- Decision of July 17, 2012

17/07/2012 - M11-7-0080/7934

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Verzoeker werd op 18 mei 2008 zonder enige aanleiding aangevallen door de genaamde Kurt Z., de ex van zijn vriendin.

Z. sloeg verzoeker ter hoogte van het linkeroog en sleurde hem uit de geparkeerde wagen waarin deze zat. Daardoor smakte verzoeker tegen de grond waarna Z. hem ook nog schopte.

"Hij wijtte zijn agressie aan het feit dat zijn ex hem de week voordien weer hoop had gegeven en toen toch geconfronteerd werd met een nieuwe vriend in haar leven" (vonnis 24/06/2009 f° 4).

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 24 juni 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Kurt Z. (° 1969), verstekmakend en waarvoor deze veroordeeld werd tot 6 maanden gevangenisstraf:

"Verdacht van: te ... op 18.05.2008:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Patrick die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge had. "

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij arrest dd. 21 oktober 2010 van het Hof van Beroep te ... de genaamde Z., opnieuw verstekmakend, veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van euro 2.992,19 meer de intresten en 2 x een RPV van euro 375 (eerste aanleg + hoger beroep).

- administratiekosten euro 62,00

- kledijschade euro 100,00

- medische kosten (persoonlijke opleg) euro 224,19

- brilschade euro 750,00

- TWO moreel euro 531,00

- inkomstenverlies * euro 875,00

- economische schade huishouden euro 450,00

Dit arrest bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

* "Wat de vordering wegens inkomstenverlies betreft is het Hof van oordeel dat er gedurende de periode van volledige werkonbekwaamheid van 19 mei 2008 tot en met 22 juni 2008 (35 dagen) wel degelijk een verlies aan inkomsten moet zijn geweest. De burgerlijke partij Patrick X. is zelfstandig schrijnwerker. Naar het oordeel van het Hof geven de voorgelegde overtuigingsstukken (kwartaalaangifte BTW en attest boekhouder) geen reëel beeld van het werkelijk (netto-) inkomstenverlies dat deze burgerlijke partij ingevolge de feiten heeft geleden. Bij gebreke aan meer gedetailleerde stukken hieromtrent (zoals de aangifte in de personenbelasting) dringt een begroting ex aequo et bono zich op.

Een vergoeding van 25,00 euro per dag, aldus gebracht op (25 x 35) = 875,00 euro komt het Hof passend en gerechtvaardigd voor. " (arrest 21/10/2010, f° 3).

III. Gevolgen van de feiten

Dr. L. V., dienst orthopedie Stedelijk Ziekenhuis ..., stelde op 19/05/2008 volgende letsels vast:

- forse hematoom en zwelling linkeroog

- multipele schaafwonden aangezicht

- diffuse drukpijn aangezicht

- lichte zwelling rechterpols

- drukpijn distale radius

- geen deformiteit

- normale mobilisatie pols

Besluit:

Geen posttraumatische botletsels ter hoogte van cervicale wervelzuil en ter hoogte van pols.

Noch ter hoogte van maxillofaciaal massief

Intracranciele Dense zone ter hoogte van de linker temporo-occipitale overgang: waarschijnlijk calcificatie in de plexus choroideus.

Volgens diverse medische attesten:

Verzoeker was 1 dag gehospitaliseerd (18 mei 2008) en 35 dagen volledig arbeidsonbekwaam van 19 mei tot en met 22 juni 2008

Volledig genezen sinds 23 juni 2008 zonder restletsels.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder stelde op 3 januari 2011 een attest van onvermogen op: ten laste van de veroordeelde zijn geen roerende uitvoeringsmogelijkheden aanwezig.

IV-2. Verzoeker heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij Mercator. Deze komt wel tussen in de procedure- en advocatenkosten maar niet in de schadevergoeding (enkel bij verkeersongevallen).

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 2.992,19 conform het arrest (zie rubriek II).

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

Zoals door de verslaggever opgemerkt in het verslag van 1 februari 2012 is de post ‘economische schade huishouden' niet opgenomen in de limitatieve lijst, hetgeen impliceert dat deze schade bijgevolg niet in aanmerking komt voor een financiële hulp.

Dit is ook het standpunt van de Minister van Justitie.

Verzoeker deelt deze mening niet: " Als enige reactie wenst mijn cliënt er op te wijzen dat artikel 31,§ 1 van de wet van 1 augustus 1985 volgens hem wel voorziet in een tussenkomst voor de post 'economische schade huishouden' en wel onder punt 3° van het bewuste artikel.

Daarin wordt namelijk voorzien dat uw Commissie voor de toekenning van hulp onder meer steunt op 'tijdelijke of blijvende invaliditeit' als bestanddeel van de geleden schade.

Welke andere schade zou met dit derde punt van artikel 31, §1 van de wet van 1 augustus 1985 kunnen worden bedoeld als men weet dat de morele schade ingevolge tijdelijke of blijvende invaliditeit voorzien wordt onder punt 1, de medische kosten onder punt 2 en de inkomensschade onder punt 4? Ook de esthetische schade wordt in een apart nummer (5) voorzien.

Ook uit de voorbereidende werkzaamheden blijkt niet dat de wetgever deze post, die toch een vast onderdeel uitmaakt van de Indicatieve Tabel, heeft willen uitsluiten bij vergoeding door uw Commissie.

Mocht uw Commissie toch van mening zijn dat de wet van 1 augustus 1985 geen tussenkomst voorziet voor 'economische schade huishouden' dan verzoekt mijn cliënt volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

Schendt artikel 32 § 1 van de wet betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden van 1 augustus 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die interpretatie dat het voor slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, die ten gevolge van deze gewelddaden (tijdelijk) geen of in beperkte mate huishoudelijke arbeid kunnen uitoefenen, de schadeloosstelling van dit bestanddeel van hun schade uitsluit, terwijl andere slachtoffers van opzettelijke gewelddaden wel alle bestanddelen van hun schade in overweging kunnen laten nemen bij de bepaling van hun vergoeding conform de wet van 1 augustus 1985? "

De Commissie, die niet gehouden is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, meent immers dat in voorliggend verzoekschriftdossier het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om een uitspraak ten gronde te doen en dit omwille van de redenen hierna uiteengezet.

Zo kan meteen worden opgemerkt dat de these van verzoeker - namelijk dat een ongelijkheid of discriminatie wordt gegenereerd tussen, enerzijds, "slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, die ten gevolge van deze gewelddaden (tijdelijk) geen of in beperkte mate huishoudelijke arbeid kunnen uitoefenen, de schadeloosstelling van dit bestanddeel van hun schade uitsluit") en, anderzijds, "andere slachtoffers van opzettelijke gewelddaden wel alle bestanddelen van hun schade in overweging kunnen laten nemen" - niet lijkt op te gaan nu artikel 32 van de wet van

1 augustus 1985 bepaalt: "Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade: "

Het limitatief karakter van de opsomming die daarna volgt impliceert nu net niet dat "andere slachtoffers van opzettelijke gewelddaden wel alle bestanddelen van hun schade in overweging kunnen laten nemen."

Er kan nog worden verwezen naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 waarin expliciet werd benadrukt dat "de Commissie geen integrale schadeloosstelling verzekert, maar een billijke financiële hulp toekent voor de schadeposten die ruim, maar niettemin limitatief zijn opgesomd in artikel 32" (verantwoording regeringsamendement, Parl. St. Kamer 2001-2002, DOC 50, 0626/002, p. 11). De notie ‘uitsluitend', voorkomend in §1 van artikel 32 van de wet van 1 augustus 1985, impliceert dat het gaat om "een limitatieve lijst van schadeposten waarvoor een hulp kan worden toegekend" (verantwoording regeringsamendement, Parl. St. Kamer 2001-2002, DOC 50, 0626/004, p. 3).

In het merendeel van de beslissingen die de Commissie uitspreekt worden bij de evaluatie van de schade dan ook een of meerdere posten geweerd die niet op de limitatieve lijst voorkomen. Een financiële hulp voor de ‘economische schade huishouden' werd tot heden door de Commissie nooit

- zonder uitzondering - toegekend.

‘Economische schade huishouden' heeft betrekking op het niet meer of minder goed kunnen uitvoeren van het huishoudelijke werk of van de vroegere, gebruikelijke huishoudelijke activiteiten en dit als gevolg van de schadeverwekkende daad. In gemeenrecht kan men vergoed worden voor één van beide componenten van deze schadepost, eventueel voor beide componenten samen:

1) voor het niet meer kunnen verrichten van de huishoudelijke taak: een vergoeding voor het verlies aan economische waarde als huisman of huisvrouw;

2) voor het minder goed kunnen verrichten van de huishoudelijke taak: een vergoeding voor het leveren van meerinspanningen bij dergelijke handelingen.

Deze schadepost is dus nauw verweven met een andere schadepost, namelijk de ‘meerinspanningen' .

De analogie met de ‘meerinspanningen' (eveneens als de ‘economische schade huishouden' opgenomen onder hoofdstuk II. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid/invaliditeit van de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters) wordt hier aangehaald omdat die post volgens de Raad van State terecht door de Commissie geweerd wordt bij de beoordeling ten gronde van de hulpaanvraag: zie arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Aangezien uit het bovenstaande voldoende duidelijk blijkt dat ‘economische schade huishouden' bij ontstentenis van een expliciete opname in de limitatieve lijst van artikel 32, §1 niet in aanmerking komt voor een financiële hulp waardoor een prejudiciële vraag - zelfs indien deze zorgvuldiger zou geformuleerd worden - niet aan de orde is, gaat de Commissie op dit verzoek niet in.

Terzake de vraag tot financiële hulp voor de resterende schadeposten die wél in aanmerking komen meent de Commissie, rekening houdende met de ernst van de feiten en de opgelopen schade, aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 2.550.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 2.550.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 17 juli 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 25 januari 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.