- Decision of April 26, 2012

26/04/2012 - M191003/6968

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Op 7 april 2005 werd verzoeker, politie-inspecteur, gevraagd voor een politionele tussenkomst in het A. Ziekenhuis alwaar de genaamde Johan Z. werd opgenomen ter verzorging doch er zich bijzonder agressief en onhandelbaar opstelde t.a.v. het verplegend personeel.

Toen verzoeker hem naar zijn dienstvoertuig leidde, wilde Z. de benen nemen en schopte verzoeker tegen de mond waardoor deze gewond werd aan zijn lip en een stuk tand verloor.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 15 november 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden onder meer de volgende tenlasteleggingen bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Johan Z. (° 1980), verstekmakend en waarvoor deze veroordeeld werd tot 6 maanden gevangenisstraf:

"Verdacht van: te ... op 7 april 2005:

A. In de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening, aan X. Kurt, inspecteur bij de politiezone ..., drager of agent van de openbare macht, slagen toegebracht te hebben met de omstandigheid dat de slagen, bloedstorting, verwondingen of ziekte veroorzaakt hebben.

B. Tegen D. Robin, X. Kurt, V. Erik en De S. Johan, allen inspecteurs bij de politiezone ..., dragers of agenten van de openbare macht, wanneer zij handelden ter uitvoering van de wetten, van de bevelen of de beschikkingen van het openbaar gezag, van rechterlijke bevelen of van vonnissen, weerspannigheid zijnde elke aanval, elk verzet met geweld of bedreiging te hebben gepleegd, de weerspannigheid gepleegd zijnde door een enkele persoon, niet voorzien van wapens."

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoeker de provisie van euro 500 meer de gerechtelijke rente.

Dr. G. V. werd aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

Het vonnis bekwam strafrechtelijk kracht van gewijsde (attest griffie).

De procedure ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd niet verder nagestreefd.

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. G. V. in zijn verslag van 18/12/2006:

I. De letsels

M. X. liep op 7 april 2005 door een schop op de mond volgende letsels op:

- een kroonbreuk van tand 22, met verlies van de helft van de kroon,

- een niet-persisterende glazuurbarst op dezelfde tand

- een wonde op de linker bovenlip.

II. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid

Er was een effectief werkverlet van 1 dag.

De letsels veroorzaakten een TAO, zo in algemene zin als beroepshalve van:

100% van 07/04/2005 t/m 08/04/2005

30% van 09/04/2005 t/m 15/04/2005

20% van 16/04/2005 t/m 30/04/2005

10% van 01/05/2005 t/m 31/05/2005

III. De consolidatiedatum

De letsels kunnen als geconsolideerd worden beschouwd per 1 juni 2005.

IV. De blijvende arbeidsongeschiktheid

Er is GEEN blijvende arbeidsongeschiktheid, zo in algemene zin als beroepshalve.

Wel is een BLIJVENDE INVALIDITEIT aanvaardbaar, te ramen op EEN percent.

V. Verdere nuttige terzake dienende inlichtingen

Tandschade

Zie verslag LTH Q. in bijlage 1

Psychische weerslag

Enige psychische weerslag is aanvaardbaar

Bespreking door dr. A.-M. Q., tandarts, dd. 20/04/2006

1. Door het trauma op 07.04.2005 werd bij dhr. X. Kurt tandelement 22 voor de helft gefractureerd in het kroongedeelte (volgens anamnese en volgens verslag collega G.).

2. Als prothetische voorziening kan hiervoor een VMK kroon geplaatst worden op tandelement 22 (dit is porcelein gebakken op spaarlegering goud).

3. Bij het klinisch onderzoek van collega F., in opdracht van collega G., op 19.05.2005, d.w.z. 6 weken na het trauma, bleek tandelement 22 nog vitaal, er was blijkbaar geen percussiegevoeligheid, het element bleek niet mobiel en er was nog geen verdere behandeling gestart door de behandelende tandarts. Wij vernamen, bij de anamnese, dat tandelement 22, na het trauma, geen pijngevoeligheid vertoonde behalve een gevoeligheid bij koude.

Gelet op al deze factoren zien wij niet in dat er een noodzaak was om op tandelement 22 een endodontische behandeling uit te voeren. De endodontische behandeling uitgevoerd in de loop van mei 2005 (na 19 mei 2005) door collega V., kunnen wij derhalve, zonder verdere bewijsvoering, niet aanvaarden als zijnde causaal aan het trauma van 07.04.2005. Deze behandeling was een keuze van de behandelende tandarts, doch geen noodzakelijk behandeling.

4. Gezien op tandelement 23 geen enkel traumatisch letsel werd toegebracht door het trauma van 07.04.2005.

Gezien dhr. X. anamnetisch verklaart dat er oorspronkelijk een diasteen was tussen element 22 en 23, en dit op RX zichtbaar is.

Gezien door de blokkering van tandelementen 22 en 23 met VMK kronen de situatie in de mond esthetisch mooier is geworden, kunnen wij besluiten dat de verblokking van elementen 22 en 23 met VMK kronen wellicht wegens esthetische redenen is uitgevoerd doch niet wegens redenen, causaal aan het trauma op 07.04.2005.

Opmerking

Indien door het trauma op tandelement 22 de kroonfractuur in die orde van grootte zou geweest zijn, dat er geen kroon meer zou kunnen geplaatst geworden zijn, dan zou men hebben moeten overgegaan tot het plaatsen van een stiftopbouw of stifttand. In dit geval was een endodontische behandeling wel noodzakelijk geweest, quod non in deze behandeling.

Gezien er geen opbouw of stifttand werd geplaatst op element 22, kunnen wij besluiten dat het mogelijke letsel na/door het trauma nog altijd de plaatsing van een kroon mogelijk maakte, reden waarom wij de orthodontische behandeling niet aanvaarden als gevolg van het trauma.

5. Gezien er op tandelement 23 een endodontische behandeling werd uitgevoerd (totaal niet lege artis) en dit element geen traumatisch letsel vertoonde, kunnen wij hieruit afleiden dat door collega V. blijkbaar meestal standaard een endodontische behandeling wordt gedaan alvorens een VMK kroon te plaatsen, dit evenwel zonder klinische noodzaak.

6. Gezien de noodzaak tot het uitvoeren van een endodontische behandeling op element 23 niet aanwezig was na het trauma, kunnen ook de eventuele complicaties, dewelke hieruit zouden voortvloeien (vb. granulumvorming met noodzaak tot her- behandeling) niet aan het trauma worden toegewezen.

7. Kostprijs:

a) 14.04.2005 raadpleging + RX opname euro 29,00

b) Plaatsen VMK kroon op tandelement 22 euro 560,00

c) Deze VMK kroon dient elke 15 jaar te worden vernieuwd.

Dit wil zeggen nog 2 vernieuwingen: euro 560 x 2 euro 1.120,00

euro 1.709,00

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. Er werd euro 500 afbetaald (de toegewezen provisie). De veroordeelde werd op 18 augustus 2008 door de arbeidsrechter toegelaten tot het systeem van collectieve schuldenregeling. Op 4 mei 2009 is de veroordeelde onverwachts overleden.

IV-2. De feiten vonden plaats tijdens en door de uitoefening van het ambt. Ze werden als arbeidsongeval erkend. De Gerechtelijke Geneeskundige Dienst stelde consolidatie van de letsels vast op 20 april 2006 met 0% blijvende arbeidsongeschiktheid.

Zoals uit de stukken blijkt kwam ETHIAS als arbeidsongevallenverzekeraar tussen in de lichamelijke schade (hoofdzakelijk prothesekosten t.b.v. euro 508,04) en voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid (loonverlies??) op 7 en 8 april 2005 (2 x euro 93,17 = euro 186,34).

IV-3. Verzoeker heeft bij ETHIAS ook een rechtsbijstandpolis afgesloten. Conform de waarborg ‘onvermogen van derden' keerde ETHIAS volgende tussenkomsten uit (in totaal euro 2.730):

- TWO moreel euro 230,00

- B.I. (1% x euro 1.750) euro 1.750,00

- esthetische schade (1/7) euro 250,00

- psychisch-emotionele schade euro 500,00

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 6.786,82.

- administratie en verplaatsingskosten euro 125,00

- medische kosten euro 657,96

i. kwijtschrift geneeskundige verstrekkingen : euro 1.066,00

ii. kwijtschrift geneeskundige verstrekkingen : euro 100,00

min tussenkomst - euro 508,04

- toekomstige tandschade euro 2.132,00

" Dat er voor de toekomst eveneens nog materiële schade dient

te worden verwacht daar, voor wat de 2-voudige porseleinen kroon

op termijn, na vermoedelijk gemiddeld 15 jaar, als verloren moet

worden beschouwd en deze zal dienen te worden vervangen.

-> 2 x euro 1.066 "

- TWO moreel euro 230,00

- B.I. (1% x euro 1.750) euro 1.750,00

- esthetische schade (1/7) euro 250,00

- economische schade huishouden euro 56,41

- psychisch-emotionele schade euro 500,00

- intresten euro 1.809,80

- RPV euro 375,00

Subtotaal euro 7.886,17

te verminderen met ontvangen provisie - euro 500,00

Opmerking: Deze begroting werd opgesteld op het ogenblik van neerlegging van het verzoekschrift.

Een half jaar later is ETHIAS overgegaan tot vergoeding van bepaalde schadeposten (zie rubriek IV-3).

VI. Beoordeling door de Commissie

VI-1. Ontvankelijkheid

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Minister van Justitie adviseert om het verzoekschrift af te wijzen als niet-ontvankelijk op grond van het vroegere artikel 31bis, §1, 4° van de wet van 1 augustus 1985, zoals het in voege was op het ogenblik van de indiening. De ontvankelijkheid van een verzoekschrift dient immers beoordeeld te worden op grond van de wettelijke bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik van neerlegging (te meer nu de wijzigingswet van 30 december 2009 geen retroactieve bepalingen voorziet), luidend als volgt:.

"Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen."

Het vonnis dateert van 15 november 2005, het voorliggend dossier werd op 22 oktober 2009 bij de Commissie ingediend, d.i. méér dan drie jaar na het vonnis.

De verzoeker argumenteert dat hem bij (tussen)vonnis van 15 november 2005 slechts een louter provisionele schadevergoeding werd toegewezen en dat de burgerlijke belangen nog niet definitief zijn afgehandeld waardoor, volgens hem, de driejarige termijn nog niet beginnen lopen is.

De Commissie beperkt zich volledigheidshalve tot het formuleren van volgende opmerkingen nopens deze laatste redenering die zij enerzijds niet kan bijtreden maar die anderzijds haar relevantie verliest omdat het verzoekschrift wel degelijk ontvankelijk is, evenwel op andere gronden, zoals meteen zal blijken:

- het gegeven - dat bij vonnis van 15 november 2005 een provisie werd toegekend - doet geen afbreuk aan de vaststelling dat, bij gebreke aan een navolgend vonnis waaromtrent het initiatief aan de verzoekster toekomt, de burgerlijke belangen het laatst bij voormeld vonnis werden geregeld. Wanneer de bodemrechter zich definitief uitspreekt over de strafvordering neemt de vervaltermijn van drie jaar een aanvang op de datum van deze uitspraak. Slechts wanneer er later een uitspraak (al dan niet definitief) tussenkomt over de burgerlijke belangen, krijgt het slachtoffer dus het voordeel van een nieuwe vervaltermijn (zie RvS 13 oktober 2008, nr. 186.995);

- de Commissie kan de gedachtegang van verzoeker moeilijk volgen waar hij enerzijds stelt dat zijn verzoekschrift ontvankelijk is (hetgeen impliceert dat het als tijdig neergelegd moet worden beschouwd) terwijl anderzijds volgens hem de wettelijke vervaltermijn van drie jaar nog niet aangevat is bij ontstentenis van een eindvonnis op civiel vlak...Er moet tussen volgende twee uitgangspunten worden gekozen om de vervaltermijn te bepalen teneinde verdere verwarring uit te sluiten:

o ofwel beschouwt men de datum van het laatste vonnis (nl. 15/11/2005) als dies a quo van de driejarige termijn en is in dat geval het verzoek van 22/10/2009 laattijdig;

o ofwel beschouwt men de datum van het nog uit te spreken eindvonnis op civiel gebied als aanvangsdatum. In de laatste omstandigheid is het verzoek te vroeg neergelegd.

Bij arrest dd. 17 september 2009 nr. 137/2009 antwoordde het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag van de Raad van State (RvS 13 oktober 2008, nr. 186.995), die gevat was in een analoge ontvankelijkheidsproblematiek in commissiedossier M 70168, als volgt:

"Artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het het slachtoffer van opzettelijke gewelddaden niet toelaat bij de bij die wet opgerichte Commissie een verzoek om financiële hulp in te dienen binnen een termijn van drie jaar vanaf het ogenblik dat het kennis heeft van het overlijden van de dader en van de verwerping van diens nalatenschap door zijn erfgenamen, terwijl definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering en een provisionele schadevergoeding op burgerlijk vlak is toegekend en terwijl later geen uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen."

Bij arrest nr. 199.862 d.d. 25 januari 2010 van de Raad van State, werd de aanvankelijke beslissing dd. 25 februari 2008 van de Commissie in M 70168 dan ook vernietigd. In het arrest lezen we het volgende:

"[...]

6. Met zijn arrest nr. 186.995 van 13 oktober 2008 heeft de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld over de verenigbaarheid van artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 137/2009 van 17 september 2009 het volgend antwoord gegeven:

7. De Commissie heeft de aanvraag van de verzoeker onontvankelijk verklaard omdat zij niet ingediend was binnen de drie jaar na de uitspraak over de strafvordering en er na het vonnis van de correctionele rechtbank, waarin provisioneel over de burgerlijke vordering uitspraak gedaan werd, geen uitspraak over de burgerlijke vordering meer gebeurd is.

Het Grondwettelijk Hof heeft besloten dat artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 ongrondwettig is waar die bepaling een slachtoffer als de verzoeker niet toelaat bij de Commissie een aanvraag in te dienen binnen de drie jaar na de kennisneming van het overlijden van de dader en van de verwerping van zijn nalatenschap door de erfgenamen. De Commissie kon zich derhalve niet rechtsgeldig op die bepaling steunen om de aanvraag van de verzoeker te verwerpen. Het middel is gegrond."

Deze uitspraak van het Grondwettelijk Hof heeft overigens de invoeging van een nieuw artikel 31bis, §1, 6° in de wet van 1 augustus 1985 bewerkstelligd bij wetswijziging van 30 december 2009 (B.S. 15/01/2010):

"6° Wanneer de verzoeker door omstandigheden volledig buiten zijn wil om geen klacht kon indienen, de hoedanigheid van benadeelde partij niet kon aannemen, zich geen burgerlijke partij kon stellen, geen vordering kon instellen of geen vonnis kon bekomen of wanneer het instellen van een vordering of het bekomen van een vonnis gelet op de insolvabiliteit van de dader kennelijk onredelijk lijkt, kan de commissie oordelen dat de door de verzoeker aangehaalde redenen voldoende zijn om hem te ontslaan van de in 3° en 4° voorziene voorwaarden. "

De Commissie komt dan ook tot de bevinding dat het voorliggend verzoekschrift tijdig werd neergelegd nu de dader overleden is op 4 mei 2009. Zelfs indien verzoeker op die datum zelf op de hoogte zou zijn gebracht van het overlijden en zou deze dus als de dies a quo gelden, dan nog was de driejarige vervaltermijn verre van verstreken op datum van indiening van het verzoek, zijnde de dies ad quem.

Het verzoek is tevens regelmatig naar de vorm en het voldoet derhalve aan de wettelijke ontvankelijkheidsvereisten.

VI-2. Ten gronde

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985.

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De post ‘intresten' is daarbij niet opgenomen en komt dus niet in aanmerking voor een hulp.

Deze zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het principe - dat de bijzaak de hoofdzaak volgt - niet van toepassing is. Immers, de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade.

‘Economische schade huishouden' is evenmin opgenomen in de limitatieve lijst en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp.

Verzoeker vraagt een financiële hulp voor de ‘rechtsplegingsvergoeding'. Nog abstractie makend van het feit dat hem bij vonnis van 15/11/2005 geen RPV werd toegewezen, wordt opgemerkt dat hij een rechtsbijstandverzekering heeft afgesloten. De eventuele procedurekosten vallen dan ook ten laste van de verzekeringsmaatschappij.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van de wet van 1 augustus 1985 dient de Commissie bij de toekenning van een hulpbedrag rekening te houden met:

- de door de verzoeker genoten tussenkomst vanwege zijn verzekeraar voor de volgende vier schadeposten: TWO moreel, blijvende invaliditeit, esthetische schade en psychisch-emotionele schade;

- de door verzoeker genoten afbetaling ( euro 500) door de veroordeelde.

De feiten vonden plaats tijdens en door de uitoefening van het ambt. Ze werden als arbeidsongeval erkend. Verzoeker dient dus door de arbeidsongevallenverzekeraar te worden vergoed voor de materiële component van de schade, waarin begrepen de medische kosten en de toekomstige tandschade.

ETHIAS kwam tussen voor minder dan de helft ( euro 508,04) van de totale kosten ( euro 1.166). Voor het verschil ( euro 657,96) vraagt verzoeker een financiële hulp. Op de vraag van de verslaggever waarom ETHIAS slechts gedeeltelijk tussenkwam blijft verzoeker het antwoord schuldig.

Na bovenstaande aftrek van alle schadeposten die niet in aanmerking komen voor een financiële hulp, blijkt dat de enige resterende schadepost, zijnde de ‘administratie en verplaatsingskosten' ad

euro 125, beneden de wettelijke minimumdrempel van euro 500 ligt (art. 33, § 2, van de wet).

In die omstandigheden dient het verzoek als ongegrond te worden afgewezen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 april 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 22 oktober 2009 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.