Hof van Cassatie: Arrest (België). RG P.18.0146.N

Date :
06-11-2018
Language :
French Dutch
Size :
3 pages
Section :
Case law
Source :
Justel N-20181106-2
Role number :
P.18.0146.N

Summary :

Samenvatting 1

Arrêt :

Add the document to a folder () to start annotating it.

Nr. P.18.0146.N

LEASEPLAN FLEET MANAGEMENT nv, met zetel te 1930 Zaventem, Ex-celsiorlaan 8,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Sabine Szulanski, advocaat bij de balie Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 januari 2018.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de kruispuntbank van de voer-tuigen (hierna: Wet Kruispuntbank Voertuigen).

2. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 18 Wet Kruispuntbank Voertuigen schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis niet antwoordt op eiseres' stelling dat haar recht op een eerlijk proces is miskend vermits de strafvervolging uitsluitend steunt op een onwettig bewijs, met name het proces-verbaal dat met schending van artikel 18 Wet Kruispuntbank Voertuigen is opgesteld.

4. Met de redenen die het bevat, oordeelt het bestreden vonnis dat het gebruik van een proces-verbaal, opgesteld met schending van artikel 18 Wet Kruispunt-bank Voertuigen, eiseres' recht op een eerlijk proces niet miskent en dat de straf-vordering kan steunen op dit bewijs. Aldus beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis niet antwoordt op eiseres' verweer dat de schending van artikel 18 Wet Kruispuntbank Voertuigen niet ver-schoonbaar of gerechtvaardigd mag worden door de algemene functie van de poli-tie.

6. Het bestreden vonnis stelt vast dat de schending van artikel 18 Wet Kruis-puntbank Voertuigen dient te worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en oordeelt, na de toetsing aan deze criteria, dat de opgeworpen onregelmatigheid niet leidt tot bewijsuitsluiting.

Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis eiseres' verweer zonder dat het dient te antwoorden op argumenten die tot staving van dit verweer zijn opgeworpen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en artikel 18 Wet Kruispuntbank Voertuigen: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat er slechts sprake is van een "eventuele" miskenning van het recht op privacy; een schending van artikel 18 Wet Kruispuntbank Voertuigen houdt immers "per se" een miskenning in van dit recht zoals gegarandeerd door artikel 8 EVRM, zodat het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

8. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 18 Wet Kruispuntbank Voertuigen schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

9. Het feit dat bewijsmiddelen werden verkregen in strijd met het recht op eer-biediging van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM heeft niet steeds een schending van artikel 6 EVRM of miskenning van het recht op een eer-lijk proces tot gevolg.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement enkel wordt besloten indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschre-ven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaar-heid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Krachtens die bepaling worden onregelmatig-heden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de andere erin vermelde voorwaar-den, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd. Deze regel geldt voor alle on-regelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk recht dat de bescherming van het privéleven beoogt.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 41bis Strafwetboek: het bestre-den vonnis oordeelt ten onrechte dat de minimumgeldboete 1.000,00 euro be-draagt; bij toepassing van deze bepaling is de geldboete voor een rechtspersoon in politiezaken beperkt tot maximum 250,00 euro en 500,00 euro in staat van herha-ling.

12. Artikel 41bis, § 1, Strafwetboek bepaalt de geldboeten toepasselijk op mis-drijven gepleegd door rechtspersonen als volgt:

"in criminele en correctionele zaken:

  • - wanneer de wet op het feit levenslange vrijheidsstraf stelt: geldboete van twee-honderdveertigduizend euro tot zevenhonderdtwintigduizend euro;

  • - wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen: geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend eu-ro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheids-straf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit ge-steld;

  • - wanneer de wet op het feit enkel geldboete stelt: geldboete met minimum en maximum als door de wet op het feit gesteld.

  • in politiezaken: geldboete van vijfentwintig euro tot tweehonderdvijftig euro".

    13. Het begrip "politiezaken" in de zin van deze bepaling moet worden begre-pen als misdrijven strafbaar met een politiestraf.

    In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

    14. Artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt: "Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200 euro tot 4000 euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft, hij die de verplichtingen bedoeld in artikel 67ter niet nakomt. Deze straffen worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan".

    Hieruit volgt dat in geval van herhaling aan een natuurlijke persoon een gevange-nisstraf van 30 dagen tot 12 maanden of een geldboete van 400,00 euro tot 8.000,00 euro, of beide straffen, kan worden opgelegd.

    15. Uit de wijze waarop artikel 41bis, § 1, tweede lid, tweede gedachtestreep-je, Strafwetboek, is geformuleerd volgt dat voor de bepaling van de op een rechts-persoon toepasselijke minimumgeldboete voor misdrijven waarvoor de mini-mumvrijheidsstraf voor een natuurlijke persoon minder dan één maand bedraagt, er geen vermenigvuldiging met 500,00 euro dient te gebeuren en de minimum-geldboete bijgevolg steeds 500,00 euro bedraagt. Deze regel geldt ook indien de minimumgeldboete moet worden bepaald bij herhaling.

    In zoverre is het middel gegrond.

    Omvang van de cassatie

    16. De vernietiging van de beslissing over de straf laat de schuldigverklaring onaangetast.

    Ambtshalve onderzoek van de beslissing voor het overige

    17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

    Dictum

    Het Hof,

    Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot straf en tot bijdragen aan het Slachtofferfonds en het Begrotingsfonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand.

    Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

    Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

    Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten.

    Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing.

    Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep.

    Bepaalt de kosten op 147,57 euro.

    Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2018 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

    K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman

    A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem