- Arrêt of March 29, 2011

29/03/2011 - 1998AR3566

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. De vordering tot gemeen- en bindendverklaring is alleen bewarend van aard en strekt ertoe het gezag van gewijsde waarmee een rechterlijke uitspraak is of zal worden bekleed, uit te breiden tot een mogelijk belanghebbende of iemand tegen wie men later op basis van de te wijzen of gewezen uitspraak een vordering wil instellen

2. Artikel 812, lid 2 BW, dat inhoudt dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep, is geen bepaling van openbare orde.


Arrêt - Integral text

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 1998/AR/3566

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De BVBA GARAGE CARROSSERIE VG Luc - D. M., met maatschappelijke zetel te 9300 AALST, Achterweg 15,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DEN POEL loco Mr. VALVEKENS Marc, advocaat te 1170 BRUSSEL, E. Van Becelaerelaan 28 B/8 ;

TEGEN:

De heer VH Geert, wonende te

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DAMME loco Mr. MARYNS Karin, advocaat te 9230 WETTEREN, Wegvoeringstraat 13 ;

In aanwezigheid van

De NV GARAGE VS in vereffening, vertegenwoordigd door de vereffenaar Jan VS, wonende te 1790 AFFLIGEM, Brusselbaan, 417, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, onder het nummer 513.006, ingeschreven met KBO-nummer 0435.880.089,

verweerster in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring,

vertegenwoordigd door Mr. AELBRECHT Ann, advocaat te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan 360 ;

__________________________________________________________

SAMENVATTING:

1. De vordering tot gemeen- en bindendverklaring is alleen bewarend van aard en strekt ertoe het gezag van gewijsde waarmee een rechterlijke uitspraak is of zal worden bekleed, uit te breiden tot een mogelijk belanghebbende of iemand tegen wie men later op basis van de te wijzen of gewezen uitspraak een vordering wil instellen

2. Artikel 812, lid 2 BW, dat inhoudt dat tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep, is geen bepaling van openbare orde.

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 5 oktober 1998.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

Appellante BVBA GARAGE CAROSSERIE VG LUC-D. M. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 23 december 1998. Op 5 augustus 1999 heeft zij de NV GARAGE VS gedagvaard tot tussenkomst en gemeenverklaring.

Na invereffeningstelling van NV GARAGE VS op 24 juli 2001 heeft de vereffenaar, Jan VS, het geding hervat bij akte neergelegd op 24 februari 2006.

Op 30 november 2009 heeft de heer M. D. een akte neergelegd op de griffie waarin hij stelt dat hij het geding hervat voor BVBA GARAGE CAROSSERIE VG LUC-D. M..

2. DE FEITEN

In 1994 kocht de heer VH een auto Mercedes bouwjaar 1988 van BVBA GARAGE CARROSSERIE VG LUC-D. M., verder aangeduid als GARAGE CARROSSERIE VG. In mei 1994 liet hij door VG-D. onderhoud uitvoeren. Bij het opkrikken van de auto is volgens de heer VH de carterpan van de auto beschadigd. Volgens de heer VH heeft GARAGE CARROSSERIE VG een herstelling uitgevoerd die niet voldeed, waardoor de smeerolie is weggelekt en de motor stuk ging. GARAGE CARROSSERIE VG heeft aangifte gedaan bij haar verzekeraar, maar zij meent dat de heer VH de motor heeft stukgemaakt door zonder oliesmering te rijden en het olieverklikkerlicht te negeren.

De motor werd door de N.V. GARAGE VS vervangen door een tweedehandsmotor, voor 136.330 BEF. Volgens de heer VH werden daarbij fouten gemaakt; hij deed een beroep op een expertisebureau dat de auto doorstuurde naar de concessionaris in Aalst, de N.V. Garage Residence. Die stelde dat de vervanging van de motor niet vakkundig was gebeurd en dat elektriciteitskabels verkeerd waren verbonden, en dat een 2,5 liter motor was geplaatst terwijl de auto oorspronkelijk voorzien was van een 2,3 liter motor en een informaticasysteem bevat voor een 2,3 liter motor.

De N.V. Garage Residence voerde herstellingen uit voor 148.969 BEF + B.T.W. De auto was drie weken buiten gebruik.

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

Voor de eerste rechter vorderde de heer VH de veroordeling van GARAGE CARROSSERIE VG tot de betaling aan hem van 303.709 BEF (prijs van de twee herstellingen), plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 17 juni 1994 op 137.530 BEF en vanaf 16 februari 1995 op 166.179 BEF.

GARAGE CARROSSERIE VG concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroeg zij de veroordeling te beperken tot 20.000 BEF, ondergeschikt 113.137 BEF.

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer VH gedeeltelijk gegrond en veroordeelde GARAGE CARROSSERIE VG tot betaling aan hem van:

· 20.000 BEF, plus "de wettelijke intresten" vanaf 24 juni 1994,

· 137.500 BEF, plus "de wettelijke intresten" vanaf 16 februari 1995,

· 17.600 BEF plus de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding.

In hoger beroep vraagt GARAGE CARROSSERIE VG in hoofdorde opnieuw de vordering van de heer VH ongegrond te verklaren.

Ondergeschikt vraagt zij VS te veroordelen tot tussenkomst en het arrest aan haar gemeen te verklaren.

Nog meer ondergeschikt vraagt zij opnieuw de veroordeling te beperken tot 495,79 EUR (20.000 BEF), ondergeschikt 2.804,59 EUR (113.137 BEF).

De heer VH concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep met betrekking tot het eerste schadegeval. Bij incidenteel hoger beroep herneemt hij zijn oorspronkelijke vordering met betrekking tot het tweede schadegeval, en vordert de veroordeling van GARAGE CARROSSERIE VG tot betaling van 3.379,53 EUR, plus de "wettelijke intresten" vanaf 24 juni 1994. Ondergeschikt vraag hij het arrest gemeen te verklaren aan VS "en te zeggen voor recht dat deze laatste een extracontractuele fout heeft gemaakt". Nog meer ondergeschikt biedt hij het getuigenbewijs aan met betrekking tot de plaatsing van een verkeerde vervangmotor, en met betrekking tot de verkeerde herstellingen en de beschadigingen die eruit volgden.

VS concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van GARAGE CARROSSERIE VG lastens haar. Ondergeschikt concludeert zij tot de gegrondheid van het hoger beroep en de ongegrondheid van de vordering van de heer VH. Zij concludeert tot de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van de heer VH.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

De eerster rechter oordeelde dat GARAGE CARROSSERIE VG moet instaan voor de schade aan het carter (20.000 BEF), maar niet voor de schade aan de motor, omdat die schade het gevolg is van het feit dat de heer VH een olieverklikkerlicht heeft genegeerd en verder heeft gereden, maar dat GARAGE CAROSSERIE VG wel moet instaan voor de schade veroorzaakt door VS bij de vervanging van de motor (148.969 en 17.600 BEF).

4.1. De hervatting van geding door M. D.

Bij akte neergelegd op 30 november 2009 hervat de heer M. D. het geding voor BVBA GARAGE CAROSSERIE VG LUC-D. M.. Hij laat gelden dat zijn kbo-nummer (als natuurlijke persoon) overeenstemt met het btw-nummer van de BVBA GARAGE CAROSSERIE VG LUC-D. M..

De heer VH werpt op dat de heer M. D. niet verduidelijkt op welke wijze hij de vennootschap zou opvolgen, en dat hij moet aanduiden of hij de vennootschap (al of niet in vereffening) heeft overgenomen, of het handelsfonds. M. D. antwoordt hier niet op.

De heer M. D. levert dus niet het bewijs van een verandering van staat of hoedanigheid van de oorspronkelijke procespartij, BVBA GARAGE CAROSSERIE VG LUC-D. M., zodat hij niet met toepassing van artikel 815 en 816 van het Gerechtelijk Wetboek kan toegelaten worden het geding te hervatten.

4.2. De vordering ten aanzien van VS

Zoals vermeld heeft GARAGE CAROSSERIE VG de NV GARAGE VS gedagvaard tot tussenkomst en gemeenverklaring. In conclusie vraagt zij slechts ondergeschikt de gemeenverklaring van het arrest. In de overwegenden van haar conclusie stelt zij dat indien er een tweede schadegeval is, VS daarvoor verantwoordelijk is wegens onvakkundige herstelling.

De heer VH vraagt - ook ondergeschikt- ten aanzien van VS ook de gemeenverklaring, maar vraagt ook "te zeggen voor recht dat deze laatste een extracontractuele fout heeft gemaakt".

VS werpt op dat de vordering tot tussenkomst en gemeenverklaring niet ontvankelijk is omdat GARAGE CARROSSERIE VG geen belang aantoont. GARAGE CARROSSERIE VG antwoordt niet op dit middel. Het hof vindt in de procedurestukken als motivering voor de gedwongen tussenkomst alleen in de dagvaarding tot tussenkomst de lapidaire vermelding dat "in ondergeschikte orde en teneinde haar rechten te vrijwaren het opportuun is om VS bij de procedure te betrekken".

De vordering tot gemeen- en bindendverklaring is alleen bewarend van aard en strekt ertoe het gezag van gewijsde waarmee een rechterlijke uitspraak is of zal worden bekleed, uit te breiden tot een mogelijk belanghebbende of iemand tegen wie men later op basis van de te wijzen of gewezen uitspraak een vordering wil instellen . Het kan aangenomen worden dat GARAGE CARROSSERIE VG en de heer VH er belang bij hebben in een arrest te laten vaststellen of vermelden dat VS een fout heeft begaan, omdat een latere vordering ten aanzien van VS niet uitgesloten is.

Dit laatste maakt van deze vordering tot gemeenverklaring nog geen agressieve tussenkomst of vordering tot veroordeling die voor het eerst in hoger beroep wordt ingesteld. GARAGE CARROSSERIE VG noemt de vordering ten aanzien van VS in het petitum van haar conclusie weliswaar een "vordering in tussenkomst en vrijwaring in gemeenverklaring", maar vraagt de facto ten aanzien van VS alleen te zeggen dat het arrest haar gemeen wordt verklaard; de vermelding van vrijwaring zal dus een tikfout zijn. VS beroept zich overigens niet op het verbod op een tussenkomst tot veroordeling voor het eerst in hoger beroep dat opgenomen is in artikel 812, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek; die bepaling is ook niet van openbare orde .

4.3. De grond van het hoger beroep

4.3.1. De schadegevallen

De eerste rechter maakt een onderscheid tussen twee schadegevallen: enerzijds de schade uit het lekkende carter en de schade aan de motor, en anderzijds de schade uit de vervanging van de motor. Het lijkt juister drie gevallen van mogelijke schade te onderscheiden: de carterbreuk, de motorbeschadiging, en de motorvervanging.

4.3.2. Het carter

De ongevalsaangifte van GARAGE CARROSSERIE VG bij haar verzekeraar, AGF Belgium, vermeldt: "bij het opkrikken van het voertuig heeft cliënt de carter beschadigd. Hierdoor was er olieverlies en is de motor beschadigd" . De heer VH stelt dat GARAGE CARROSSERIE VG vervolgens een herstelling heeft uitgevoerd om het carter te herstellen die niet voldeed, waardoor olie is weggelekt en de motor beschadigd werd. De expert van de verzekeraar van GARAGE CARROSSERIE VG vermeldt inderdaad "slecht hersteld olie uit carter gelopen" .

Uit het bovenstaande staat voldoende vast dat GARAGE CARROSSERIE VG een fout heeft begaan bij het uitvoeren van werken; het opkrikken met belasting van het carter is evident strijdig met de regels van vakmanschap. Dit is een contractuele fout, en GARAGE CARROSSERIE VG moet instaan voor de vergoeding van de schade. De herstelling in natura die GARAGE CARROSSERIE VG heeft verricht, voldeed immers niet. De eerste rechter heeft hiervoor een vergoeding bepaald van 20.000 BEF.

4.3.3. De motorbeschadiging

De heer VH stelt dat door de slechte herstelling de olie is weggesijpeld en dat daardoor de motor beschadigd is. De expert van de verzekeraar van GARAGE CARROSSERIE VG oordeelde evenwel: "schadelijder reed motor finaal stuk door zonder oliesmering de weg verder te zetten en olieverklikkerlicht te negeren".

In de stelling van beide partijen is de olie dus weggelekt door de slechte herstelling, maar volgens GARAGE CARROSSERIE VG is dit weglekken te lang blijven duren door de fout van de heer VH, die een olieverklikkerlicht zou hebben genegeerd. De heer VH ontkent dat hij een verklikkerlicht heeft genegeerd, en laat gelden dat hij als leek niet kon vermoeden of vaststellen dat de olie lekte.

Het staat aan GARAGE CARROSSERIE VG, die zich beroept op de fout van de heer VH, om het bewijs te leveren van wat zij aanvoert (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). GARAGE CARROSSERIE VG legt alleen een verslag voor van de expert van haar verzekeraar, die uiteraard niet als objectief ten aanzien van de schadelijder kan worden beschouwd. Er is geen tegensprekelijke vaststelling gedaan van de aanwezigheid van een verklikkerlicht. Er is geen vaststelling gebeurd van het aantal gereden kilometers tussen de initiële herstelling door GARAGE CARROSSERIE VG en de motorbeschadiging. Er is geen vaststelling of indicatie van de grootte van het lek na herstelling van het carter en van de snelheid van het leeglopen. Vast staat alleen dat de beschadiging van het carter is gebeurd op 10 mei 1994, en dat de schade aan de motor is vastgesteld door de expert van de verzekeraar van GARAGE CARROSSERIE VG op of voor 14 juli 1994 (dat is de datum van het einde van de expertise ). In de omstandigheden van de zaak moet vastgesteld worden dat GARAGE CARROSSERIE VG niet bewijst dat de schade door het weglekken van olie ingevolge de niet deugdelijk uitgevoerde herstelling ook is veroorzaakt door een fout van de heer VH zelf.

GARAGE CARROSSERIE VG moet dus instaan voor de vergoeding van de schade.

De heer VH vordert hier voor 136.330 BEF of 3.379,53 EUR, wat overeenstemt met 113.137 BEF ex BTW (2.804,59 EUR), zoals voorgesteld door de expert van de verzekeraar van GARAGE CARROSSERIE VG. Het blijkt niet dat de heer VH in de mogelijkheid is om de BTW te recupereren; zijn boekhouder verklaart dat de auto alleen voor privédoeleinden werd gebruikt en dat de heer VH voor zijn zelfstandig beroep een camionette gebruikte . De auto staat ook niet vermeld op een voorgelegde afschrijvingstabel .

Die vergoeding was bedoeld om de vervanging van de motor te dekken, en impliceert dus ook de vervanging van het carter; de heer VH vordert ook geen afzonderlijke vergoeding voor het carter maar beschouwt de daarvoor door de eerste rechter toegekende 20.000 BEF blijkbaar als een deel van de gevorderde 136.330 BEF.

Over de intresten wordt geen betwisting gevoerd. Het hof begrijpt de gevorderde "wettelijke intresten" bij gebrek aan enige uitleg als verwijlintresten zonder ingebrekestelling aan de wettelijke rentevoet.

4.3.4. De fouten bij de vervanging van de motor

De heer VH wenst vergoeding voor de schade uit de beweerdelijk foutieve vervanging van de motor en spreekt daarvoor GARAGE CARROSSERIE VG aan op grond van de stelling dat zij de vervanging heeft laten uitvoeren door VS. De eerste rechter heeft inderdaad aangenomen dat de vervanging is gedaan door VS in opdracht van GARAGE CARROSSERIE VG.

Het klopt dat VS de vervanging heeft gefactureerd aan GARAGE CARROSSERIE VG , maar zij stelt dat zij is betaald door de heer VH. De heer VH legt ook een exemplaar voor van die factuur waarop met de hand een kwijting is genoteerd voor het bedrag ex BTW, en een gelijkluidende verklaring van VS . GARAGE CARROSSERIE VG stelt ook dat zij niet heeft betaald, en haar verzekeraar heeft ook steeds een tussenkomst geweigerd . Het kan dus niet aangenomen worden dat GARAGE CARROSSERIE VG of haar verzekeraar de vervanging ten laste hebben willen nemen. Uit het feit dat de heer VH van GARAGE CARROSSERIE VG vergoeding vordert voor het eerste schadegeval, moet afgeleid worden dat GARAGE CARROSSERIE VG (of haar verzekeraar) hem niet hebben vergoed door middel van de betaling van de vervanging van de motor. Bijgevolg heeft de heer VH werken laten uitvoeren door VS, en het valt niet in te zien waarom GARAGE CARROSSERIE VG zou moeten instaan voor de beweerde slechte uitvoering van die werken.

De vordering van de heer VH tegen GARAGE CARROSSERIE VG met betrekking tot de schade uit de vervanging van de motor is dus ongegrond.

4.3.5. De verborgen gebreken of niet conformiteit

De heer VH maakt enigszins terzijde melding van verborgen gebreken die GARAGE CARROSSERIE VG, de oorspronkelijke verkoper, zou gekend hebben. In het bijzonder laat hij gelden dat na de vervanging van de motor is vastgesteld dat GARAGE CARROSSERIE VG hem een auto had geleverd met een motor met een inhoud van 2,5 liter in plaats van een motor van 2,3 liter zoals die hoorde bij het model. De heer VH stelt daarover echter geen vordering in.

4.3.6. De gemeenverklaring

Gelet op wat is overwogen hierboven onder punt 4.3.4. Is de ondergeschikte vordering tot gemeenverklaring van GARAGE CARROSSERIE VG tegen VS zonder voorwerp, en is de vordering van de heer VH om te zeggen voor recht dat VS bij de uitvoering van een opdracht voor GARAGE CARROSSERIE VG een buitencontractuele fout heeft begaan ongegrond.

5. DE KOSTEN

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 990,00 EUR.

6. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof wijst de hervatting van geding door M. D. af;

Het hof verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, en verklaart enkel het hoger beroep van GARAGE CARROSSERIE VG gedeeltelijk gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van de heer VH gedeeltelijk gegrond en veroordeelt GARAGE CARROSSERIE VG tot de betaling aan de heer VH van 3.379,53 EUR, plus de verwijlintresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 24 juni 1994 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten op het zelfde bedrag aan dezelfde rentevoet.

Verklaart de ondergeschikte vordering tot gemeenverklaring van GARAGE CARROSSERIE VG tegen VS zonder voorwerp, en verklaart de vordering van de heer VH ten aanzien VS ongegrond.

Het veroordeelt GARAGE CARROSSERIE VG tot de betaling van de kosten van het hoger beroep gemaakt door VS en van de helft van de kosten van de heer VH begroot

- in hoofde van appellante op 185,92 EUR rolrechten + 990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de NV GARAGE VS in vereffening op 990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 29 maart 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Free keywords

  • Tussenvordering. Tussenkomst. Beroepsaansprakelijkheid. Garagist. Herstelling. Auto. Olielek. Rijden zonder olie. Negeren van het olieverklikkerlicht.