- Decision of March 1, 2012

01/03/2012 - M11-5-0079/7933

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Op 3 maart 2007 kwam het in de woning van verzoekster te ...brugge tot een confrontatie tussen verzoekster en haar ex-man, de heer Ahmed Z.. Deze laatste gaf verzoekster een slag op het hoofd, waardoor ze met haar hoofd tegen de muur terechtkwam. Daarna schopte hij haar op de voet. Hij stopte pas toen ze niet meer kon rechtstaan.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 23 januari 2008 werd de heer Ahmed Z., zich bevindend in staat van wettelijke herhaling, wegens het plegen van (onder meer) de sub I vermelde feiten, bij verstek veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van tien maanden en tot een geldboete van euro 550.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van het bedrag van euro 4.533,57 meer intresten aan verzoekster.

III. Gevolgen van de feiten

Verzoekster liep een kleine botfractuur op aan de rechter voet (medisch attest Dr. L. P. d.d. 5 maart 2007).

Ze was arbeidsongeschikt van 3 maart 2007 tot en met 30 april 2007.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Luidens het verzoekschrift ontving verzoekster nog geen enkele vergoeding. Ze beschikt niet over enige verzekering ter dekking van de geleden schade.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een financiële hulp van euro 4.954,26:

- hoofdsom cf. vonnis d.d. 23.01.08: euro 4.533,57

- materiële kosten: euro 100,00

= administratie- en verplaatsingskosten

- medische kosten: euro 126,57

- morele schade TAO: euro 1.475,00

100 % van 03.03.07 t.e.m. 30.04.07 : 59 d. x euro 25

- verlies of vermindering aan inkomsten: euro 2.832,00

- loonverlies: euro 1.062,30

- verlies econom. waarde huishouden: euro 1.770,00

- procedurekosten: euro 420,69

- rechtsplegingsvergoeding: euro 375,00

- andere kosten (deurwaarder): euro 45,69

VI. Beoordeling door de Commissie

A. Ontvankelijkheid

a) principe

Artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen luidt als volgt:

"Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade."

In artikel 34 van diezelfde wet wordt het volgende bepaald:

"De vraag om financiële hulp, noodhulp of aanvullende hulp geschiedt bij verzoekschrift dat in twee exemplaren wordt neergelegd bij het secretariaat van de commissie of haar wordt toegezonden bij een ter post aangetekende brief. Het wordt ondertekend door de verzoeker of door zijn advocaat."

Krachtens laatstgenoemd wetsartikel geschiedt de indiening van het verzoekschrift ofwel door neerlegging op het secretariaat van de Commissie ofwel per aangetekende zending.

Wat dat laatste betreft stelt zich de vraag welke datum als uitgangspunt dient genomen te worden voor de beoordeling van de tijdigheid van het verzoekschrift: de datum van verzending van de aangetekende brief dan wel de datum van ontvangst ervan?

Om deze vraag te beantwoorden dient voor ogen gehouden te worden dat de Commissie een administratief rechtscollege is in de zin van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De Raad van State, die overigens de beroepsinstantie is tegen de beslissingen van de Commissie, aanvaardt dat een aangetekende zending vaste datum verleent aan een procedurestuk en als basis dient voor de beoordeling van de tijdigheid (RvS 18 januari 2008, nr. 178.668). Overeenkomstig deze rechtspraak is niet de datum van aankomst van de aangetekende zending van belang, maar wel de datum van verzending ervan. Het doel van een aangetekende zending is immers het afleveren van een bewijs van vaste datum van verzending. De beroepstermijn bij de Raad van State eindigt 30 kalenderdagen na ontvangst van de kennisgeving. Binnen deze termijn moet het beroepschrift verzonden zijn, hetgeen blijkt uit het postmerk op de briefomslag. Het is niet vereist dat het beroepschrift binnen de termijn van 30 dagen bij de beroepsinstantie moet zijn binnengekomen (RvS 25 juni 1998, nr. 74.655).

Er kan bovendien op gewezen worden dat er buiten het administratief recht nog tal van andere wetgeving / rechtspraak is die de datum van verzending van een aangetekende zending, omwille van hetzelfde vaste datumkarakter, als uitgangspunt neemt om de tijdigheid te beoordelen (huur, pacht, ontslag om dringende reden, ...).

b) concrete toepassing op de voorliggende casus

In het voorliggend dossier dateert het vonnis van de Correctionele rechtbank te ... van 23 januari 2008.

Toepassing makend van de algemene beginselen van de termijnberekening, is de dag waarop de termijn begint te lopen (dies a quo) 24 januari 2008, terwijl de dag waarop de termijn eindigt (dies ad quem) 24 januari 2011 is.

Zoals hoger beschreven dient de datum van verzending (en niet de datum van ontvangst) van de aangetekende brief als uitgangspunt te worden genomen voor de beoordeling van de tijdigheid. Welnu, aangezien de aangetekende zending in de onderhavige zaak gedateerd is op 22 januari 2011 en deze datum binnen de gestelde termijn valt (welke afloopt op 24 januari 2011), moet vastgesteld worden dat het verzoekschrift tijdig werd ingediend.

B. Ten gronde

De Commissie wenst aan te stippen dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985. ‘Verlies economische waarde huishouden' is daarbij niet opgenomen en komt dus niet in aanmerking voor vergoeding.

Voor de procedurekosten meent de Commissie evenmin een hulp te kunnen toekennen, nu ter zitting van 9 februari 2012 is gebleken dat de raadsman van verzoekster in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand werd aangesteld.

De overige schadeposten kunnen naar het oordeel van de Commissie integraal worden toegekend.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 2.763,87.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 1 maart 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 25 januari 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp, voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.