Décision anticipée n° 2013.205 dd. 25.06.2013

Datum :
25-06-2013
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
4 pagina's
Sectie :
Regelgeving
Type :
Prior agreements L 24.12.2002
Subdomein :
Fiscal Discipline

Samenvatting :

impôt des sociétés - dividende - précompte mobilier - Suisse

Originele tekst :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Décision anticipée n° 2013.205 dd. 25.06.2013
Décision anticipée n° 2013.205 dd. 25.06.2013
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Prior agreements L 24.12.2002
Title : Décision anticipée n° 2013.205 dd. 25.06.2013
Document date : 25/06/2013
Keywords : impôt des sociétés / dividende / précompte mobilier / Suisse
Document language : FR
Name : Décision anticipée n° 2013.205 dd. 25.06.2013
Version : 1

 

Décision anticipée n° 2013.205 dd. 25.06.2013

 

Impôt des Sociétés

Dividende

Précompte Mobilier

La Suisse

Période de détention

Provision anti-abus 

 

Résumé

Les dividendes qui sont distribués par la SA X à l'AG Y sont exonérés de précompte mobilier belge en application de l'article 15, 1er alinéa, de l'Accord du 26 octobre 2004 entre la Confédération suisse et l'Union européenne, qui prévoit des mesures équivalentes à celles qui sont reprises dans la Directive 2003/48/CE du Conseil en matière de fiscalité des revenus de l'épargne sous forme de paiements d'intérêts (ci-après « l'Accord »).

Cette exonération peut être invoquée avant l'expiration de la période de détention de 2 ans, à condition que l'AG Y s'engage à maintenir la participation durant une période de deux ans minimum et que la SA X s'engage à déduire provisoirement le montant à hauteur du précompte mobilier et à seulement le verser à l'AG Y à l'expiration de cette période minimale de détention.

Le débiteur du précompte mobilier doit être mis en possession d'une attestation « ad hoc », rédigée par l'AG Y, dans laquelle celle-ci confirme que toutes les conditions telles que mentionnées à l'article 15, 1er alinéa, de l'Accord susmentionné ont été respectées.

L'article 344, 1er §, du CIR92 ne s'applique pas en ce qui concerne l'exonération de précompte mobilier sur les dividendes tel que repris à l'article 15, 1er alinéa de l'Accord.

 

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.

 

I. Voorwerp van de aanvraag 

1. De aanvrager strekt ertoe te vernemen of: 

- dividenden die door X NV uitgekeerd worden aan Y AG vrijgesteld zijn van Belgische roerende voorheffing onder toepassing van artikel 15, lid 1  van de Overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Zwitserse Bondstaat en de Europese Unie, waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn  2003/48/EG van de Raad betreffende  belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna "de Overeenkomst"); 

- deze vrijstelling kan ingeroepen worden voordat de houdperiode van 2 jaar verstreken is mits Y AG zich engageert de participatie gedurende een periode van minimaal twee jaar aan te houden; en   

- artikel 344, §1 WIB92 geen toepassing vindt voor wat betreft de vrijstelling van roerende voorheffing op de dividenden zoals opgenomen in artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst. 

 

II. Beslissing 

2. De aanvrager is een vennootschap naar Belgisch recht die de vorm van een gewone commanditaire vennootschap had. Op datum t werd bij de griffie van de rechtbank van Koophandel het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering neergelegd waarbij de rechtsvorm werd omgezet naar een naamloze vennootschap. 

3. X NV zal worden ingebracht in een Zwitserse holding met name Y AG. Er zullen in de toekomst dividenden worden uitgekeerd aan de Zwitserse holding. Y AG is een zuivere holding die gelegen is in het kanton x. 

4. Deze operatie is noodzakelijk omdat X NV niet meer in aanmerking zal komen voor de deelnemingsvrijstelling in Nederland. 

5. De internrechtelijke verzaking aan de inning van de roerende voorheffing zoals vervat in artikel 106, §5 KB/WIB92 is, gelet op de huidige tekst van het dubbelbelastingverdrag België-Zwitserland van 28 augustus 1978, niet toepasbaar daar dit verdrag niet voorziet in een uitwisseling van inlichtingen. 

Artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Zwitserse Bondstaat en de Europese Unie 

6.  Er wordt door de aanvrager beroep gedaan op artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst van 26 oktober 2004 tussen de Zwitserse Bondstaat en de Europese Unie, waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling. 

7. In overeenstemming met het huidige titel V van het vierde deel van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, heeft de Europese Unie bovenvermelde Overeenkomst gesloten met de Zwitserse Bondsstaat. Deze Overeenkomst is, gelet op het Bericht in het Belgisch Staatsblad van 29 juni 2005 (tweede editie), in werking getreden op 1 juli 2005. 

8. Artikel 15, lid 1 van bovenvermelde Overeenkomst primeert op de Belgische internrechtelijke bepalingen, waaronder de verzaking vervat in artikel 106, §5 KB/WIB92. 

9. De uitkering van dividenden door een Belgische dochteronderneming aan een Zwitserse moedermaatschappij is, ingevolge artikel 15, lid 1 van bovenvermelde overeenkomst, niet onderworpen aan belasting in België indien alle voorwaarden vermeld in artikel 15, lid 1 van bovenvermelde Overeenkomst voldaan zijn. 

10. Uit de door de aanvrager overgemaakte documentatie blijkt dat de fiscale woonplaats van Y AG zich in Zwitserland bevindt en de fiscale woonplaats van de X NV zich in België bevindt. Krachtens geen enkel dubbelbelastingverdrag bevindt de fiscale woonplaats van beide vennootschappen zich in een derde staat. 

11. Beide vennootschappen zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting, wat de X NV, de Belgische vennootschapsbelasting, en wat Y AG betreft, de "Impôt Fédéral Direct". 

12. Beide vennootschappen zijn bovendien, na de wijziging van  de rechtsvorm van X NV, kapitaalvennootschappen, zoals bedoeld in bovenvermelde Overeenkomst. 

13. Y AG heeft de intentie om gedurende ten minste twee jaar een directe deelneming van minimaal 25% in het kapitaal van X NV aan te houden. 

14. De aanvrager en Y AG engageren zich om bij een toekomstige dividenduitkering de nodige verplichtingen te vervullen om de toepassing van de vrijstelling aan de bron te voldoen. Daartoe zal de aanvrager, naast een volledig ingevulde aangifte in de roerende voorheffing, tevens een ad hoc fiscaal attest bekomen van Y AG waarin deze laatste dient te bevestigen dat de voorwaarden voor vrijstelling op het betreffende moment voldaan zijn.

15. Hoewel dit niet verwacht wordt, bestaat de mogelijkheid dat X NV overgaat tot de uitkering van een dividend binnen de twee jaar na de inbreng van haar aandelen in Y AG. In zulk geval zou de houdperiode van twee jaar nog niet voldaan zijn (maar zou deze pas op een later moment in de toekomst voldaan zijn). 

16. De aanvrager is van mening dat de minimum houdperiode van twee jaar op het ogenblik van de dividenduitkering nog niet vervuld dient te zijn om te kunnen genieten van de vrijstelling roerende voorheffing zoals opgenomen in artikel 15, lid 1 Overeenkomst, zolang de moedervennootschap, Y AG, zich engageert de participatie gedurende een periode van minimaal twee jaar aan te houden, en dit om de volgende redenen: 

- Op basis van een letterlijke lezing van artikel 15 Overeenkomst wordt niet vereist dat de houdperiode reeds vervuld dient te zijn op moment van dividenduitkering. Deze interpretatie is dan ook in lijn met de lezing van de Moeder-Dochterrichtlijn (zoals naar verwezen in de Overeenkomst) en de Belgische omzetting van de Moeder-Dochterrichtlijn. 

- Verder bestaat de doelstelling van artikel 15 van de Overeenkomst erin het geografisch toepassingsgebied van de Moeder-Dochterrichtlijn uit te breiden naar Zwitserland. Het 'Denkavit' principe (waarbij het engagement een participatie aan te houden volstaat om te voldoen aan de minimum houdperiode) zou daarom ook van toepassing moeten zijn in de context van artikel 15 van de Overeenkomst. 

- De Zwitserse belastingadministratie heeft haar positie reeds bevestigd inzake de toepasbaarheid van de Denkavit rechtspraak in de context van artikel 15 van de Overeenkomst (circulaire dd. 15 juli 2005). Bovendien kan uit deze worden afgeleid wat het standpunt is van de bevoegde autoriteit van de Zwitserse Bondsstaat (zijnde de Directeur de l'Administration fédérale des contributions).   

- Volgens de informatie waarover de aanvrager beschikt, is het zo dat in Duitsland en Frankrijk de wetgeving toelaat om, conform de Europese Denkavit rechtspraak, een vrijstelling te genieten op dividenden uitgekeerd aan Zwitserland, zelfs indien de vereiste houdperiode nog niet voldaan is. In Duitsland dient de roerende voorheffing in dit geval conform de bepalingen betaald te worden aan de Schatkist, waarbij de belastingbetaler deze achteraf, na verloop van de minimale houdperiode, kan terugvorderen. Het is inderdaad zo dat Duitsland (in tegenstelling tot het principe voorzien in artikel 117 KB/WIB92) voorziet in een betaling van de roerende voorheffing in combinatie met een teruggaaf. In Frankrijk daarentegen is er geen dergelijke vereiste tot inhouding, maar is het voldoende dat de moedervennootschap zich engageert de participatie gedurende een periode van minimaal twee jaar aan te houden.   

17. Naar analogie met de Moeder-Dochterrichtlijn, zal X NV er zich toe verbinden om, indien er binnen de komende twee jaar een dividend zou uitgekeerd worden, de roerende voorheffing provisoir in te houden tot op het moment dat de voorwaarde van de tweejaarstermijn voldaan is, zoals vereist door artikel 117, §15 KB/WIB92 (ter implementatie van de Moeder-Dochterrichtlijn in Belgisch intern recht).   

18. Gelet op de doelstellingen van de Overeenkomst, zoals vermeld in overweging 3 in het Besluit van de Raad van 2 juni 2004 betreffende de ondertekening en de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, en van het bijbehorende Memorandum van overeenstemming, waarbij het de bedoeling was om verzoek van de Zwitserse Bondsstaat in te willigen om in de overeenkomst bepalingen op te nemen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in de oorspronkelijke versies van Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen, kan aangenomen worden dat de houdperiode, waarnaar verwezen wordt moet begrepen worden in de zin van het Denkavit-arrest van 17 oktober 1996. 

19. Deze toepassing wordt trouwens bevestigd in circulaire dd. 15 juli 2005 (punt 5, b), 4e alinea) waarbij de Zwitserse belastingadministratie per brief van 11 mei 2005 door de Europese Commissie in kennis werd gesteld dat alle (toenmalige) lidstaten van de EU, behalve Portugal, deze interpretatie voorstonden. 

Artikel 344, §1 WIB92 

20. Hoewel een inbreng in een Zwitserse vennootschap in principe onderworpen is aan een inbrengrecht van 1%, voorziet het Zwitsers recht in een specifieke vrijstelling voor bijvoorbeeld de inbreng van een deelneming binnen de groep. De bedoeling hiervan is zeer duidelijk om intragroepstransacties niet af te straffen door deze te onderwerpen aan het inbrengrecht. Dit specifieke regime vereist evenwel dat de vennootschappen die betrokken zijn kapitaalvennootschappen zijn en een Comm.V. kwalificeert niet als dergelijke kapitaalvennootschap. 

21. Samen met de aansprakelijkheidsbeperkingen, eigen aan de rechtsvorm van een naamloze vennootschap, die niet aanwezig is bij een gewone gecommanditeerde vennootschap, kunnen deze elementen worden beschouwd als andere motieven dan het ontwijken van (Belgische) inkomstenbelastingen die de wijziging van de rechtsvorm motiveren. 

22. Dividenden die door X NV uitgekeerd worden aan Y AG zijn vrijgesteld van Belgische roerende voorheffing onder toepassing van artikel 15, lid 1  van de Overeenkomst. 

23. Deze vrijstelling kan ingeroepen worden voordat de houdperiode van 2 jaar verstreken is mits Y AG zich engageert de participatie gedurende een periode van minimaal twee jaar aan te houden en waarbij X NV zich engageert om het bedrag ten belope van de roerende voorheffing provisoir in te houden en pas door te storten aan Y AG bij het verstrijken van deze minimum houdperiode. 

24. De schuldenaar van de roerende voorheffing dient in het bezit gesteld te worden van een "ad hoc" attest, opgesteld door Y AG waarin deze bevestigt dat alle voorwaarden zoals vermeld in artikel 15, lid 1 van bovenvermelde Overeenkomst zijn nageleefd. 

25. Artikel 344, §1 WIB92 vindt geen toepassing voor wat betreft de vrijstelling van roerende voorheffing op de dividenden zoals opgenomen in artikel 15, lid 1 van de Overeenkomst.