- Decision of April 17, 2012

17/04/2012 - M11-7-0204/8014

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Verzoeker vat de feiten, die zich voordeden op 20 maart 2007, samen als volgt:

" Tijdens penitentiair verlof van mijn broer, Stanislas X., bezochten wij een vriend van hem in ... . Tijdens dit bezoek verplichtte hij me, onder bedreiging van een vuurwapen, een cocktail van verdovende middelen in te nemen. Hierbij diende hij me ook slagen en verwondingen toe. Na de inname bleef ik 24 u buiten bewustzijn. Nadien 3 dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Maanden ernstig te lijden gehad van een Plexus Brachialusletsel in de linkerarm. Na onderzoek van de gerechtsdokter een blijvende invaliditeit toegekend van 7%. "

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 26 oktober 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden onder meer de volgende tenlasteleggingen bewezen verklaard in hoofde van Stanislas X. (° 1970), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 4 jaar effectieve gevangenisstraf:

"A. Door middel van geweld of bedreiging, goederen die hem niet toebehoorden, bedrieglijk weggenomen te hebben, met de omstandigheid dat wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of de schuldige deed geloven dat hij gewapend was, namelijk een identiteitskaart, een rijbewijs, een bankkaart en een GSM-toestel ten nadele van X. Michaël, te ... op 20 maart 2007;

E. [...] 1 joint te hebben verschaft aan X. Michaël, dat substanties bevat welke onder de wetenschappelijke benaming Cannabis, Extracta, Resinae, Tincturae, opgenomen is in artikel 1 nr. 15 van, voormeld K.B. van 31.12.1930,

te ... op 20 maart 2007;

F. Door gebaren of zinnebeelden X. Michaël te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is,

te ... op 20 maart 2007;

G. Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Michaël die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden."

te ... op 20 maart 2007; "

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij eindvonnis dd. 17 januari 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... Stanislas X. bij verstek veroordeeld tot betaling aan verzoeker de som van euro 9.180,10 meer de intresten en een RPV van euro 500.

- administratie en verplaatsingskosten euro 75,00

- medische kosten euro 358,53

- TWO moreel euro 2.114,00

- B.I. moreel ex aequo et bono euro 5.000,00

- morele schade euro 1.500,00

- verlies aan maaltijdcheques euro 132,57

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. Roland W. in zijn verslag van 05/05/2010:

3. Het medisch onderzoek van X. Michaël ging door op 12/02/2010 en 04/05/2010.

4. De letsels betreffen: een schedeltrauma en uitwendige kneuzingen. Intoxicatie met barbituraten, Benzodiazepines, Amfetamines en Canabis. Nadien vastgesteld partieel plexulair letsel met sensorimotorisch lijden in het medianus gebied links en in het gebied van de nervus musculocutaneus links.

Als behandeling werd hij 2 dagen opgenomen. Verder conservatieve behandeling.

Volgende restklachten worden weerhouden: klachten van tintelingen in duim en wijsvinger en duimmuis vooral. Uitstralend tot de pols volair vanuit de elleboogloge, flexorzone. Soms ook tintelingen in de oksel. Bij het fietsen vlugger vermoeid. Geringe vermindering van de sensibiliteit in de linkerarm. Tintelingen in linkerarm en -hand 's avonds en bij stressmomenten, krachtsverlies in de linkerarm en sneller krampen bij inspanning en langdurige inspanning. Fijne motoriek met de vingers is minder en neemt toe bij koud weer. Concentratieverlies bij aanhoudende tintelingen. Slapen is minder comfortabel. Hij heeft nog regelmatig pijnscheuten in duim en wijsvinger.

5. Hospitalisatie van 21/03/2007 tot en met 23/03/2007, normale duur volgens de aard van de letsels.

6. Er zijn geen blijvende psychische restletsels te weerhouden.

7. Tijdelijke invaliditeit:

100%van 20/03/2007 tot 30/04/2007

50% van 01/05/2007 tot 18/06/2007

25% van 19/06/2007 tot 31/07/2007

15% van 01/08/2007 tot 31/10/2007

10% van 01/11/2007 tot 19/03/2008

8. X. Michaël kon redelijker wijze een deel van de arbeid hervatten op 01/05/2007.

9. Datum van consolidatie kan worden vastgesteld op 20/03/2008.

10. Blijvende invaliditeit kan worden vastgesteld op 7% (zeven procent) zonder meerinspanning voor het slachtoffer.

11. Inzake revalidatie en herscholing: niet van toepassing.

12. Er is geen verdere medicatie noch behandeling noodzakelijk om de stabilisatie van de toestand te handhaven.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. Verzoeker heeft (nog) geen uitvoeringsdaden gesteld t.a.v. zijn broer. Hij stelt dat hij dit liever niet zou doen "aangezien de psychische druk op zijn gezin ingevolge deze feiten nog altijd zeer hoog is."

Verzoeker wijst op de zeer slechte financiële situatie van zijn broer voor de feiten. De laatste was reeds vroeger in schuldbemiddeling maar deze werd herroepen op het ogenblik dat hij naar de

gevangenis moest. Voorts legt verzoeker een stuk voor waaruit blijkt dat zijn broer n.a.v. vroegere veroordelingen, eveneens wegens gewelddelicten, met nog openstaande schulden kampt.

IV-2. Rechtsbijstandverzekeraar P&V komt tussen in de kosten gerechtsdeskundige en het ereloon van de raadsman en betaalde euro 7.500 uit in het kader van de waarborg ‘insolventie van derden'.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 11.560,10.

- hoofdsom volgens vonnis van 17/01/2011 euro 9.180,10

- RPV euro 500,00

- intresten euro 1.880,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 31bis, 5° van de wet van 1 augustus 1985 (" De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier.") blijkt manifest dat de wetgever het subsidiariteitsbeginsel huldigt en dat het slachtoffer dus eerst beroep dient te doen op de traditionele middelen om schadeloosstelling te bekomen, zoals bv. door uitvoeringsdaden te stellen t.a.v. de veroordeelde, alvorens zich te richten tot de Commissie.

Verzoeker heeft geen uitvoeringsdaden gesteld t.a.v. de veroordeelde. In casu is de veroordeelde de broer van verzoeker. Hij stelt dat hij dit liever niet zou doen "aangezien de psychische druk op zijn gezin ingevolge deze feiten nog altijd zeer hoog is."

Verzoeker wijst op de zeer slechte financiële situatie van zijn broer voor de feiten. De laatste was reeds vroeger in schuldbemiddeling maar deze werd herroepen op het ogenblik dat hij naar de gevangenis moest. Voorts legt verzoeker een stuk voor waaruit blijkt dat zijn broer n.a.v. vroegere veroordelingen, eveneens wegens gewelddelicten, met nog openstaande schulden kampt.

Gelet op de zinloosheid van het stellen van verdere uitvoeringsdaden jegens een manifest insolvabele dader oordeelt de Commissie dat artikel 31bis, §1, 6° van de wet van 1 augustus 1985 op zijn situatie van toepassing is:

" Wanneer de verzoeker door omstandigheden volledig buiten zijn wil om geen klacht kon indienen, de hoedanigheid van benadeelde partij niet kon aannemen, zich geen burgerlijke partij kon stellen, geen vordering kon instellen of geen vonnis kon bekomen of wanneer het instellen van een vordering of het bekomen van een vonnis gelet op de insolvabiliteit van de dader kennelijk onredelijk lijkt, kan de commissie oordelen dat de door de verzoeker aangehaalde redenen voldoende zijn om hem te ontslaan van de in 3° en 4° voorziene voorwaarden. "

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Voor het door verzoeker gevraagde bedrag voor het verlies aan ‘maaltijdcheques' meent de Commissie evenmin een hulp te moeten toekennen nu dergelijke post afhangt van prestaties die niet werkelijk verricht werden.

De post ‘morele schade' daarentegen moet als een vorm van morele schade gezien worden voortspruitend uit de feiten an sich (onder bedreiging van een vuurwapen pillen innemen met whisky en het roken van een joint) en komt derhalve niet in aanmerking voor een financiële hulp volgens de Commissie, zonder dat zij hiermee de impact van de feiten op de psyche van verzoeker wil minimaliseren.

Immers, mocht de Commissie tóch een hulpbedrag toewijzen voor deze post, dan zou dubbel gebruik worden gemaakt van artikel 32, §1, 1° op grond waarvan reeds een hulp voor TWO moreel en B.I. moreel gevraagd wordt.

Terzake de gevorderde ‘rechtsplegingsvergoeding' merkt de Commissie het volgende op. Uit de dossierstukken blijkt dat de raadsman van verzoeker optrad in de gerechtelijke procedure in opdracht van verzekeringsmaatschappij P&V. Welnu, indien een advocaat tussenkomt voor een slachtoffer, voor wie hij/zij zich burgerlijke partij stelde voor de correctionele rechtbank, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, dan komt de rechtsplegingsvergoeding,indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede. In die omstandigheden een hulp toekennen voor de rechtsplegingsvergoeding zou indruisen tegen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van de hulpbedragen rekening te houden met de door verzoeker genoten tussenkomst door de verzekeraar (euro 7.500 uit in het kader van de waarborg ‘insolventie van derden'). Verzoeker vraagt om deze tussenkomst toe te rekenen op de schadeposten die, zoals hierboven vermeld, niet opgenomen zijn in de limitatieve opsomming van art. 32, §1.

De Commissie kan - desgevallend - bij de bepaling van het hulpbedrag deze uitkering in eerste instantie toerekenen op schadeposten die conform de wet niet in aanmerking komen voor toekenning van een hulp. Zij is hierin echter, bij gebreke aan enige wettelijke verplichting daartoe, volstrekt soeverein. Voor zover de Commissie van oordeel is om een dergelijk verzoek in overweging te nemen, moet dit uiteraard worden afgewogen tegen het subsidiariteitsbeginsel en onderworpen aan de billijkheidstoets. Hierbij wordt dan rekening gehouden met alle gegevens van het dossier en niet louter met een mathematische constructie.

Zoals reeds gesteld verzekert de Commissie geen integrale schadeloosstelling. In het voorliggend dossier komt zij tot de bevinding dat verzoeker reeds voor een substantieel deel van zijn nadeel werd schadeloos gesteld.

In die optiek, rekening houdend enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten en de ontvangen verzekeringstussenkomst, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 1.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 1.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 17 april 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 25 februari 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.