Hof van Cassatie: Arrest van 14 Juni 1999 (België). RG S980119N

Datum :
14-06-1999
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
3 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-19990614-5
Rolnummer :
S980119N

Samenvatting :

Voor het begrip gezin wordt enkel rekening gehouden met de gezinsleden waarvan het samenwonen met de werkloze invloed heeft op het bedrag van zijn uitkeringen.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 18 mei 1998 gewezen door het Arbeidshof te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt: schending van artikel 82, § 1, eerste lid, 3°, zoals in zijn inleidende zin gewijzigd bij artikel 2, 1° van het koninklijk besluit van 8 maart 1995, B.S., 21 maart 1995, in werking getreden op 21 maart 1995 en § 1, eerste lid, 3°, zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 19, A van het koninklijk besluit van 22 november 1995, B.S., 8 december 1995, in werking getreden op 1 januari 1996), artikel 82, § 1, tweede lid (zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 19, C van het voornoemde koninklijk besluit van 22 november 1995) en van artikel 87 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna genoemd: het Werkloosheidsbesluit),
doordat het arrest het hoger beroep van eiser verwerpt, en met bevestiging van het vonnis, de beslissing van eiser inzoverre vernietigt dat voor recht wordt gezegd dat de schorsing van verweersters recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 3 juli 1995 wordt opgeheven, en zulks op grond van de hiernavolgende overwegingen: "(...) Gelet op de betekening van de verwittiging op 10 maart 1995, was de laatste belastbare periode waarop, voorafgaand aan de verwittiging, belastingen werden geheven in beginsel het belastbaar jaar 1993 (aanslagjaar 1994). In hoofde van (verweerster) overschreed dit bedrag zeker niet het toegelaten grensbedrag. Ten onrechte echter wil (eiser) ook de inkomsten van de (latere) echtgenoot van (verweerster) met betrekking tot het aanslagjaar 1994 (belastbaar jaar 1993) mee in rekening brengen. Terecht stelt (eiser) weliswaar dat voor de invulling van het begrip 'gezin', overeenkomstig art. 87 Werkloosheidsbesluit 1991, moet rekening gehouden worden met die gezinsleden waarvan het samenwonen met de werkloze invloed heeft op het bedrag van zijn uitkeringen. Dit kan echter geenszins impliceren dat zou dienen rekening te worden gehouden met het inkomen van de latere echtgenoot, waarvan niet is bewezen dat hij in het belastbaar jaar 1993 reeds met (verweerster) samenwoonde. Meer nog: de latere echtgenoot van (verweerster) kan evenmin over de totaliteit van de tweede mogelijke referteperiode voorzien in art. 82 § 1 al. 2 Werkloosheidsbesluit 1991 beschouwd worden als 'gezinslid' van (verweerster), aangezien geen samenwoning in die volledige referteperiode bewezen voorkomt. Met name blijkt uit de stukken gevoegd bij het inleidend aangetekend schrijven van 29 april 1995, dat (verweerster) slechts op 18 augustus 1994 in het huwelijk trad met Philip Hameryck. ... Er kan daarentegen wel rekening gehouden worden met het door Philip Hameryck ontvangen inkomen, met betrekking tot dat gedeelte van de twaalf kalendermaanden, voorafgaand aan de maand tijdens dewelke de verwittiging werd ontvangen, dat zich situeert vanaf de datum van zijn huwelijk met (verweerster). (...) Volgens de voorliggende stukken (bijlagen st. 5, adm. Doss.), ontving (verweerster) in de periode 3/94 tot en met 2/95 naast haar werkloosheidsuitkeringen, die niet in rekening mogen gebracht worden, vanwege haar werkgever, De Post, een bruto belastbaar inkomen van 141.583 fr. (...) Van 8/94 tot en met 2/95 (periode tijdens dewelke -in de tweede mogelijke referteperiode- (verweerster) een gezin vormde met Philip Hameryck), ontving deze (eveneens blijkens de stukken gevoegd bij st. 5, adm. doss.) een brutobelastbaar inkomen van 399.583 fr. Men mag dit bedrag niet zo maar extrapoleren. Zelfs zonder rekening te houden met de aftrekbare forfaitaire bedrijfskosten is het evident dat de samenvoeging van beide bedragen (141.583 + 399.583) geen overschrijding geeft van het toegelaten grensbedrag van 600.000 fr., vermeer
derd met 24.000 fr. per persoon ten laste. (...) Terecht namen de eerste rechters dan ook aan dat niet alle voorwaarden vervuld waren om op datum van de genomen beslissing te kunnen overgaan tot de uitsluiting van (verweerster) wegens langdurige werkloosheid, zodat de schorsingsbeslissing onterecht genomen werd" (pp. 5-6 arrest),
terwijl, overeenkomstig artikel 82, § 1, eerste lid, 3° van het Werkloosheidsbesluit de werkloze bij de directeur binnen de maand volgend op de dag van de ontvangst van de verwittiging, bij een ter post aangetekend schrijven, een administratief beroep kan indienen gesteund op het feit dat het jaarlijks nettobelastbaar inkomen van het gezin, abstractie gemaakt van de uitkeringen die hij geniet, 600.000 fr., verhoogd met 24.000 fr. per persoon ten laste, niet overschrijdt; voor het begrip gezin bedoeld in artikel 82, overeenkomstig artikel 87, enkel rekening wordt gehouden met die gezinsleden waarvan het samenwonen met de werkloze invloed heeft op het bedrag van zijn uitkeringen; voor de berekening van het nettobelastbaar inkomen van dat gezin, overeenkomstig artikel 82, § 1, tweede lid, rekening wordt gehouden met het inkomen van de laatste belastbare periode waarop de belastingen werden geheven of datgene ontvangen tijdens de laatste twaalf kalendermaanden die voorafgaan aan de maand tijdens dewelke de verwittiging werd ontvangen, indien de werkloze of de directeur bewijst dat het laatste inkomen lager of hoger was dan het inkomen dat het voorwerp uitmaakte van de voormelde heffing van belasting; uit de samenlezing van deze bepalingen blijkt dat de werkloze op het moment van de verwittiging zijn verweer zal kunnen en moeten voeren door zijn gezinssituatie op dat moment te beschouwen en door vervolgens aan te tonen dat dat gezin, zoals bestaand op het moment van de verwittiging, over een inkomen beschikt dat volgens de ene dan wel de andere berekeningswijze de gestelde grens niet overschrijdt; artikel 82, § 1, tweede lid aldus twee periodes van twaalf kalendermaanden vaststelt gedurende dewelke men het inkomen van het gezin zoals bestaand op het moment van de verwittiging zal moeten beschouwen; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat verweerster op 18 augustus 1994 in het huwelijk was getreden en op 10 maart 1995 verwittigd werd; zoals eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep had laten gelden verweerster op het moment van de verwittiging met haar echtgenoot een gezin vormde zodat op haar de bewijslast rustte om aan te tonen dat het nettobelastbaar gezinsinkomen volgens de ene dan wel de andere berekeningswijze de gestelde grenzen niet overschreed; dat het derhalve ten onrechte was dat de eerste rechter met de inkomsten van de echtgenoot met betrekking tot de laatste belastbare periode geen rekening had gehouden en verweerster het aanslagbiljet van haar echtgenoot voor die periode niet had neergelegd; eiser in die zin had aangevoerd dat "(met) betrekking tot de laatste twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de verwittiging (periode 3/94 tot en met 2/95) (...) het nettobelastbaar inkomen exclusief de inkomsten van de echtgenoot ontvangen in de periode 01.03.94 tot 18.08.94: 573.244 (bedraagt) (en dat) (indien) de inkomsten van de echtgenoot ontvangen in de periode 3/93 tot 2/94 volledig meegerekend worden ... het grensbedrag van 600.000 fr. zeker (zal) overschreden worden" (verso verzoekschrift hoger beroep); het arrest evenwel enerzijds het inkomen van de echtgenoot van verweerster gedurende de laatste belastbare periode buiten beschouwing laat, nu (daarvan) "niet is bewezen dat hij in het belastbaar jaar 1993 reeds met (verweerster) samenwoonde" (p. 5, arrest); en het arrest anderzijds voor wat de "tweede mogelijke referteperiode" betreft (p. 5, arrest), slechts rekening houdt met het in
komen van de echtgenoot "vanaf de datum van zijn huwelijk met (verweerster)", zijnde "vanaf 8/94 tot en met 2/95 (periode tijdens de welke -in de tweede mogelijke referteperiode- (verweerster) een gezin vormde met Ph. Hameryck", welk (bedrag) (men) (zomaar) niet mag extrapoleren" (p. 6, arrest); het arrest zodoende te kennen geeft dat het begrip gezin beschouwd moet worden over de ene dan wel de andere referteperiode daar waar zulks uit de wet niet blijkt doch integendeel het gezin wordt vastgesteld op het moment van de verwittiging,
zodat het arrest, door te oordelen dat met het inkomen van de echtgenoot van verweerster geen rekening diende gehouden te worden tijdens de eerste referteperiode en slechts gedeeltelijk, met name vanaf hun huwelijk, gedurende de tweede referteperiode, hoewel verweerster met haar echtgenoot op het moment van de verwittiging met haar echtgenoot een gezin vormde, en door aldus te kennen te geven dat het begrip "gezin" beschouwd moet worden over de wettelijke referteperiodes, aan de artikelen 82, § 1, eerste lid, 3°, 82 § 1, tweede lid en 87 van het Werkloosheidsbesluit een voorwaarde heeft toegevoegd die dezen niet bevatten en mitsdien deze bepalingen heeft geschonden (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen):
Overwegende dat de werkloze, krachtens artikel 82, § 1, eerste lid, 3°, van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991, vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 22 november 1995, de in artikel 81, eerste lid, van dit Werkloosheidsbesluit bedoelde schorsing kan betwisten op grond van het feit dat het jaarlijks nettobelastbaar inkomen van zijn gezin, abstractie gemaakt van de uitkeringen die hij geniet, 600.000 frank, verhoogd met 24.000 frank per persoon ten laste, niet overschrijdt;
Overwegende dat, krachtens artikel 82, § 1, tweede lid, van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991, voor het bepalen van dit nettobelastbaar inkomen rekening wordt gehouden met het inkomen van de laatst belastbare periode vóór deze verwittiging waarop de belastingen werden geheven; dat de werkloze of de directeur evenwel het bewijs kunnen leveren dat het inkomen ontvangen tijdens de laatste twaalf kalendermaanden die voorafgaan aan de maand tijdens dewelke de verwittiging werd ontvangen, lager of hoger was dan het inkomen dat het voorwerp uitmaakte van de voormelde heffing van belasting;
Overwegende dat, krachtens artikel 87 van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991, voor het begrip gezin in artikel 82 enkel rekening gehouden wordt met de gezinsleden waarvan het samenwonen met de werkloze invloed heeft op het bedrag van zijn uitkeringen;
Overwegende dat uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat voor de bepaling van het bedoelde gezinsinkomen rekening moet worden gehouden met de gezinstoestand van de werkloze in de periodes bedoeld in artikel 82, § 1, tweede lid, van het Werkloosheidsbesluit 1991; dat wanneer de werkloze slechts gedurende een gedeelte van die periodes met een gezinslid, bedoeld in voormeld artikel 87, samenwoont, het inkomen van dit gezinslid slechts voor dat gedeelte van die periodes mede in aanmerking komt voor het bepalen van het in artikel 82, § 1, eerste lid, 3°, bedoelde gezinsinkomen;
Dat het middel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt eiser in de kosten.