- Arrêt of March 13, 2014

13/03/2014 - F.13.0024.N

Case law

Summary

Samenvatting 1

Arrêt - Integral text

Nr. F.13.0024.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de gewestelijk direc-teur der directe belastingen te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

STE MARIE-LINE bvba, met zetel te 8370 Blankenberge, Vissersstraat 12,

verweerster,

met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9052 Gent, Bollebergen 2A, bus 20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 september 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 november 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatie-beroep aan: de voorziening is niet ondertekend door een advocaat.

2. Artikel 378 WIB92, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, bepaalt dat het verzoek-schrift houdende voorziening in cassatie door een advocaat mag ondertekend en neergelegd worden.

Uit die bepaling en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 maart 1999 volgt dat de eiser in cassatie, in belastingzaken, mag vertegenwoordigd wor-den door een advocaat, die geen advocaat bij het Hof van Cassatie hoeft te zijn. Artikel 378 WIB92 behoudt onverkort de mogelijkheid voor de bevoegde ambte-naar van de administratie van de directe belastingen om dat verzoekschrift zelf te ondertekenen en neer te leggen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Middel

Eerste onderdeel

3. Krachtens artikel 219, eerste en tweede lid, WIB92, zoals gewijzigd door de wet van 4 mei 1999, wordt op de verdoken meerwinsten die niet onder de be-standdelen van het vermogen van de vennootschap kunnen worden teruggevon-den, een afzonderlijke aanslag gevestigd gelijk aan 300 procent van deze verdoken meerwinsten.

Om deze afzonderlijke aanslag te vestigen volstaat het dat de administratie het bewijs levert van het bestaan van verdoken meerwinsten en van het niet aanwezig zijn in het vennootschapsvermogen van deze meerwinsten. De administratie moet niet bewijzen dat de meerwinst de vennootschap heeft verlaten in een van de vor-men als bedoeld door artikel 57 WIB92.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser, bij gebrek aan aangifte door de verweerster in de vennootschapsbelas-ting voor het aanslagjaar 2003, een kennisgeving van aanslag van ambtswege aan de verweerster heeft verzonden waarin de nettowinst van de verweerster op basis van haar btw-aangiften en vorige aangiften in de vennootschapsbe-lasting werd bepaald op 20.341,84 euro en werd aangekondigd dat aangezien deze winst niet werd teruggevonden onder de bestanddelen van het vermogen van de verweerster, dit bedrag zou worden onderworpen aan de bijzondere aanslag van 300 procent;

- bij gebrek aan antwoord van de verweerster, de betwiste aanslag werd geves-tigd op basis van de gegevens van de kennisgeving van de aanslag van ambts-wege.

5. De appelrechters oordelen: "De belasting op de geheime commissielonen impliceert dat de bedoelde sommen de vennootschap hebben verlaten en werden gebruikt om een uitgave zoals bedoeld in artikel 47 WIB64 te dekken. Deze laatste bepaling voorziet tal van mogelijkheden van besteding. De bewering dat deze winst niet kan teruggevonden worden onder de bestanddelen van haar vermogen volstaat op zichzelf niet als bewijs".

Door aldus te oordelen dat de afzonderlijke aanslag op verdoken meerwinsten be-doeld in artikel 219 WIB92 slechts kan worden gevestigd indien de administratie het bewijs levert dat de verdoken meerwinsten de vennootschap hebben verlaten onder een van de vormen bedoeld in artikel 47 WIB64, thans artikel 57 WIB92, en door de aanslag teniet te doen omdat de eiser dat bewijs niet levert, verant-woorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

B. Wylleman

G. Jocqué

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Dirix

Free keywords