Hof van Cassatie: Arrest van 12 December 2014 (België). RG F.13.0134.N

Datum :
12-12-2014
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
2 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20141212-1
Rolnummer :
F.13.0134.N

Samenvatting :

Uit de omstandigheid dat door de eiser een onbeperkt hoger beroep werd ingesteld tegen het eerste vonnis dat zelf oordeelde over een onbeperkt fiscaal verhaal tegen de beslissing van de gewestelijke directeur waarbij onder meer werd geoordeeld dat het laattijdig bezwaarschrift met betrekking tot het litigieus aanslagjaar kon worden beschouwd als een tijdige kennisgeving in de zin van artikel 376, §1, WIB92, volgt dat de appelrechters gevat waren van een verzoek tot ambtshalve ontheffing van de aanslag met betrekking tot dat aanslagjaar; de appelrechters die de ontvankelijkheid van het hoger beroep enkel beoordelen in het licht van de definitieve beslissing inzake de laattijdigheid van het bezwaar, zonder de ontvankelijkheid van dit hoger beroep te beoordelen in het licht van een herkwalificatie van de vordering in een verzoek tot ambtshalve ontheffing, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Nr. F.13.0134.N

R.S.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de directeur van de Stafdienst Logistiek Brussel, met kantoor te 1030 Schaarbeek, North Galaxy, To-ren B, tweede verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 7 februari 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 26 mei 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel is nieuw nu niet is aangetoond dat de eiser vooraf het administratief beroep heeft in-gesteld, minstens de uitspraak van het hof van beroep wat dit punt betreft in over-eenstemming is met de conclusies van de eiser die op geen enkel ogenblik aan-voerde dat hij de ambtshalve ontheffing had gevraagd en dat de eerste rechter daarover uitspraak diende te doen.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de geweste-lijke directeur in zijn beslissing van 10 april 2006 het bezwaar van de eiser heeft beschouwd als een tijdig verzoek tot ambtshalve ontheffing in de zin van artikel 376 WIB92.

3. Het middel dat de schending aanvoert van een wetsbepaling die de rechter had moeten toepassen op de voorliggende feiten, is niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser tegen de aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1999 een eerste be-zwaarschrift heeft ingediend bij fax van 12 december 2001;

- dit bezwaar bij directoriale beslissing van 22 januari 2002 als onontvankelijk werd afgewezen op grond dat het bezwaar niet-gemotiveerd en laattijdig was;

- de fiscale voorziening tegen deze beslissing door de rechtbank van eerste aan-leg te Hasselt bij vonnis van 23 april 2003 als onontvankelijk werd afgewezen omdat het verzoekschrift niet werd ondertekend door de eiser noch door een advocaat.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt voorts dat:

- de eiser op 12 januari 2002 een tweede bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1999;

- de gewestelijke directeur over dit bezwaar, evenals over de bezwaarschriften met betrekking tot de aanslagjaren 2002 en 2003, heeft geoordeeld bij directo-riale beslissing van 10 april 2006;

- de directeur oordeelde dat het bezwaarschrift met betrekking tot het aanslag-jaar 1999 laattijdig werd ingediend, maar dat het als kennisgeving voor de toepassing van artikel 376, § 1, WIB92 wel tijdig was, zodat een onderzoek naar de gegrondheid ervan werd uitgevoerd;

- de directeur voorts oordeelde dat de bezwaren met betrekking tot de aanslagja-ren 1999, 2002 en 2003 ongegrond waren nu de inkomsten belastbaar waren in België;

- de eiser bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juni 2006 een fiscale voorziening heeft ingesteld tegen deze beslissing en daarbij aanvoerde dat zijn bezwaarschrift met betrekking tot het aanslagjaar 1999 niet onontvankelijk was en, ten gronde, dat de inkomsten niet belastbaar waren in België;

- de eerste rechter heeft geoordeeld dat de eiser met betrekking tot het aanslag-jaar 1999 geen ontvankelijk verzoekschrift heeft ingediend;

- de eiser hiertegen een onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld waarbij hij vroeg dat zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk zou worden verklaard en de aanslagen, onder meer met betrekking tot het aanslagjaar 1999, zouden worden vernietigd, minstens ontlast.

5. Uit de omstandigheid dat door de eiser een onbeperkt hoger beroep werd in-gesteld tegen het eerste vonnis dat zelf oordeelde over een onbeperkt fiscaal ver-haal tegen de beslissing van de gewestelijke directeur waarbij onder meer werd geoordeeld dat het laattijdig bezwaarschrift met betrekking tot het aanslagjaar 1999 kon worden beschouwd als een tijdige kennisgeving in de zin van artikel 376, § 1, WIB92, volgt dat de appelrechters gevat waren van een verzoek tot ambtshalve ontheffing van de aanslag met betrekking tot het aanslagjaar 1999.

6. De appelrechters die de ontvankelijkheid van het hoger beroep enkel beoor-delen in het licht van de definitieve beslissing inzake de laattijdigheid van het be-zwaar, zonder de ontvankelijkheid van dit hoger beroep te beoordelen in het licht van een herkwalificatie van de vordering in een verzoek tot ambtshalve onthef-fing, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het het hoger beroep onontvankelijk ver-klaart voor wat het aanslagjaar 1999 betreft en het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 12 december 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bij-stand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh A. Smetryns A. Fettweis