- Decision of May 4, 2012

04/05/2012 - M11-7-0841/8361

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Op 13 november 2006 overleed mevrouw Diana X. (° 1953), zuster van verzoekster.

Uit het medicolegaal onderzoek, in het bijzonder het letselpatroon, en het sporenonderzoek, inclusief DNA, hebben de feiten, volgens de meest plausibele hypothese, zich als volgt voorgedaan:

- Een ruzie met handgemeen waarbij X. Diana talrijke klappen, zeer

waarschijnlijk meerdere slagen met de sierpook (waarop DNA van X. Diana en

Z. Mathias), op het gelaat heeft gekregen, en waarbij talrijke slagen werden

geïncasseerd door de beschermend opgeheven armen, en dit vermoedelijk minstens voor

een deel in liggende houding;

- Het slachtoffer heeft, op de grond gelegen met het hoofd voor de sierschouw, liggen

bloeden, vermoedelijk als gevolg van een bloedneus; er werd ook met de sierpook

'gestoken' naar het onderbeen;

- Het slachtoffer werd eveneens gewurgd, waarschijnlijk nog in het salon;

- Het slachtoffer werd, zeer vermoedelijk na overlijden en dus na het stoppen van de

bloeding (vanwege ontbreken van hartslag), op de rug bij de enkels (DNA van Z.

Mathias op de linker enkel) de keldertrap afgesleurd (schaafwonden en cementafzetting,

vooral op de bovenrug).

II. Vervolging

Bij arrest dd. 30 september 2008 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te ... werd Mathias Z. (° 1945), in verdenking gesteld van "opzettelijk, met het oogmerk om te doden en met voorbedachten rade, X. Diana, geboren te Vliermaalroot op 25 juni 1953, gedood te hebben", verwezen naar het Hof van Assisen van de Provincie ....

Op 20 juli 2009 overleed de inverdenkinggestelde.

De zaak was nog niet vastgesteld voor het Hof van Assisen te .... Als reden wordt opgegeven dat een 5 tal dikke Engelse kaften op dat ogenblik nog niet vertaald waren.

Verzoekster had zich (nog) geen burgerlijke partij gesteld.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De dader is overleden. Uit een ander verzoekschriftdossier, ingeleid voor een Franstalige kamer van de Commissie, blijkt dat betrokkene bij leven onvermogend was. Hij had al eerder een gevangenisstraf van 20 jaar uitgezeten wegens moord en bijkomende schulden gemaakt na het plegen van andere misdrijven.

Uit een solvabiliteitsonderzoek dd. 16/12/2010 uitgevoerd door een gerechtsdeurwaarder blijkt dat een beslagprocedure op 1/8 van een onroerend goed waarvan de overledene eigenaar was, meer kosten dan opbrengsten zou genereren.

III-2. Verzoekster heeft een familiale polis afgesloten bij ETHIAS maar deze komt niet tussen. Conform de polisvoorwaarden wordt enkel een vergoeding gewaarborgd wanneer een bedrag toegekend is door een rechtbank (quod non).

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster, niet-inwonende zuster van het slachtoffer, vraagt om de toekenning van een hulp van

euro 4.000.

- morele schade euro 3.750,00

- administratie en verplaatsingskosten euro 50,00

- begrafeniskosten (begrafeniskledij) euro 200,00

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Verzoekster heeft zich geen burgerlijke partij gesteld en voldoet derhalve niet aan de ontvankelijkheidsvereiste vervat in artikel 31bis, §1, 4° van de wet. Echter, de inverdenkinggestelde overleed nog vóór de vaststelling van de zaak voor het Hof van Assisen. In die omstandigheden oordeelt de Commissie dat overmacht kan aanvaard worden op grond van artikel 31bis, §1, 6°:

" Wanneer de verzoeker door omstandigheden volledig buiten zijn wil om geen klacht kon indienen, de hoedanigheid van benadeelde partij niet kon aannemen, zich geen burgerlijke partij kon stellen, geen vordering kon instellen of geen vonnis kon bekomen of wanneer het instellen van een vordering of het bekomen van een vonnis gelet op de insolvabiliteit van de dader kennelijk onredelijk lijkt, kan de commissie oordelen dat de door de verzoeker aangehaalde redenen voldoende zijn om hem te ontslaan van de in 3° en 4° voorziene voorwaarden. "

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 2, van de wet van 1 augustus 1985.

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 2°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten;

3° het verlies aan levensonderhoud voor personen die op het ogenblik van de gewelddaad ten laste waren van het slachtoffer;

4° de begrafeniskosten;

5° de procedurekosten;

6° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren.

Beschouwt men de gevorderde ‘rouwkledij' als een ‘materiële kost', dan dient te worden opgemerkt dat dergelijke post niet opgenomen is in de limitatieve opsomming van artikel 32, § 2, evenmin als de ‘ administratie- en verplaatsingskosten'. Beide posten komen dan ook niet in aanmerking voor een hulp vanwege de Commissie.

Categoriseert men daarentegen de ‘rouwkledij' onder de ‘begrafeniskosten', dan dient het volgende te worden opgemerkt. Aangezien de begrafeniskosten in strikte zin ten laste werden genomen door de zoon van het overleden slachtoffer en aangezien deze meer dan euro 2.000 beliepen, d.w.z. hoger dan het wettelijk maximumbedrag (artikel 32, § 2, 4°, van de wet juncto artikel 2, eerste lid, van het K.B. van 18 december 1986) meent de Commissie dat het billijk is om een financiële hulp toe te kennen aan degene die de eigenlijke begrafeniskosten gedragen heeft.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Rekening houdende enerzijds met alle omstandigheden van de zaak en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 2.000.

In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 2.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 4 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 augustus 2011 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.