Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 29 November 2005 (België). RG M50702/4277
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-20051129-26
- Rolnummer :
- M50702/4277
Samenvatting :
*
Beslissing :
I. Feiten
In de periode tussen juli 1998 en juni 2000 werd verzoekster seksueel misbruikt door de genaamde Hendrik Z..
Deze laatste had een aantal paarden. Verzoekster kwam er regelmatig langs omwille van het feit dat zij geïnteresseerd was in paarden. Het was op die ogenblikken en op die plaats dat verzoekster het slachtoffer werd van verkrachting en aanranding van de eerbaarheid.
Op het moment van de feiten was verzoekster minderjarig.
II. Vervolging
Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ¿ werd Hendrik Z. veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 12 maanden. Mevrouw Martine W., moeder van verzoekster, had zich in eigen naam burgerlijke partij gesteld. De rechtbank wees haar vordering echter als ongegrond af gelet op haar houding.
Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld door het Openbaar Ministerie.
Bij arrest van het Hof van beroep te ¿ d.d.16 september 2002 werd Hendrik Z. veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 3 jaar.
Dit arrest is in kracht van gewijsde getreden.
Het strafdossier ligt neer op het secretariaat van de Commissie.
Bij schrijven d.d. 25 oktober 2005 deelde de raadsman van verzoekster mede aan het secretariaat van de Commissie dat niemand enig initiatief tot burgerlijke partijstelling heeft genomen.
III. Financiële middelen en schadeloosstelling
Hendrik Z. zou bereid zijn geweest om in samenspraak met zijn raadsman een afbetalingsplan op te stellen indien er zich alsnog een burgerlijke partij aandient (protocolfiche informatieuitwisseling).
Bij schrijven d.d. 16 juli 2004 deelde mevrouw Leentje W., justitieassistent bij het justitiehuis te ¿, aan het secretariaat van de Commissie mede dat de relatie tussen verzoekster en haar moeder (stiefvader) problematisch verloopt. Volgens verzoekster zou haar moeder enkel geïnteresseerd zijn in het financiële.
Bij schrijven d.d. 10 augustus 2004 deelde mevrouw Leentje W. mede dat Hendrik Z. geen afbetalingsplan heeft opgesteld.
Verzoekster verklaarde dat zij over geen enkele familiale polis en/of rechtsbijstandspolis beschikt
Uit inlichtingen verkregen via de lokale politie van ¿ blijkt dat Hendrik Z. op 19 september 2003 werd opgesloten in de strafinrichting te ¿. Sedert 2 augustus 2004 werd hij in voorlopige vrijheid gesteld en verblijft hij in een opvangcentrum te ¿.
IV. Medische gevolgen
In het dossier noch in het strafdossier is enig medisch attest aanwezig. Verzoekster verklaarde niet in het bezit te zijn van dergelijke attesten die haar slachtofferschap aantonen.
V. Begroting van de schade door de verzoekster
Verzoekster begroot de door haar geleden schade op euro 5.000,00.
VI. Beoordeling door de Commissie
Artikel 31bis, §1, 3° van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt als voorwaarde voor het toekennen van een financiële hulp als bedoeld in artikel 31,1° tot 4°:
¿Er is een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering genomen en de verzoeker heeft schadevergoeding nagestreefd door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.
Indien het strafdossier geseponeerd is wegens het onbekend blijven van de dader, kan de commissie oordelen dat het voldoende is dat de verzoeker klacht heeft ingediend of de hoedanigheid van benadeelde persoon heeft aangenomen. De hulp kan ook worden aangevraagd indien er meer dan een jaar verstreken is sinds de datum van de burgerlijke partijstelling en de dader onbekend blijft.¿
In casu is er geen schadevergoeding nagestreefd door verzoekster. Er is geen burgerlijke partijstelling gebeurd namens verzoeker, noch rechtstreekse dagvaarding noch is er schadevergoeding nagestreefd door een vordering voor de burgerlijke rechtbank. Er is in casu ook geen sprake van een sepot wegens het onbekend blijven van de dader. Aldus werd aan de voorwaarde van artikel 31bis, §1, 3° niet voldaan.
Het komt de Commissie voor dat verzoekster haar schade-eis diende te laten gelden voor een burgerlijke rechtbank aan de hand van de bekomen strafrechterlijke veroordeling.
Het verzoekschrift is dienvolgens niet-toelaatbaar.
*
* *
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van
1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003 en de programmawet van 27 december 2004 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek onontvankelijk;
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 25 november 2005.