- Decision of October 30, 2012

30/10/2012 - M12-5-0593/8996

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Op 8 april 2009 werd verzoeker in ‘Café B. M.' te ... in het hoofd geschoten door de heer Selçuk Z.. De feiten zouden kaderen binnen het drugsmilieu (zie verder punt VI).

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 23 maart 2011 werd de heer Selçuk Z. wegens het plegen van de sub I vermelde feiten (gekwalificeerd als poging tot doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar (waarvan drie jaar effectief).

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van een provisie van euro 15.000 meer intresten aan verzoeker. Tevens werd Dr. X. Janssens als deskundige aangesteld, met de gebruikelijke opdracht.

Tegen alle beschikkingen van dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door alle partijen, maar bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 27 december 2011 werd het bestreden vonnis zowel op strafgebied als op burgerlijk gebied bevestigd.

Bij gebrek aan financiële middelen van verzoeker werd de deskundige nooit in werking gesteld.

III. Gevolgen van de feiten

Verzoeker werd met zware verwondingen t.h.v. de neus en het rechteroog in levensgevaar afgevoerd naar de dienst spoedgevallen van het UZ te .... Hij overleefde de aanslag, maar zijn rechteroog kon niet meer gered worden.

Sinds de feiten lijdt verzoeker aan ernstige angstsymptomen en hevige hoofdpijnen.

Teneinde de fysieke en psychische gevolgen van de op verzoeker gepleegde gewelddaden te bepalen, werd Dr. Janssens als deskundige aangesteld. Verzoeker vraagt via huidig verzoekschrift om de toekenning van een noodhulp teneinde de deskundige te provisioneren.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Het sub II vermeld arrest werd bij deurwaardersexploot d.d. 3 april 2012 aan de heer Z. betekend met bevel tot betalen, maar uit een schrijven van gerechtsdeurwaarder S. d.d. 5 mei 2012 blijkt dat de heer Z. vermoedlijk onvermogend is (hij heeft geen voertuig op zijn naam staan; het onroerend goed dat hij bezat werd verkocht; er zijn meerdere schuldeisers).

Bij gebrek aan financiële middelen van verzoeker werden verdere uitvoeringspogingen gestaakt.

Verzoeker beschikt niet over enige verzekering die de geleden schade dekt.

V. Begroting van de gevraagde noodhulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een noodhulp van euro 2.500 teneinde de gerechtdeskundige te provisioneren.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

In verband met de aanleiding voor de schietpartij staat op blz. 5 van het vonnis d.d. 23 maart 2011 het volgende te lezen:

"Wanneer het slachtoffer een derde maal wordt verhoord, komt hij voor het eerst, hiertoe aangespoord door zijn vriendin die er op aandringt dat hij de volledige waarheid zou vertellen, met een mogelijk motief op de proppen (p. 34 e.v. - kaft B/4 van het strafdossier). Hij vertelt dat de beklaagde hem in de loop van de maand februari vroeg of hij geïnteresseerd was om cocaïne te verkopen. De beklaagde gaf hem 200 gram die hij hem wilde verkopen voor 38,00 euro per gram of voor 7 600,00 euro in totaal. X. zou de cocaïne zeker kunnen doorverkopen voor 50,00 euro per gram. De beklaagde hoefde het geld nog niet meteen te krijgen, maar pas na de doorverkoop door X.. Hierop bewaarde X. de cocaïne in het handschoenkastje van zijn auto. Na enige tijd ontdekte hij dat de cocaïne was verdwenen, vermoedelijk was ze gestolen door één van de vele passagiers die hij geregeld in zijn wagen vervoert. De beklaagde sprak hem op straat meermaals aan met de vraag wanneer hij zijn geld zou krijgen. Omdat hij de cocaïne niet had kunnen doorverkopen, had hij echter geen geld en kon hij hem niet betalen. Toen de beklaagde hem op 8 april 2009 in het café vroeg om samen eens te praten in de toiletruimte, dacht X. onmiddellijk dat het over het geld zou gaan. Hij zag de beklaagde iets nemen uit de geldwisselaar in het café en eens in de toiletruimte, zag hij de beklaagde een klein wapen laden, evenwel niet in zijn richting. Onmiddellijk daarna richtte de beklaagde het wapen op zijn hoofd, zonder één woord te zeggen, waarna er een schot afging.

(...)

Via niet nader in het strafdossier gespecificeerde bronnen verneemt de politie dat zowel de beklaagde als het slachtoffer in het ...se gekend zouden zijn als cocaïnedealers (p. 80 - kaft B/4 van het strafdossier). De beklaagde zou tevens bekend staan als wapenleverancier. Het slachtoffer zou een viertal maanden voor de feiten een overval hebben gepleegd op een garage in Oudegem, waarvan de uitbater eveneens gekend staat als cocaïnedealer. Bij die overval zou het slachtoffer 500 gram cocaïne hebben meegenomen die hij later doorverkocht in .... Tussen het slachtoffer en de beklaagde ontstond er echter discussie over de kwaliteit van de door het slachtoffer geleverde drugs. Die discussie zou hebben plaatsgevonden in het café van de beklaagde en zou dermate geëscaleerd zijn, dat de beklaagde een wapen bovenhaalde en er mee vuurde naar het slachtoffer."

De Commissie wenst aan te stippen dat de wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling" verleent, maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Luidens artikel 33, § 1, van de wet wordt het bedrag van de hulp naar billijkheid bepaald. De Commissie kan onder meer rekening houden met "het gedrag van de verzoeker of van het slachtoffer indien dit gedrag rechtstreeks of onrechtstreeks heeft bijgedragen tot het ontstaan van de schade of de toename ervan."

De Commissie wenst te benadrukken dat ze niet gebonden is door de uitspraak op burgerrechtelijk vlak. Immers, de Commissie verschilt in haar beoordelingscriteria van de burgerlijke rechter doordat zij enerzijds het limitatief karakter van de schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen moet respecteren, en anderzijds door het feit dat zij beslist ‘in billijkheid'. Bij de totstandkoming van de wet van 1 augustus 1985 is de wetgever vertrokken vanuit een heel andere filosofie dan de in het gemeenrecht toegepaste bestraffing van de fout, nu de Staat niet de veroorzaker is van de schade. De reeds aangehaalde notie "collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie" is op haar beurt gestoeld op het begrip "abnormaal sociaal risico" dat tot de ongelijkheid van de burgers terzake van de openbare lasten leidt. Het aldus gecreëerde mechanisme van "buitengewone schadeloosstelling" is tevens gebaseerd op de idee dat de collectiviteit naar billijkheid moet instaan voor het herstel van de schade die op zich als een sociale kwaal wordt beschouwd.

In eerdere rechtspraak heeft de Commissie erop gewezen dat het hierboven uiteengezette principe van collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie, op grond waarvan een schadeloosstelling kan toegekend worden zonder dat deze integraal is of een afdwingbaar recht inhoudt, door de verzoeker zelf wordt doorbroken wanneer hij door eigen gedrag of door het stellen van handelingen schade toebrengt aan de andere leden van de natie waartoe hij behoort, door bijvoorbeeld bezit of handel in drugs. In die omstandigheid meent de Commissie dat het nooit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat de Staat, die bovendien de schade niet veroorzaakt heeft, moet opdraaien voor het herstel van de schade overkomen aan personen die willens nillens in een drugs- of ander crimineel milieu opereren en daardoor zelf het risico opzoeken van onderlinge afrekeningen.

Wat het voorliggend hulpverzoek betreft blijkt uit de gegevens van het strafdossier (zoals hoger geciteerd) dat verzoeker zich wel degelijk inliet met het drugsmilieu. Verzoeker legde ten overstaan van de politiediensten overigens zélf verklaringen af die dit bevestigen.

Gelet op die omstandigheden meent de Commissie dat het hulpverzoek moet worden afgewezen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk maar ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 30 oktober 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 22 juni 2012, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een noodhulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.