Hof van Cassatie: Arrest van 15 December 2014 (België). RG S.13.0050.F

Datum :
15-12-2014
Taal :
Frans Nederlands
Grootte :
5 pagina's
Sectie :
Rechtspraak
Bron :
Justel N-20141215-3
Rolnummer :
S.13.0050.F

Samenvatting :

Het bestreden arrest beslist dat de RVP, krachtens artikel 22, §3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde ambtshalve moest afzien van de teruginning van onverschuldigde uitkeringen bij het overlijden van de rechtsvoorganger van de verweerder terwijl de teruginning van die onverschuldigde uitkeringen te dezen vastgelegd wordt door de eigen bepalingen vervat in artikel 21, §3, derde lid, en §5, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, en schendt bijgevolg, naast die laatstgenoemde wetsbepalingen, artikel 22, §1, van die wet van 11 april 1995 (1). (1) Zie de concl. OM in Pas. 2014, nr. …791.

Arrest :

Voeg het document toe aan een map () om te beginnen met annoteren.

Nr. S.13.0050.F

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

U. T.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 24 januari 2013.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 21 oktober 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 22, inzonderheid §§ 1 en 3, wet 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, zoals gewijzigd bij wet van 25 juni 1997;

- artikel 21, §§ 2 tot 8, en inzonderheid §§ 2, 3 en 5, wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, zoals van kracht na de wijziging ervan bij wet van 27 december 2005.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist, met wijziging van het beroepen vonnis, dat ambtshalve moest worden afgezien van de teruginning van uitkeringen die onverschuldigd betaald werden aan de rechtsvoorganger van de verweerder, met toepassing van artikel 22, § 3, wet 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"Artikel 21, §§ 3 en 5, wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, gewijzigd bij de wet 27 december 2005, van kracht op 1 januari 2006, bepaalt:

‘§ 3. De terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties verjaart door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd.

Wanneer de onverschuldigde uitbetaling haar oorsprong vindt in de toekenning of de verhoging van een buitenlands voordeel of van een voordeel in een andere regeling dan deze bedoeld in § 1, verjaart de terugvordering door verloop van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing die de voornoemde voordelen toekent of verhoogt.

De in het eerste en in het tweede lid vastgestelde termijn wordt op (drie jaar) gebracht, wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of welbewust onvolledige verklaringen. Dit geldt eveneens ten aanzien van de sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis.

[...] § 5. Behalve in de § 3, derde en vierde lid, beoogde gevallen, vervalt de terugvordering van onverschuldigd uitbetaalde prestaties bij het overlijden van degene aan wie zij werden uitbetaald zo op dat ogenblik de terugvordering van het onverschuldigd uitbetaalde hem niet was betekend";

Wanneer de begunstigde van het pensioen komt te overlijden vervalt dus in principe de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bij diens overlijden wanneer hem nog geen kennis gegeven was van die terugvordering tenzij de onverschuldigde geldsommen verworven werden wegens het niet afleggen door de schuldenaar van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die voortvloeit uit een eerder aangegane verbintenis;

Te dezen heeft de eiser aangetoond dat de onverschuldigde geldsommen verworven werden doordat de rechtsvoorganger van de verweerder geen verklaring heeft afgelegd waaruit blijkt dat zijn echtgenote op 8 augustus 2003 was overleden, terwijl hij zich daartoe in het verleden verbonden had;

Daaruit volgt dat het arbeidshof in zijn arrest van 23 februari 2012 reeds geoordeeld had dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde niet ver-vallen is bij het overlijden van de rechtsvoorganger van de verweerder;

Artikel 22, § 1, Wet Handvest Sociaal Verzekerde bepaalt evenwel dat, on-verminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen eigen aan de verschillende sectoren van de sociale zekerheid, de bepalingen van de §§ 2 tot 4 van toepassing zijn op de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. Artikel 22, § 3, van die wet bepaalt dat, behoudens in het geval van bedrog of arglist, ambtshalve wordt afgezien van de terugvordering van onverschuldigd betaalde prestaties, bij het overlijden van degene aan wie ze betaald zijn, indien hem op dat ogenblik nog geen kennis was gegeven van de terugvordering;

Het arbeidshof heeft bijgevolg de partijen gehoord over de samenhang van de bepalingen van artikel 22, § 1, Wet Handvest Sociaal Verzekerde met artikel 21, § 5, wet 13 juni 1966.

De eiser oordeelt dat:

- krachtens artikel 22, § 1, Wet Handvest Sociaal Verzekerde enkel artikel 21, § 5, wet 13 juni 1966 van toepassing is, met uitzondering van artikel 22, § 3, van het handvest;

- in de veronderstelling dat artikel 21, wet 13 juni 1966 onverenigbaar is met artikel 22 van het handvest, in zoverre het voorafgaat aan het handvest, het niet hoeft te worden geweerd;

In tegenstelling tot wat de eiser aanvoert, oordeelt het arbeidshof dat artikel 22, § 3, Wet Handvest Sociaal Verzekerde niet onverenigbaar is met de bepalingen van artikel 21, § 5, wet 13 juni 1966;

De door de bepalingen voorgeschreven juridische gevolgen van de niet-kennisgeving van de beslissing van het onverschuldigde vóór het overlijden van de sociaal verzekerde zijn verschillend: artikel 21, § 5, wet 13 juni 1966 bepaalt dat de terugvordering vervalt terwijl artikel 22, § 3, Wet Handvest Sociaal Verzekerde stelt dat ambtshalve wordt afgezien van de terugvordering;

Daaruit volgt dat, krachtens de eerste bepaling, enkel de terugvordering van de eiser vervalt zonder dat laatstgenoemde als dusdanig moet afzien van de terugvordering van het onverschuldigde via andere kanalen dan via een vordering. Het bewijs hiervan is dat artikel 21, § 5, tweede lid, wet 13 juni 1966 bepaalt dat het verval van de terugvordering niet in de weg staat van de teruginning van de onverschuldigd betaalde bedragen op de vervallen geldsommen die niet aan de overledene of diens echtgenoot zijn betaald, in de zin van artikel 1410, § 4, Gerechtelijk Wetboek. De eiser behoudt in dat geval dus niet enkel het recht te beslissen om het onverschuldigd bedrag terug te vorderen, maar ook om daaraan een gevolg te geven met toepassing van artikel 1410, § 4, Gerechtelijk Wetboek;

Uit die bepalingen volgt dat de terugvordering en de beslissing tot teruginning niet met elkaar mogen verward worden. Men mag de vordering en het subjectief recht dat gesanctioneerd wordt door de toepassing ervan niet verwarren;

Wanneer de terugvordering niet vervallen is - zoals in dit geval - is de kwestie van de teruginning dus ten zeerste pertinent en moet ze bekeken worden in het licht van artikel 22, § 3, Wet Handvest Sociaal Verzekerde;

Men beweert niet dat de rechtsvoorganger van de verweerder bedrieglijke handelingen zou hebben gesteld of valse of welbewust onvolledige verklaringen zou hebben afgelegd;

Er moest dus ambtshalve worden afgezien van de teruginning van de onverschuldigde prestaties".

Grieven

Artikel 22, Wet Handvest Sociaal Verzekerde, zoals gewijzigd bij de wet 25 juni 1997, bepaalt het volgende:

"§ 1. Onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen eigen aan de verschillende sectoren van de sociale zekerheid, zijn de bepalingen van de §§ 2 tot 4 van toepassing op de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

§ 2. De bevoegde instelling van sociale zekerheid kan, binnen de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, afzien van de terugvordering van het onverschuldigde :

a) in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen en mits de schuldenaar te goeder trouw is;

b) wanneer het terug te vorderen bedrag gering is;

c) wanneer blijkt dat de terugvordering onzeker of te duur is vergeleken met het bedrag dat teruggevorderd moet worden.

§ 3. Behoudens in het geval van bedrog of arglist, wordt ambtshalve afgezien van de terugvordering van onverschuldigd betaalde prestaties, bij het overlijden van degene aan wie ze betaald zijn, indien hem op dat ogenblik nog geen kennis was gegeven van de terugvordering.

§ 4. Onverminderd de toepassing van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek verhindert deze bepaling nochtans niet de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen wanneer het gaat om prestaties die, het ogenblik van het overlijden van de belanghebbende, vervallen waren doch hem nog niet waren uitbetaald of niet waren uitbetaald aan één van de volgende personen :

1° de echtgenoot met wie de gerechtigde op het ogenblik van zijn overlijden samenleefde;

2° de kinderen met wie de gerechtigde op het ogenblik van zijn overlijden samenleefde;

3° de persoon met wie de gerechtigde op het ogenblik van zijn overlijden samenleefde;

4° de persoon die een deel betaald heeft in de ziekenhuiskosten en zulks tot beloop van het door hem betaalde bedrag;

5° de persoon die de begrafeniskosten betaald heeft en zulks tot beloop van het bedrag van die kosten.

§ 5. De Koning kan, bij een in ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad, bepalen dat de §§ 1 tot 4 van dit artikel niet van toepassing zijn op bepaalde regelingen van sociale zekerheid".

Uit de eerste paragraaf van het voornoemde artikel 22 volgt dat de paragrafen 2 tot 4 van datzelfde artikel aanvullend zijn in de zin dat ze slechts moeten worden toegepast als er geen bepalingen zijn eigen aan een sector van sociale zekerheid die betrekking hebben op het afzien van de teruginning van onverschuldigde prestaties.

Artikel 21, paragraaf 2 tot 8, wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden voert een volledige regeling in voor de teruginning van overlevings- en pensioenuitkeringen die onverschuldigd uitbetaald werden aan arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden of anderen onder hen.

Dat artikel bepaalt wie bevoegd is om het onverschuldigde terug te innen of daarvan af te zien en bepaalt de voorwaarden voor die teruginning (§ 2); het bepaalt de termijn voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde (§ 3) en de gevallen waarin de verjaring gestuit kan worden (§ 4 ); het bepaalt de weerslag van het overlijden van de begunstigde op de teruginning van uitkeringen die onverschuldigd betaald werden (§ 5) en de vorm van de teruginning (§ 6); het voert een verplichting in om de betalende instellingen in te lichten (§ 7) en regelt de gerechtelijke procedure voor de betwisting van beslissingen tot terugwinning van het onverschuldigde (§ 8).

Artikel 21, § 2, eerste lid, wet 13 juni 1966 bepaalt meer inzonderheid dat enkel het betaalorgaan bevoegd is om, enerzijds, het onverschuldigde terug te vorderen en anderzijds, hetzij op eigen initiatief, hetzij op aanvraag van de gerechtigde, geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Artikel 21, § 5, bepaalt voorts dat de terugvordering van onverschuldigd uitbetaalde prestaties vervalt bij het overlijden van degene aan wie zij werden uitbetaald behalve met name wanneer de overschuldigde sommen werden verkregen wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis. Dezelfde bepaling belet nochtans niet de terugvordering van het onverschuldigd uitbetaalde op de vervallen en aan de overledene of aan zijn echtgenoot niet uitgekeerde bedragen, in de zin van artikel 1410, § 4, Gerechtelijk Wetboek.

Daaruit volgt dat de wetgeving voor de sector van de overlevings- en rustpensioenen bijzondere bepalingen bevat betreffende het afzien van de teruginning van de onverschuldigde uitkeringen en de weerslag van het overlijden van de begunstigde op die teruginning, zodat overeenkomstig artikel 22, § 1, Wet Handvest Sociaal Verzekerde, paragraaf 2 tot 4 van dat artikel niet moet worden toegepast op de teruginning van onverschuldigd uitbetaalde uitkeringen inzake overlevings- en rustpensioenen.

Het bestreden arrest beslist, met toepassing van artikel 22, § 3, Wet Handvest Sociaal Verzekerde, dat ambtshalve moest worden afgezien van de teruginning van de door de eiser onverschuldigd uitbetaalde uitkeringen, terwijl voornoemd artikel 22, § 3, te dezen niet moet worden toegepast rekening houdend met het bestaan van specifieke bepalingen voor het afzien van de teruginning van onverschuldigde uitkeringen en de weerslag van het overlijden van de begunstigde op die teruginning, en schendt dus het artikel 22, § 1 Wet Handvest Sociaal Verzekerde en bijgevolg artikel 22, § 3, van dezelfde wet en artikel 21, inzonderheid §§2, 3 en 5 van de wet van 13 juni 1966.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Luidens artikel 22, § 1, Wet Handvest Sociaal Verzekerde zijn, onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen eigen aan de verschillende sectoren van de sociale zekerheid, de bepalingen van de §§ 2 tot 4 van toepassing op de terugvor-dering van onverschuldigd betaalde bedragen.

Artikel 21, wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden bevat in de paragrafen 2 tot 8, eigen bepalingen voor de teruginning van het onverschuldigde in het stelsel van de overlevings- en rustpensioenen van de werknemers op wie die wet van toepassing is.

Krachtens paragraaf 3, derde lid, van dat artikel 21 verjaart de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde prestaties door verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is gebeurd wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verkla-ring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis.

Paragraaf 5 van datzelfde artikel bepaalt dat, behalve de in paragraaf 3, derde en vierde lid, beoogde gevallen, de terugvordering van onverschuldigd uitbetaalde prestaties vervalt bij het overlijden van degene aan wie zij werden uitbetaald zo op dat ogenblik de terugvordering van het onverschuldigd uitbetaalde hem niet was betekend.

Uit het arrest van het arbeidshof van 23 februari 2012 blijkt dat de eiser, na het overlijden van de rechtsvoorganger van de verweerder op 26 mei 2008, heeft vastgesteld dat laatstgenoemde, in tegenstelling tot de verbintenis die hij was aan-gegaan bij het toekennen van zijn rustpensioen, niet verklaard heeft dat zijn echt-genote voorheen op 8 augustus 2003 overleden was.

Dat arrest oordeelt dat de terugvordering van de onverschuldigd uitbetaalde geld-sommen als gezinspensioen aan de rechtsvoorganger van de verweerder niet ver-vallen is na het overlijden van laatstgenoemde met toepassing van artikel 21, § 5, wet 13 juni 1966.

Het bestreden arrest dat met de in het middel aangevoerde redenen beslist dat de eiser, krachtens artikel 22, § 3, wet 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, ambtshalve moest afzien van de teruginning van litigi-euze uitkeringen bij het overlijden van de rechtsvoorganger van de verweerder, terwijl de teruginning van die onverschuldigde uitkeringen te dezen vastgelegd wordt door de specifieke bepalingen vervat in artikel 21, § 3, derde lid, en § 5, wet 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzeker-den, schendt, naast die laatstgenoemde wetsbepalingen, artikel 22, § 1, van die wet van 11 april 1995.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt, gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, de eiser in de kosten;

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Christian Storck, de raadsheren Koen Mestdagh, Mireille Delange, Antoine Lievens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 15 december 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,