Hof van Cassatie: Arrest van 28 Oktober 1994 (België). RG C930114N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19941028-9
- Rolnummer :
- C930114N
Samenvatting :
Naar recht verantwoord is de beslissing die, vaststellende dat het tegenbewijs niet wordt geleverd van het bij art. 1384, vierde lid, B.W. ingestelde vermoeden betreffende de aansprakelijkheid van de onderwijzers, oordeelt dat de aansteller aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door de daad van diegene voor wie hij moet instaan. (Art. 1384, eerste en derde lid, B.W.).
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 10 juni 1991 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het door het Openbaar Ministerie ambtshalve opgeworpen middel van niet ontvankelijkheid van de voorziening, in zoverre deze door eiser in eigen naam is ingesteld, waarvan kennis werd gegeven aan de partijen overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek : eiser heeft in eigen naam geen hoedanigheid om een cassatievoorziening in te stellen :
Overwegende dat eiser in eigen naam geen partij was in het geding waarin het arrest is gewezen, mitsdien geen hoedanigheid heeft om zich in cassatie te voorzien;
Dat het middel van niet ontvankelijkheid gegrond is;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 1384 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep van eerste en tweede verweerders in cassatie heeft gegrond verklaard en eiser in cassatie tot betaling van schadevergoeding heeft veroordeeld o.m. op grond van de overwegingen : "(...) dat niet betwist is dat de as in het oor van Nathalie Tombal werd gestoken tijdens het toezicht dat werd uitgeoefend door (...) (derde verweerster); dat (...) (derde verweerster) in deze door haar uitgeoefende functie beantwoordt aan de notie van onderwijzer bedoeld in artikel 1384, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek; dat deze wetsbepaling stelt dat onderwijzers (...) (derde verweerster) aansprakelijk zijn voor de schade door hun leerlingen (M... V... E...) veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan; dat desgevallend het tegenbewijs kan worden geleverd van dit door deze wetsbepaling ingesteld vermoeden, doch desbetreffende wordt aangevoerd dat de handelwijze van het kind M... V... E... in casu onvoorzienbaar was in een klas met een twintigtal kleuters; (...) dat noch door deze bewering noch door enig ander element het desbetreffende tegenbewijs wordt geleverd; dat (...) derde verweerster principieel met toepassing van artikel 1384, 4e lid B.W. aansprakelijk is voor genoemde schuld; (...) echter dat krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de wet op de arbeidsovereenkomsten de leerkrachten uit het vrij onderwijs (zoals in casu) niet meer zelf kunnen worden aangesproken tenzij voor bedrog, zware fout of een veel voorkomende lichte fout; (...) dat in casu geenszins gebleken is en zelfs door (...) (eerste en tweede verweerders) (oorspronkelijke eisers) niet wordt beweerd dat zulks het geval zou zijn; (...) dat de vordering lastens (...) (eiser) o.m. werd ingesteld als aansteller van (...) derde verweerster (artikel 1384, eerste en derde lid, van het B.W.); (...) dat (...) (eiser) deze hoedanigheid niet betwist en ook moeilijk kan betwisten; (...) dat het hogergenoemd artikel 18 van de wet van 3 juli l978 de verdere normale uitwerking van artikel 1384 van het B.W. niet verhindert; (...) dat, wanneer een aangestelde principieel aansprakelijk is voor een wettelijk vermoede fout (zoals in casu (...) (derde verweerster) de aansteller (...) (eiser) aansprakelijk is voor zover de schade werd veroorzaakt in de bediening waarvoor hij de aangestelde gebruikt, zoals in casu; dat derhalve (...) (eiser) ter vergoeding van de schade toegebracht aan N... T..., zoals hierboven beschreven, kan worden aangesproken; dat een verder onderzoek betreffende een eventuele andere grondslag van de aansprakelijkheid van (...) (eiser) overbodig voorkomt; (...) dat de schade die (...) (eerste en tweede verweerders) in eigen naam hebben geleden (morele en materiële schade) hier en nu ten voorlopige titel ex aequo et bono reeds wordt begroot op 5.000, - frank terwijl de schade van het kind wegens aantasting van een (minstens tijdelijke) aantasting van haar fysieke integriteit eveneens ten voorlopige titel wordt
begroot op 10.000, - fr. en het noodzakelijk voorkomt een deskundige-geneesheer aan te stellen met de hiernabepaalde opdracht om de volledige schade te begroten",
terwijl, overeenkomstig artikel 1384 lid 3 B.W. een loutere daad (objektief onrechtmatige daad of vermoeden van aansprakelijkheid) van de aangestelde onvoldoende is om tot de aansprakelijkheid van de aansteller te besluiten; de daad van de aangestelde immers foutief moet zijn; uit de toepassingsvoorwaarden van de aansprakelijkheidsvermoedens, zoals het aansprakelijkheidsvermoeden begrepen in artikel 1384 lid 4 B.W., niet is af te leiden, dat de aangestelde een fout in causaal verband met de schade heeft gepleegd, wat nochtans onontbeerlijk is om artikel 1384 lid 3 B.W. op de aansteller toe te passen; de feitenrechter daartoe een afzonderlijk onderzoek dient te verrichten, wat hij in casu niet heeft gedaan; het Hof van Beroep er zich immers toe heeft beperkt op grond van de wettelijk vermoede fout van de aangestelde in de zin van artikel 1384, lid 4 B.W. tot de aansprakelijkheid van de aansteller te besluiten; het bestreden arrest derhalve niet wettig tot de aansprakelijkheid van eiser in cassatie als aansteller van de aangestelde lerares voor schade op grond van een wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid heeft kunnen besluiten en art. 1384 lid 3 B.W. heeft geschonden;
zodat, het bestreden arrest, door, op grond van de loutere vaststelling van het bestaan van een wettelijk vermoede fout van de aangestelde in de zin van artikel 1384 lid 4 B.W., tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van de aansteller te besluiten, niet wettelijk gerechtvaardigd is en artikel 1384 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek miskent :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de schade toegebracht aan de leerling N... T... veroorzaakt werd door een objectief onrechtmatige daad van een andere leerling gedurende de tijd dat de leerlingen onder het toezicht stonden van de onderwijzeres J... T...;
Dat het oordeelt, op grond van de feitelijke gegevens die het aangeeft, dat het tegenbewijs niet wordt geleverd van het door artikel 1384, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingestelde vermoeden;
Dat het, zonder deswege te worden bekritiseerd, beslist dat, met toepassing van voormeld artikel, J... T... aansprakelijk is voor de ontstane schade;
Overwegende dat artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men aansprakelijk is voor de schade welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan; dat, krachtens het derde lid van dat artikel, de meesters en zij die anderen aanstellen, aansprakelijk zijn voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waarvoor zij hen gebezigd hebben;
Overwegende dat het arrest eensdeels vaststelt dat eiser niet betwist dat hij de aansteller is van J... T... en anderdeels, dat te dezen de schade veroorzaakt werd in de bediening waarvoor zij door eiser werd gebezigd;
Dat het arrest, nu het beslist dat J... T... aansprakelijk is ingevolge een niet weerlegde "wettelijk vermoede fout", zijn beslissing dat eiser, met toepassing van artikel 1384, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk is, naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat de verwerping van de voorziening alle belang ontneemt aan de vordering tot bindendverklaring;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening en de vordering tot bindendverklaring;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gelet op het bestreden arrest, op 10 juni 1991 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Over het door het Openbaar Ministerie ambtshalve opgeworpen middel van niet ontvankelijkheid van de voorziening, in zoverre deze door eiser in eigen naam is ingesteld, waarvan kennis werd gegeven aan de partijen overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek : eiser heeft in eigen naam geen hoedanigheid om een cassatievoorziening in te stellen :
Overwegende dat eiser in eigen naam geen partij was in het geding waarin het arrest is gewezen, mitsdien geen hoedanigheid heeft om zich in cassatie te voorzien;
Dat het middel van niet ontvankelijkheid gegrond is;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 1384 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep van eerste en tweede verweerders in cassatie heeft gegrond verklaard en eiser in cassatie tot betaling van schadevergoeding heeft veroordeeld o.m. op grond van de overwegingen : "(...) dat niet betwist is dat de as in het oor van Nathalie Tombal werd gestoken tijdens het toezicht dat werd uitgeoefend door (...) (derde verweerster); dat (...) (derde verweerster) in deze door haar uitgeoefende functie beantwoordt aan de notie van onderwijzer bedoeld in artikel 1384, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek; dat deze wetsbepaling stelt dat onderwijzers (...) (derde verweerster) aansprakelijk zijn voor de schade door hun leerlingen (M... V... E...) veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan; dat desgevallend het tegenbewijs kan worden geleverd van dit door deze wetsbepaling ingesteld vermoeden, doch desbetreffende wordt aangevoerd dat de handelwijze van het kind M... V... E... in casu onvoorzienbaar was in een klas met een twintigtal kleuters; (...) dat noch door deze bewering noch door enig ander element het desbetreffende tegenbewijs wordt geleverd; dat (...) derde verweerster principieel met toepassing van artikel 1384, 4e lid B.W. aansprakelijk is voor genoemde schuld; (...) echter dat krachtens artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de wet op de arbeidsovereenkomsten de leerkrachten uit het vrij onderwijs (zoals in casu) niet meer zelf kunnen worden aangesproken tenzij voor bedrog, zware fout of een veel voorkomende lichte fout; (...) dat in casu geenszins gebleken is en zelfs door (...) (eerste en tweede verweerders) (oorspronkelijke eisers) niet wordt beweerd dat zulks het geval zou zijn; (...) dat de vordering lastens (...) (eiser) o.m. werd ingesteld als aansteller van (...) derde verweerster (artikel 1384, eerste en derde lid, van het B.W.); (...) dat (...) (eiser) deze hoedanigheid niet betwist en ook moeilijk kan betwisten; (...) dat het hogergenoemd artikel 18 van de wet van 3 juli l978 de verdere normale uitwerking van artikel 1384 van het B.W. niet verhindert; (...) dat, wanneer een aangestelde principieel aansprakelijk is voor een wettelijk vermoede fout (zoals in casu (...) (derde verweerster) de aansteller (...) (eiser) aansprakelijk is voor zover de schade werd veroorzaakt in de bediening waarvoor hij de aangestelde gebruikt, zoals in casu; dat derhalve (...) (eiser) ter vergoeding van de schade toegebracht aan N... T..., zoals hierboven beschreven, kan worden aangesproken; dat een verder onderzoek betreffende een eventuele andere grondslag van de aansprakelijkheid van (...) (eiser) overbodig voorkomt; (...) dat de schade die (...) (eerste en tweede verweerders) in eigen naam hebben geleden (morele en materiële schade) hier en nu ten voorlopige titel ex aequo et bono reeds wordt begroot op 5.000, - frank terwijl de schade van het kind wegens aantasting van een (minstens tijdelijke) aantasting van haar fysieke integriteit eveneens ten voorlopige titel wordt
begroot op 10.000, - fr. en het noodzakelijk voorkomt een deskundige-geneesheer aan te stellen met de hiernabepaalde opdracht om de volledige schade te begroten",
terwijl, overeenkomstig artikel 1384 lid 3 B.W. een loutere daad (objektief onrechtmatige daad of vermoeden van aansprakelijkheid) van de aangestelde onvoldoende is om tot de aansprakelijkheid van de aansteller te besluiten; de daad van de aangestelde immers foutief moet zijn; uit de toepassingsvoorwaarden van de aansprakelijkheidsvermoedens, zoals het aansprakelijkheidsvermoeden begrepen in artikel 1384 lid 4 B.W., niet is af te leiden, dat de aangestelde een fout in causaal verband met de schade heeft gepleegd, wat nochtans onontbeerlijk is om artikel 1384 lid 3 B.W. op de aansteller toe te passen; de feitenrechter daartoe een afzonderlijk onderzoek dient te verrichten, wat hij in casu niet heeft gedaan; het Hof van Beroep er zich immers toe heeft beperkt op grond van de wettelijk vermoede fout van de aangestelde in de zin van artikel 1384, lid 4 B.W. tot de aansprakelijkheid van de aansteller te besluiten; het bestreden arrest derhalve niet wettig tot de aansprakelijkheid van eiser in cassatie als aansteller van de aangestelde lerares voor schade op grond van een wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid heeft kunnen besluiten en art. 1384 lid 3 B.W. heeft geschonden;
zodat, het bestreden arrest, door, op grond van de loutere vaststelling van het bestaan van een wettelijk vermoede fout van de aangestelde in de zin van artikel 1384 lid 4 B.W., tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van de aansteller te besluiten, niet wettelijk gerechtvaardigd is en artikel 1384 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek miskent :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de schade toegebracht aan de leerling N... T... veroorzaakt werd door een objectief onrechtmatige daad van een andere leerling gedurende de tijd dat de leerlingen onder het toezicht stonden van de onderwijzeres J... T...;
Dat het oordeelt, op grond van de feitelijke gegevens die het aangeeft, dat het tegenbewijs niet wordt geleverd van het door artikel 1384, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingestelde vermoeden;
Dat het, zonder deswege te worden bekritiseerd, beslist dat, met toepassing van voormeld artikel, J... T... aansprakelijk is voor de ontstane schade;
Overwegende dat artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men aansprakelijk is voor de schade welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan; dat, krachtens het derde lid van dat artikel, de meesters en zij die anderen aanstellen, aansprakelijk zijn voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waarvoor zij hen gebezigd hebben;
Overwegende dat het arrest eensdeels vaststelt dat eiser niet betwist dat hij de aansteller is van J... T... en anderdeels, dat te dezen de schade veroorzaakt werd in de bediening waarvoor zij door eiser werd gebezigd;
Dat het arrest, nu het beslist dat J... T... aansprakelijk is ingevolge een niet weerlegde "wettelijk vermoede fout", zijn beslissing dat eiser, met toepassing van artikel 1384, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk is, naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat de verwerping van de voorziening alle belang ontneemt aan de vordering tot bindendverklaring;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening en de vordering tot bindendverklaring;
Veroordeelt eiser in de kosten.