We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 26 Juli 2005 (België). RG 98646;1012

Datum :
26-07-2005
Taal :
Nederlands
Grootte :
1 pagina
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20050726-3
Rolnummer :
98646;1012

Samenvatting :

Samenvatting 1

Beslissing :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
(...)
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat de verzoekster op minderjarige leeftijd slachtoffer werd van seksueel misbruik.
II. Vervolging
Bij beschikking d.d. 6 februari 1998 van de Raadkamer te ... werd de heer Z. geïnterneerd. Aan de toen minderjarige verzoekster werd een provisie van 50.000 frank voor morele schade meer de intresten toegekend.
Tevens werd een medisch deskundigenonderzoek bevolen. Dit deskundig onderzoek vond niet plaats.
III. Financiële middelen en schadeloosstelling
Op 13 december 1999 vroeg de raadsman van verzoekster de zaak uit te stellen, omdat hij van de raadsman van de dader een brief ontvangen had waarin sprake was van de verkoop van een onroerend goed waarmee dan de betalingen zouden kunnen gebeuren (stuk 20).
Op 20 juni 2000 vroeg de raadsman opnieuw om het dossier te laten rusten, daar hij de som van 25.000 BEF ontving vanwege de dader (stuk 27).
Op 6 augustus 2001 meldde hij dat de dader nog steeds afbetaalde (stuk 29).
Op 10 juli 2002 werd gevraagd de zaak te laten rusten daar er nog steeds geregeld betaald werd (stuk 31).
Op 29 april 2003 vroeg de raadsman om de zaak nog een jaar te laten rusten (stuk 34).
Op 8 november 2004 schreef de raadsman: "Deze zaak mag als geliquideerd worden beschouwd. Mijn cliënt heeft gekregen wat zij diende te krijgen." (stuk 37).
Op 17 november en 4 januari 2005 werd aan de raadsman gevraagd om een afstandsverklaring te bezorgen, evenwel zonder resultaat.
IV. Beoordeling door de Commissie
Artikel 31bis, ,§1, 5° van de wet van 1 augustus 1985 stelt "De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier."
Rekening houdend met de tussenkomst vanwege de verzekering en met het in voormeld artikel vervatte subsidiariteitsbeginsel dient de aanvraag dan ook als ongegrond afgewezen te worden.
x
x x
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 ,§ 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003 en de programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ongegrond.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 juli 2005.