- Decision of August 7, 2012

07/08/2012 - M12-1-0181/8769

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

De heer Whalid X. (° ../../1984, Tunesiër, bij leven woonachtig te ...), zoon van verzoeker, wordt op 28 oktober 2010 in een café te ... slachtoffer van een steekpartij "omwille van een banale ruzie over een vermeende diefstal van een fiets" (vonnis 24/06/2011) en overlijdt ter plaatse als gevolg van massief uitwendig bloedverlies.

Vonnis 24/06/2011, f° 3 en 4

Op 28 oktober 2010 doet zich omstreeks 13.00 uur een steekpartij voor in café N. A. met dodelijke afloop.

Voorafgaand aan de fatale steekpartij had zich een verbale discussie voorgedaan in een ander café S. B. tussen het latere slachtoffer Walid en eerste beklaagde, waarbij ook slagen zouden zijn gevallen. Nadien gingen beide mannen ieder hun eigen weg.

Getuige Amari Y. en zijn broer Rida kunnen bevestigen dat voor de steekpartij er inderdaad een ruzie is geweest in cafe S. B. tussen het latere slachtoffer en eerste beklaagde, dat de ruzie op straat verder werd gezet, dat er een handgemeen is geweest en Walid enkele slagen heeft uitgedeeld. Zij hoorden eerste beklaagde en zijn gezel zeggen dat ze Walid gingen kapot maken.

Ooggetuige Amarti zag in café N. A. twee mannen binnenkomen, waarvan één een groot mes in de hand had. Zij dreven het latere slachtoffer in het nauw en beiden manipuleerden het tafelvoetbalspel zodanig dat de man niet meer kon wegvluchten. De getuige zag de aanvaller, eerste beklaagde, met het mes slaan, waarbij hij de voorarm van het slachtoffer raakte en hij zag hem nadien nog onderhands steken. Dit moet volgens de getuige onder aan het lichaam zijn geweest.

De getuige verklaart verder dat de aanvaller ook nog een omstaander, die tussen beide trachtte te komen, bedreigde met de woorden: «ga uit de weg of ik steek u ook neer!"

Getuige Hadjri bevestigt dat in café N. A. twee mannen binnenkwamen, waarvan eerste beklaagde een groot mes vast had, die de fatale steek toebracht.

Tweede beklaagde bevestigt dat eerste beklaagde van boven naar beneden met het groot vleesmes inhakte op het slachtoffer.

Ook uit de verklaring van Hammami, die het aanspreekpunt is van de Tunesische gemeenschap, blijkt dat eerste beklaagde hem na de steekpartij opbelde met de mededeling dat hij de man had neergestoken.

Toen hij vernam dat de man overleden was, wijzigde hij zijn verklaring en hield voor dat het tweede beklaagde was die gestoken had.

De resultaten van de wedersamenstelling en de vaststelling van de wetsgeneesheer in verband met de aard en plaats van de steekverwondingen zijn compatibel met de verklaringen van de getuigen, die deze verklaringen ook herhaalden tijdens de wedersamenstelling.

De rechtbank is op grond van al deze gegevens van oordeel dat het bewezen is dat eerste beklaagde de dodelijke steekwonde heeft toegebracht en tweede beklaagde aan dit feit mededader is doordat hij mee voordien opgeroepen heeft het slachtoffer een lesje te leren en hij mee met eerste beklaagde het slachtoffer in het café zodanig heeft geblokkeerd dat deze niet meer kon wegvluchten.

Beklaagden beroepen zich op uitlokking door het slachtoffer en verwijzen naar de voorafgaande ruzie in het andere café en op straat.

De getuigen van deze ruzie spreken over een verbale discussie die uitmondde in toebrengen van wederzijdse slagen.

Geen van de getuigen verklaart dat de door het slachtoffer toegebrachte slagen van dusdanige aard waren dat zij kunnen beschouwd worden als zware gewelddaden die onmiddellijk de latere verwondingen met het mes zouden kunnen verschonen.

Het staat vast dat na de eerste ruzie beide partijen uit elkaar gingen, waarop eerste beklaagde contact maakte met tweede beklaagde en zij beiden het voornemen uitten om het slachtoffer een lesje te leren, waarbij eerste beklaagde zich voorziet van een mes.

In die omstandigheden kan bezwaarlijk sprake zijn van uitlokking.

De feiten zoals omschreven in de dagvaarding zijn in hoofde van de beide beklaagden bewezen.

II. Vervolging

Bij arrest dd. 20 oktober 2011 van het Hof van Beroep te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Khaled Z. (° 1981) en Houssem W. en waarvoor beiden veroordeeld werden tot 5 jaar gevangenisstraf:

"Te ... op 28 oktober 2010:

Hetzij door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd;

Met voorbedachten rade, opzettelijk doch zonder het oogmerk om te doden, slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan X. Whalid, geboren op ../../1984, de slagen of verwondingen hebbende diens dood veroorzaakt. "

Op burgerlijk vlak werden Z. en W. bij zelfde arrest solidair veroordeeld tot betaling aan:

- verzoeker (vader v/h slachtoffer) in eigen naam: - euro 7.500 moreel

- euro 1.000 RPV

- huwgemeenschap verzoeker + echtgenote Fadhila T.:

- euro 250 schade ex haerede

- euro 250 kledijschade

- euro 1.950 begrafeniskosten

- euro 200 RPV

Tevens bevestigde het arrest het bestreden vonnis in 1ste aanleg inzoverre het Z. en W. veroordeelde tot betaling aan de 7 burgerlijke partijen als gezamenlijke rechtsplegingsvergoeding de som van euro 1.210.

Het arrest bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 24/01/2012 weten dat uitvoering van het arrest niet mogelijk is.

De veroordeelde W. heeft geen officieel adres in België en op zijn zogezegde verblijfplaats is geen enkele aanduiding van hem aan te treffen.

Z. zit nog in de gevangenis.

III-2. Verzoeker verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker, de niet-inwonende vader van wijlen het slachtoffer, vraagt om de toekenning van een hulp van euro 11.442,12.

- morele schade euro 7.500,00

- schade ex haerede euro 250,00

- kledijschade euro 250,00

- begrafeniskosten euro 1.950,00

- procedurekosten (RPV) euro 1.000,00

- intresten euro 492,12

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene" (art. 31, 2°, W. 1.08.1985) voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 2, met name:

1° de morele schade;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten;

3° het verlies aan levensonderhoud voor personen die op het ogenblik van de gewelddaad ten laste waren van het slachtoffer;

4° de begrafeniskosten;

5° de procedurekosten;

6° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren.

De gevorderde posten ‘intresten', ‘schade ex haerede' en ‘kledijschade' zijn niet opgenomen in deze lijst en komen bijgevolg niet in aanmerking voor een hulp. Nopens de ‘intresten' kan nog worden opgemerkt dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt hier niet van toepassing is. Immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de ‘intresten' werd trouwens bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006 (G. Bijnens t./ Belgische Staat).

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers. Wat dit betreft houdt de Commissie tevens rekening met de geografische afstand tussen de woonplaats van het rechtstreeks slachtoffer en dat van de verzoeker.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 4.450.

In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 4.450.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 7 augustus 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 23 februari 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.