ter griffie op 12.11.2013

 de conclusies voor eisers neergelegd ter zitting van 13.11.2013

 de verklaringen van partijen ter zitting van 13.11.2013

 de voor de partijen neergelegde stukken.

* * * * *

1. Feitelijke en procedurevoorgaanden

De rechtbank verwijst vooreerst naar de uiteenzettingen ter zake in de tussenvonnissen.

Bij tussenvonnis van 30.06.2010 beval de rechtbank aan Argenta Bank om het document neer te leggen waaruit blijkt wie op 07.03.2005 de cheque van euro 25.000,00 met nr. 74313 ter betaling bij haar instelling heeft aangeboden, cheque die op 07.03.2005 door Argenta Bank ter terugbetaling aan Dexia Bank werd aangeboden met referte 979C07Ch0J0FE en gedebiteerd werd van de rekening nummer 063-9970685-90 op naam van mevrouw L. C.

Vermits Argenta Bank naliet het betreffende stuk neer te leggen, beval de rechtbank, anders samengesteld, bij vonnis van 08.02.2012 de neerlegging onder verbeurte van een dwangsom van euro 250,00 per dag vertraging vanaf 01.04.2012, mits voorafgaande betekening, met een maximum van euro 30.000,00.

Argenta Bank heeft op 23.03.2012 kopie van de cheque neergelegd ter griffie. De cheque is uitgeschreven op naam van verweerder, en werd door hem op rekening 979-9334086-72 gecrediteerd, die geopend was op naam van hemzelf en zijn echtgenote, verweerster.

Bij tussenvonnis van 09.10.2013 was de rechtbank genoodzaakt om opnieuw de debatten te heropenen. De rechtbank stelde immers vast dat verweerders, voor het eerst na het tussenvonnis van 08.02.2012, vorderden te zeggen voor recht dat de eigenhandige testamenten van wijlen mevrouw L. C. nietig zijn, omdat zij niet meer gezond van geest was in de zin van artikel 901 van het burgerlijk wetboek.

De vraag rees of, gelet op deze nieuwe tegenvordering, niet álle in de testamenten aangeduide legatarissen in deze procedure dienden te worden betrokken. Daarbij viel aan te stippen dat luidens de akte van bekendheid twee algemene legatarissen onder het stelsel van algehele gemeenschap zijn gehuwd, zodat zich de vraag stelde of hun echtgenoten in voorkomend geval eveneens in de procedure moesten worden betrokken.

Geconfronteerd met deze ambtshalve opgeworpen vragen, delen verweerders thans mee afstand te doen van hun vordering tot nietigverklaring van de drie eigenhandige testamenten van wijlen mevrouw C

2. Voorwerp van de vorderingen

De gewijzigde vordering van eisers strekt er thans toe :

 verweerders solidair en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen in afgifte van het bedrag van euro 31.000,00 meer de gerechtelijke intresten, aan het ambt van de geassocieerde notarissen Jacques en Steven Morrens te Bonheiden, teneinde over te gaan tot de bewerkingen van vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen mevrouw L. C.

 te zeggen voor recht dat de in beslag genomen kasbons Dexia met nummers 04.102-0.053.347-7, 02.102-0.117.354-5, 02.102-0.117.361-5, waartegen verzet, eigendom zijn van mevrouw L. C. en behoren tot haar nalatenschap, en derhalve dienen overgemaakt te worden aan het ambt van de geassocieerde notarissen Jacques en Steven Morrens teneinde over te gaan tot de bewerkingen van vereffening-verdeling van de nalatenschap van wijlen mevrouw L. C..

 verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aan hun zijde begroot op euro 3.300,00

 het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.

Verweerders besluiten tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van deze vordering.

Zij vorderen zelf te zeggen voor recht dat zij de uitsluitende rechtmatige eigenaars zijn van de kasbons 04.102-0.053.347-7, 02.102-0.117.354-5 en 02.102-0.117.361-5, en dat zij gerechtigd zijn op de uitbetaling van de tegenwaarde ervan.

Verweerders verzoeken voorts om eisers solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding aan hun zijde begroot op euro 3.300,00, zowel voor wat betreft de hoofdvordering als voor wat betreft hun eigen tegenvordering.

Eisers besluiten tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de tegenvordering. Enig concreet middel van onontvankelijkheid brengen zij evenwel niet aan.

3. Ontvankelijkheid

De actuele vorderingen zijn tijdig en regelmatig ingesteld, en derhalve ontvankelijk.

4. Beoordeling ten gronde

4.1. De eigenhandige testamenten van wijlen mevrouw C.

Nu verweerders, gelet op de in het tussenvonnis van 09.10.2013 opgeworpen vragen, afstand hebben gedaan van hun vordering tot nietigverklaring van de drie eigenhandige testamenten van wijlen mevrouw C., dient vastgesteld dat de rechtsgeldigheid van deze testamenten niet (meer) het voorwerp uitmaakt van huidige procedure.

Verweerders kaarten de rechtsgeldigheid nog wel uitgebreid aan in hun conclusie, neergelegd ter griffie op 12.11.2013 (p. 10-22), waar zij stellen dat de inhoud van de testamenten, gelet op de betrokkenheid van de getuigen van jehova, minstens met de nodige omzichtigheid moet worden beoordeeld, en dat deze testamenten niet kunnen worden beschouwd als een schriftelijk bewijs of een begin van geschreven bewijs van een leningovereenkomst en/of bewaargeving.

4.2. De vordering tot terugbetaling van een lening van euro 31.000,00

4.2.1.

Eisers voeren aan dat wijlen mevrouw C. aan verweerders een lening had toegestaan ten bedrage van euro 31.000,00, die door hen niet werd terugbetaald.

Verweerders erkennen enkel een lening ten belope van euro 6.000,00 die volgens hen integraal werd terugbetaald.

4.2.2.

Degene die de terugbetaling van een lening vordert, moet het bewijs leveren van de overhandiging van de gelden en de terugbetalingsverbintenis.

Krachtens artikel 1341 van het burgerlijk wetboek is een notariële of onderhandse akte vereist voor alle zaken die de som of de waarde van euro 375,00 te boven gaan. Dergelijke akte wordt niet bijgebracht door eisers.

De vraag stelt zich dan of een begin van bewijs door geschrift voorligt bij toepassing van artikel 1347 van het burgerlijk wetboek, dat kan worden aangevuld met alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen. Eisers menen dit begin van bewijs door geschrift terug te vinden in een schrijven van verweerder van 27.03.2007 aan notaris Morrens, waarvan de inhoud luidt als volgt (stuk 4 dossier eisers) :

"In antwoord op uw brief van 22 maart 2007 kan ik u het volgende meedelen.

Er was een mondelijke onderlinge overeenkomst tussen ons en het echtpaar F.-C. dat wij over een bedrag konden beschikken indien ons huis nog niet verkocht was als de aannemer de werken van het nieuwe huis zou opstarten.

Wij hebben van deze overeenkomst nooit gebruik moeten maken omdat ons huis eind oktober 2006 is verkocht en de aannemer de werken pas heeft opgestart begin februari 2007.

De dag na het overlijden van haar echtgenoot heeft zij mij een waardepapier in bewaring gegeven dat ze ergens in september heeft terug gevraagd en ook heeft ontvangen. Voor zover ik mij nog kan herinneren was dat een Live Capital of Capital Live bon van 10.000,00 euro van de bank Dexia."

De rechtbank is van oordeel dat dit stuk het beweerde feit - een lening ten belope van een totaalbedrag van euro 31.000,00, toegestaan door wijlen mevrouw C. aan verweerders - niet afdoende waarschijnlijk maakt. Betreffend stuk kan dan ook niet worden aanvaard als een begin van bewijs.

Dat de Dexia cheque nr. 74313 ten belope van euro 25.000,00 door verweerder op zijn rekening 979-9334086-72 werd gecrediteerd, kan hieraan niets veranderen. Het bewijs van het bestaan van een terugbetalingsverbintenis voor een groter bedrag dan euro 6.000,00, wordt niet afdoende naar recht geleverd.

4.2.3.

Verweerders erkennen, zoals hierboven reeds aangehaald, wel een lening van euro 6.000,00 te hebben ontvangen van wijlen mevrouw C., maar houden voor dat deze lening door de ouders van verweerder contant werd terugbetaald aan mevrouw C., waarna zijzelf het voorgeschoten bedrag van euro 6.000,00 op 02.12.2006 via overschrijving terugbetaalden aan de ouders V. (stuk 2 dossier verweerders).

De betaling als wijze van tenietgaan van een verbintenis is een rechtshandeling, zodat het bewijs ervan onderworpen is aan de regels van voormeld artikel 1341 van het burgerlijk wetboek voor een rechtshandeling waarvan de waarde het bedrag van euro 375,00 overstijgt (Cass. 06.12.2002, RABG 2004, 717, noot I. GEERS).

Aan de hand van een overschrijving van euro 6.000,00 aan "V.", zonder enige mededeling, wordt op geen enkele wijze de terugbetaling van het bedrag van euro 6.000,00 aan wijlen mevrouw C. aangetoond.

Een begin van schriftelijk bewijs zoals bedoeld in artikel 1347 van het burgerlijk wetboek, ligt niet voor.

Al evenmin kunnen verweerders beroep doen op de uitzonderingsbepalingen van artikel 1348 van het burgerlijk wetboek.

De door verweerders in het kader van voormeld artikel 1348 aangehaalde "nauwe affectieve banden" volstaan niet om te kunnen gewagen van morele onmogelijkheid in die zin. Er moeten bijkomende, specifieke omstandigheden voorhanden zijn, die zonder enige twijfel van aard zijn te beletten een geschrift op te stellen. Dergelijke omstandigheden worden door verweerders niet aangevoerd noch bewezen.

4.2.4.

Ondergeschikt laten eisers gelden dat minstens sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Wanneer een overgang van een vermogen of een vermogensbestanddeel heeft plaats gehad van één persoon naar het vermogen van een ander, zonder dat hiertoe enige rechtvaardiging bestond, dient het verrijkte vermogen het verarmde te compenseren. Om de vordering op basis van de vermogensverschuiving zonder oorzaak (de zogenaamde "actio de in rem verso") te kunnen instellen, moet de verrijking van de ene partij overeenstemmen met de verarming van de andere partij, en deze vermogensverschuiving moet zonder oorzaak zijn.

Opdat er sprake zou zijn van een vermogensverschuiving zonder oorzaak, moet er aan vijf voorwaarden voldaan zijn :

 de verarming van het vermogen van de eiser

 de verrijking van het vermogen van de verweerder

 een oorzakelijk verband tussen de verarming en de verrijking

 de afwezigheid van een oorzaak

 het subsidiair karakter van de vordering.

De "verarmde" dient te bewijzen dat deze voorwaarden zijn vervuld.

De afwezigheid van oorzaak moet zowel de verarming als de verrijking betreffen. Onder oorzaak wordt elke juridische daad of elke wetsbepaling verstaan, waaruit degene die de verrijking bekwam het recht put om deze te bewaren. De oorzaak van een vermogensver-schuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn, een rechterlijke beslissing, of zelfs de eigen wil van de verarmde.

Het volstaat vast te stellen dat eisers niet bewijzen dat de beweerde vermogensverschuiving geen oorzaak heeft, zodat meteen vaststaat dat de figuur van de verrijking zonder oorzaak in casu niet kan worden weerhouden.

4.2.5.

Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat dit onderdeel van de vordering van eisers gegrond is voor een bedrag van euro 6.000,00, bij gebreke aan bewijs van terugbetaling.

4.3. De vorderingen met betrekking tot de drie kasbons

4.3.1.

Eisers vorderen te zeggen voor recht dat de in beslag genomen kasbons Dexia met nummers 04.102-0.053.347-7, 02.102-0.117.354-5, 02.102-0.117.361-5, waartegen verzet, behoren tot de nalatenschap van wijlen mevrouw C.

Van een kasbon met nummer 03.102-0.036.936-7 bevestigden eisers dat deze werd gevonden in de kluis bij Fintro Bank, zodat dit onderdeel van de (oorspronkelijk in de dagvaarding gestelde) vordering zonder voorwerp is.

In eerste orde voeren eisers aan dat conform de artikelen 1923 en 1347 van het burgerlijk wetboek een overeenkomst van bewaargeving voor betreffende effecten wordt bewezen, in die zin dat het hierboven reeds aangehaalde schrijven van verweerder van 27.03.2007 aan notaris Morrens ter zake geldt als een begin van bewijs door geschrift.

Opnieuw kunnen zij in dit standpunt niet worden gevolgd.

In het schrijven van verweerder is enkel sprake van een "Live Capital of Capital Live bon van 10.000,00 euro van de bank Dexia", zonder dat op welke wijze ook gewag wordt gemaakt van de door eisers thans teruggevorderde kasbons. Het beweerde feit van een bewaargeving voor ándere kasbons wordt aan de hand van deze vermelding niet waarschijnlijk gemaakt.

De teruggave van deze kasbon wordt door eisers bevestigd in conclusie.

4.3.2.

Verweerders beroepen zich op artikel 2279, lid 1 van het burgerlijk wetboek, en op de schenking. Zij betwisten niet dat de effecten aanvankelijk toebehoorden aan wijlen mevrouw C., maar houden voor dat deze laatste de effecten aan henzelf en hun twee kinderen heeft geschonken in de periode 2001-2006.

Eisers wijzen op het verzet dat wijlen mevrouw C. op 27.12.2006 aantekende tegen de onvrijwillige buitenbezitstelling van de vier Dexia kasbons : de kasbon waarvan het terugvinden in de kluis bij Fintro Bank wordt bevestigd door eisers, alsmede de drie kasbons die thans nog het voorwerp van de vorderingen van partijen uitmaken (stuk 3 dossier eisers).

Bij schrijven van 11.07.2007 meldde Dexia Bank dat de kasbons met met nummers 04.102-0.053.347-7 en 02.102-0.117.354-5 in beslag werden genomen ten laste van de Fortis Bank, waar ze werden aangeboden door verweerder (stuk 5 dossier eisers). Ook de kasbon met nummer 02.102-0.117.361-5 werd in beslag genomen, zo stellen eisers, hetgeen niet wordt tegengesproken.

4.3.3.

Krachtens artikel 2279 van het burgerlijk wetboek wordt de bezitter van lichamelijke roerende goederen vermoed ten gevolge van een geldige eigendomsoverdragende rechtshandeling in het bezit van de goederen te zijn gekomen.

Wie artikel 2279 inroept, moet het bewijs leveren van :

 een actueel en daadwerkelijk bezit (materieel element)

 een bezit pro suo (intentioneel element)

 een bezit te goeder trouw, hetgeen vermoed wordt

 een deugdelijk bezit, zijnde een bezit dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 2229 van het burgerlijk wetboek en derhalve niet door bezitsgebreken is aangetast (een voortdurend, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit).

Degene die de gebrekkigheid van het bezit inroept, moet zulks bewijzen. Dit bewijs is een loutere feitenkwestie en mag worden geleverd met alle middelen van recht.

Eisers beroepen zich op de heimelijkheid en dubbelzinnigheid van het bezit, doordat verweerders er pas mee naar boven durfden te komen na het overlijden van mevrouw C., en in hun schrijven van 27.03.2007 aan notaris Morrens elk bezit ontkenden.

Om rechtsgevolgen te ressorteren, moet het bezit openbaar zijn. De openbaarheid moet aanwezig zijn, zodat derden, die er belang bij kunnen hebben een einde te maken aan het bezit, er zich tegen kunnen verzetten (J. KOKELENBERG, V. SAGAERT, T. VAN SINAY en R. JANSEN, "Overzicht van rechtspraak zakenrecht 2000-2008", TPR 2009, 1672, nr. 575).

Het schrijven van verweerders van 27.03.2007 werd door notaris J. Morrens aan eisers S.-V. G. overgemaakt op 18.04.2007, met volgende mededeling : "Verwijzend naar het telefonisch gesprek met de Heer S., maak ik U ingesloten het antwoord over van de Heer F. V. op mijn vraag naar de lening en de kasbons die hij van wijlen Mevrouw L. C. zou ontvangen hebben." (stuk 4 dossier eisers).

Verweerders maken in hun antwoordschrijven slechts melding van één enkele kasbon, die niet het voorwerp uitmaakt van de vorderingen van partijen. Van de andere kasbons - die hen naar eigen zeggen zouden zijn geschonken door wijlen mevrouw C. - maken verweerders geen gewag, maar enige tijd later bieden zij deze wel aan bij Fortis Bank, waar ze ingevolge het verzet van 27.12.2006 in beslag werden genomen (stuk 5 dossier eisers).

Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat verweerders zich wegens het heimelijk karakter van hun bezit niet kunnen beroepen op artikel 2279 van het burgerlijk wetboek. Het onderdeel van de vordering van eisers dat betrekking heeft op de drie kasbons, wordt dan ook gegrond verklaard. Hieruit volgt logischerwijs de ongegrondheid van de tegen-vordering van verweerders.

5. Kosten van het geding

Aangezien partijen elk deels in het ongelijk worden gesteld, worden de gerechtskosten bij toepassing van artikel 1017, lid 4 van het gerechtelijk wetboek tussen hen omgeslagen zoals hierna bepaald.

6. Uitvoerbaarheid bij voorraad

De voorlopige tenuitvoerlegging houdt een afwijking in op het algemeen beginsel van de schorsende kracht van de gewone rechtsmiddelen.

De rechtbank ziet geen reden om de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis toe te staan.

BESLISSING VAN DE RECHTBANK :

Dit vonnis wordt uitgesproken op tegenspraak;

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan werden in acht genomen;

De hoofdvordering is ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate, maar ongegrond voor het overige;

Verweerders worden veroordeeld tot afgifte van een bedrag van zesduizend euro ( euro 6.000,00), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van dagvaarding, aan het ambt van notaris S. Morrens met standplaats te Bonheiden;

De rechtbank zegt voor recht dat de in beslag genomen Dexia kasbons met nrs. 04.102-0.053.347-7, 02.102-0.117.354-5, 02.102-0.117.361-5, behoren tot de nalatenschap van wijlen mevrouw L. C., en derhalve dienen overgemaakt te worden aan het ambt van notaris S. Morrens die belast is met de werkzaamheden van vereffening-verdeling van deze nalatenschap;

De tegenvordering is ontvankelijk maar ongegrond, en wordt afgewezen;

Partijen worden ieder verwezen in de eigen kosten.

Dit vonnis werd uitgesproken op elf december tweeduizend dertien in openbare zitting van de vierde kamer, die samengesteld was uit

Mevrouw N. PEETERS, rechter, voorzitter van de kamer

De heer B. VAN ASCH, griffier.

B. VAN ASCH N. PEETERS

Vrije woorden

  • Bewijs lening

  • bewijs terugbetaling

  • vermogensverschuiving zonder oorzaak

  • vordering tot teruggave kasbons

  • artikel 2279 BW