Hof van Cassatie: Arrest van 4 Oktober 1996 (België). RG C930396N
- Sectie :
- Rechtspraak
- Bron :
- Justel N-19961004-3
- Rolnummer :
- C930396N
Samenvatting :
De in art. 1073, eerste lid, GerW. bepaalde termijn om zich in cassatie te voorzien is een vervaltermijn die van openbare orde is en de partijen kunnen de gevolgen van het verstrijken ervan niet verzaken, ook niet door een nieuwe betekening van het vonnis, waarbij de eerste betekening wordt verzaakt.
Arrest :
Voeg het document toe aan een map
()
om te beginnen met annoteren.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 15 september 1992 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel;
Overwegende dat de voorzieningen, ingeschreven op de algemene rol onder de nummers C.93.0396.N, C.94.0127.N en C.95.0211.N tegen hetzelfde arrest zijn gericht; dat ze dienen te worden gevoegd;
III. Op de voorziening van het Vlaamse Gewest in de zaak nr. C.95.0211.N :
Over het door verweerster opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening : de voorziening is niet ingesteld binnen de door artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalde termijn en de nieuwe betekening van het arrest houdt geen verzaking in van de rechten die voortvloeien uit de eerste betekening :
Overwegende dat, krachtens artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden is, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend;
Dat die vervaltermijn van openbare orde is en de partijen de gevolgen van het verstrijken ervan niet kunnen verzaken, ook niet door een nieuwe betekening van het vonnis, waarbij de eerste betekening wordt verzaakt;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bestreden arrest op verzoek van verweerster aan eiser werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28 mei 1993 en dat de voorziening is ingesteld op 29 maart 1994, dit is buiten de bij de voormelde wetsbepaling bepaalde termijn;
Dat de nieuwe betekening van het arrest op 22 maart 1995, onverschillig of de vorige betekening ervan daarin wordt verzaakt, geen nieuwe termijn voor het instellen van een cassatieberoep doet ontstaan;
Dat de door eiser ingestelde voorziening tardief is;
Dat het middel van niet-ontvankelijkheid gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers C.93.0396.N, C.94.0127.N en C.95.0211.N;
Verwerpt de voorziening van Suzanne Rotthier in de zaak nr. C.93.0396.N;
Verleent het Vlaamse Gewest akte van de afstand van zijn voorziening in de zaak nr. C.94.0127.N;
Verwerpt de voorziening van het Vlaamse Gewest in de zaak nr. C.95.0211.N;
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorzieningen.
Gelet op het bestreden arrest, op 15 september 1992 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel;
Overwegende dat de voorzieningen, ingeschreven op de algemene rol onder de nummers C.93.0396.N, C.94.0127.N en C.95.0211.N tegen hetzelfde arrest zijn gericht; dat ze dienen te worden gevoegd;
III. Op de voorziening van het Vlaamse Gewest in de zaak nr. C.95.0211.N :
Over het door verweerster opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening : de voorziening is niet ingesteld binnen de door artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalde termijn en de nieuwe betekening van het arrest houdt geen verzaking in van de rechten die voortvloeien uit de eerste betekening :
Overwegende dat, krachtens artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden is, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend;
Dat die vervaltermijn van openbare orde is en de partijen de gevolgen van het verstrijken ervan niet kunnen verzaken, ook niet door een nieuwe betekening van het vonnis, waarbij de eerste betekening wordt verzaakt;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bestreden arrest op verzoek van verweerster aan eiser werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28 mei 1993 en dat de voorziening is ingesteld op 29 maart 1994, dit is buiten de bij de voormelde wetsbepaling bepaalde termijn;
Dat de nieuwe betekening van het arrest op 22 maart 1995, onverschillig of de vorige betekening ervan daarin wordt verzaakt, geen nieuwe termijn voor het instellen van een cassatieberoep doet ontstaan;
Dat de door eiser ingestelde voorziening tardief is;
Dat het middel van niet-ontvankelijkheid gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers C.93.0396.N, C.94.0127.N en C.95.0211.N;
Verwerpt de voorziening van Suzanne Rotthier in de zaak nr. C.93.0396.N;
Verleent het Vlaamse Gewest akte van de afstand van zijn voorziening in de zaak nr. C.94.0127.N;
Verwerpt de voorziening van het Vlaamse Gewest in de zaak nr. C.95.0211.N;
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorzieningen.