- Arrêt of April 5, 2011

05/04/2011 - 2007AR1469

Case law

Summary

Samenvatting 1

Waterdichtheid van een huis. Kelder. Bezettingswerken. Fout van de aannemer. Vergoeding van diverse schadeposten.

De door de aannemer uitgevoerde bezettingswerken met een kunstharsmortel in de kelderverdieping van de woning vertonen in casu gebreken te weten scheuren en ondichtheden die maken dat er infiltraties van zakwater mogelijk zijn, die de kelderruimten onbeschikbaar maken voor hun bestemming.


Arrêt - Integral text

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2007/AR/1469

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

INJECO B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 7170 MANAGE, Zoning Artisanal du Faubourg, Drève de la Courte au Bois 3, ingeschreven met KBO-nummer 0432.686.811,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VAN CALBERGH loco Mr. PIERART Benoît, advocaat te 1000 BRUSSEL, Terkamerenlaan 74 en vertegenwoordigd door Mr. VAN CALBERGH loco Mr. BERNARD Laurent, advocaat te 6000 CHARLEROI, Bd. Audent 15 ;

TEGEN:

S. R. en zijn echtgenote C. K. beiden keuze van woonst doende ten kantore van gerechtsdeurwaarder DE BRUECKER Rita, gevestigd te 1083 BRUSSEL, Hertog Janlaan 56,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. DE LUYCK K. Loco Mr. DE LUYCK Frans, advocaat te 1060 BRUSSEL, Schotlandstraat 24 ;

Waterdichtheid van een huis. Kelder. Bezettingswerken. Fout van de aannemer. Vergoeding van diverse schadeposten.

De door de aannemer uitgevoerde bezettingswerken met een kunstharsmortel in de kelderverdieping van de woning vertonen in casu gebreken te weten scheuren en ondichtheden die maken dat er infiltraties van zakwater mogelijk zijn, die de kelderruimten onbeschikbaar maken voor hun bestemming.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven (22ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 20 februari 2007, bij exploot van 25 april 2007 aan appellante betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 24 mei 2007 ter griffie van het hof neergelegd;

- de (tweede hernemende) conclusie van appellante;

- de syntheseconclusie van geïntimeerden.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 21 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden in de volgende mate gegrond verklaart, en appellante veroordeelt om aan geïntimeerden 39.717,28 euro te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 4 april 2002 en alle gerechtskosten.

Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om in hoofdorde de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk (bij gebrek aan belang of hoedanigheid) te verklaren en haar vordering in betaling van het onbetaald saldo van de factuur d.d. 14 augustus 1997 gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan haar van 2.253,57 euro, vermeerderd met de conventionele interest ten belope van 18 % per jaar vanaf 14 augustus 1997 en met een boetebeding van 225,36 euro.

Appellante vraagt in ondergeschikte orde om de vorderingen van geïntimeerden ontvankelijk en slechts gegrond te verklaren ten belope van 6.817,07 euro en ongegrond voor het meerdere, en haar vordering in betaling van het onbetaald saldo van de factuur d.d. 14 augustus 1997 gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan haar van 2.253,57 euro, vermeerderd met de conventionele interest ten belope van 18 % per jaar vanaf 14 augustus 1997 en met een boetebeding van 225,36 euro, waarbij de gerechtelijke compensatie bevolen wordt.

In uiterst ondergeschikte orde vraagt appellante de vorderingen van geïntimeerde ongegrond te verklaren waar deze van het herstel in natura afzien en, opnieuw rechtdoende, om (a) het herstel in natura van de uitvoering van de overeenkomst tussen partijen te bevelen binnen de perken van de dichtingswerken vooropgesteld door deskundige Claessens en dus appellante te veroordelen tot het optrekken van de nieuwe muur zoals voorgesteld door de N.V. Bodima, (b) de kosten voor het optrekken van deze muur, rekening houdend met de meerwaarde dat het gebouw zal verkrijgen, voor 50 % ten laste te leggen van geïntimeerden, (c) geïntimeerden te veroordelen tot 50 % van de kosten voor het optrekken van de hierboven vermelde muur en dit binnen de 14 dagen na voorlopige oplevering van het werk en op eenvoudige voorlegging van de factuur voor deze 50 % van de werken door appellante aan geïntimeerden.

In dit geval vordert appellante nogmaals haar vordering in betaling van het onbetaald saldo van de factuur d.d. 14 augustus 1997 gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan haar van 2.253,57 euro, vermeerderd met de conventionele interest ten belope van 18 % per jaar vanaf 14 augustus 1997 en met een boetebeding van 225,36 euro en de vorderingen van geïntimeerden voor het overige als ongegrond af te wijzen.

Appellante vordert ten slotte de veroordeling van geïntimeerden tot alle kosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op 2.000 euro.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

2. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellante in de gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding begroot op het maximumtarief, zijnde 5.000 euro.

II. Relevante feitelijke gegevens

3. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten in het bestreden vonnis.

De door de eerste rechter aangestelde gerechtsdeskundige, Ingenieur architect Claessens besloot in zijn verslag (p. 25) neergelegd op 18 juni 2004:

1. De door (appellante) uitgevoerde bezettingswerken met een kunstharsmortel in de kelderverdieping van de woning van (geïntimeerden) vertonen gebreken, te weten scheuren en ondichtheden die maken dat er infiltraties van zakwater mogelijk zijn, die de kelderruimten onbeschikbaar maken voor hun bestemming.

2. De oorzaak van de ondichtheid van de kelder is gelegen in de gebrekkige uitvoering van de bezettingswerken.

De voorstrijklaag (primer) werd aangebracht op vochtige muren, wat aanleiding heeft gegeven tot een onvoldoende uitharding en dus slechte voorbereiding van de ondergrond.

De wisselende hygrische belasting van het cellenbeton, waaruit de muren zijn opgebouwd, heeft tot grote inwendige materiaalspanningen geleid, al dan niet in combinatie met de aanwezigheid van gekristalliseerde zouten (sulfaten) onder de bezetting, waardoor scheurvorming is ontstaan.

3. Eenvoudige herstelling, voortbouwend op het aanwezige dichtingsysteem blijkt niet mogelijk te zijn. Een offerte voorziet in het afkappen van de door (appellante) uitgevoerde dichtingslaag en het aanbrengen van een nieuwe stijve binnenbekuiping, maar de prijs ervan ligt beduidend hoger dan een alternatieve uitvoeringswijze, die erin bestaat een nieuwe muur op te richten, waarop dan een nieuwe stijve binnenbekuiping wordt aangebracht, zij het dat dit gepaard gaat met een verlies aan nuttige kelderruimte.

De materiële herstellingskosten zijn finaal begroot op 32.372,28 euro (incl. BTW). Voor het verblijf van een maand in een hotel gedurende de werkzaamheden is een vergoeding voorzien van 3.750,00 euro en voor het verlies aan nuttige kelderoppervlakte 3.625,00 euro.

Het totaal van de saneringsoperatie komt aldus op 39.717,28 euro.

III. Bespreking

1°. Exceptie van niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

4. Appellante stelt dat geïntimeerden geen belang (meer) hebben bij de vordering nu zij niet meer in het gebouw wonen en het goed in de loop van de procedure hebben verkocht.

5. Uit de debatten ter zitting is gebleken dat geïntimeerden inderdaad hun woning te T. aan de Grootveldstraat nummer 12 "in 2006-2007" hebben verkocht. De verkoopakte wordt niet voorgelegd.

6. De verkoop van het goed tijdens het geding heeft niet voor gevolg dat geïntimeerden geen belang (meer) bij de vordering hebben.

Zij hebben immers een overeenkomst met appellante afgesloten en beklagen zich over foutieve uitvoering van deze overeenkomst en eruit voortvloeiende schade. De deskundige is van oordeel dat de ondichtheid van de kelder haar oorzaak vindt in de gebrekkige uitvoering door appellante van de dichtingswerken en dat deze werken ook de scheurvorming voor gevolg hebben gehad. Geïntimeerden hadden dan ook het vereiste belang om een vordering tegen hun medecontractant in te stellen en zij zijn gerechtigd deze vordering voort te zetten.

De exceptie is ongegrond.

2°. Ten gronde - Aansprakelijkheid van Injeco

7. Appellante stelt dat de oorzaak van de problemen van waterdichtheid niet in haar werken ligt maar wel in een conceptiefout bij de bouw van het huis van geïntimeerden. Zij wijst op het feit dat de keldermuren in blokken van cellenbeton werden opgetrokken die als dusdanig niet kunnen gebruikt worden voor de constructie van grondkerende muren.

De gerechtsdeskundige heeft deze opmerking al beantwoord. "Het is niet zo dat cellenbetonblokken niet geschikt zouden zijn voor gebruik in ondergrondse constructies." En verder "Het W.T.C.B. verbiedt niet het gebruik van cellenbeton in grondkerende muren."

De deskundige haalde op dit punt technische documentatie aan, o.m. van de firma YTONG, welke bij het verslag wordt gevoegd.

8. De deskundige heeft op gemotiveerde wijze zijn advies geformuleerd en komt tot het besluit dat "de door (appellante) uitgevoerde bezettingswerken met een kunstharsmortel in de kelderverdieping van de woning van (geïntimeerden) (gebreken) vertonen, te weten scheuren en ondichtheden die maken dat er infiltraties van zakwater mogelijk zijn, die de kelderruimten onbeschikbaar maken voor hun bestemming." Het advies van de deskundige is niet tegenstrijdig maar overtuigend en wordt niet tegengesproken door enig objectief en wetenschappelijk onderbouwde argument of stuk van appellante.

Het hof onderstreept dat de appellante een aannemer specialist is die zich contractueel verbonden had een garantie van tien jaar te leveren (zie offerte "10 jaar garantie" en "garantiebewijs" van Injeco). Artikel 12 van haar algemene voorwaarden ("Klant zal slechts werken en materiaallevering mogen eisen voorzien in het contract") maakt geen exoneratiebeding of beperking van haar garantieplicht uit.

Appellante was dan ook goed geplaatst om zich rekenschap te geven van de aard van de keldermuren waarop zij haar dichtingsproducten zou aanbrengen en zij zou zich niet kunnen verschuilen achter een foutieve nalatigheid in de conceptie van haar eigen werken.

De vooraf bestaande (en door appellante gekende) problemen van waterdichtheid in de kelder zijn niet de oorzaak van de beschadiging die door de deskundige vastgesteld werd en die haar oorzaak vindt in de bezettingswerken door appellante uitgevoerd.

9. Het advies van de deskundige wat de herstelling van de schade betreft dient eveneens bekrachtigd te worden. Appellante maakt ten onrechte een verband tussen de "minimale kostprijs" van haar eigen dichtingswerken en de hoge kosten voor het herstellen van de door haar werken veroorzaakte schade. Geïntimeerden hebben recht op de integrale vergoeding van hun schade, welk ook de kostprijs was van de werken door appellante uitgevoerd.

10. Appellante maakt verder aanspraak op het herstel in natura.

Bij de definiëring van de herstelwerken heeft de gerechtsdeskundige zich tot zeer gespecialiseerde bedrijven gewend en hij citeerde de firma's Bodima, Cruysberghs Chemical en Noten die offertes hebben ingediend. Deskundige Claessens maakte gewag van "een vrij uitzonderlijk schadegeval, dat zelfs bij vzw FeBeCel geen voorgaande kent". De deskundige sloot "eenvoudige herstelling, voortbouwend op het aanwezige dichtingsysteem" uit. Hij opteerde finaal voor de oprichting van een nieuwe muur waarop dan een nieuwe stijve binnenbekuiping zou worden aangebracht.

De documentatie over de activiteiten van Injeco maakt geen melding van enige uitvoering van stijve binnenbekuiping en laat niet na te besluiten dat appellante zelf in staat zou zijn om met voldoende garantie de door de deskundige omschreven werken uit te voeren. Het valt bovendien op dat drie geconsulteerde aannemers een offerte hebben ingediend en dat appellante zelf geen eigen voorstel formuleerde. De deskundige had partijen, en ook appellante geadviseerd om contact op te nemen met gespecialiseerde aannemers maar Injeco heeft zelf geen offerte gedaan.

In deze omstandigheden kan er niet worden ingegaan op het zeer vage en laattijdige aanbod tot uitvoering in natura, des te meer dat appellanten geen eigenaar meer zijn van het huis.

11. Gelet op het verhuis van geïntimeerden die zelf niet zijn overgegaan tot het laten uitvoeren van de herstelwerken - of de werkelijke uitvoering van werken minstens niet aantonen - is er geen reden om hun de volgende schadeposten toe te kennen:

· kosten voor ontruiming van de kelder;

· vervoer en stapeling van de goederen in voorlopige bergruimte gedurende een maand;

· wegnemen van leidingen en terugplaatsen ervan;

· aanpassen van watertoevoervoorziening;

· kosten voor telefoon- en internetaansluiting;

· aanpassing van de stroom- en gasvoorziening;

· terug inrichten van de kelder (roerende goederen).

Geïntimeerden kunnen om dezelfde reden evenmin aanspraak maken op de kosten voor verblijf in een hotelkamer tijdens de uitvoering van de herstelwerken voor een duur van 30 dagen (3.750,00 euro).

Ten slotte vorderen geïntimeerden ten onrechte de vergoeding voor de minderwaarde wegens ruimteverlies in de kelderverdieping (3.625,00 euro) nu zij niet zelf deze minderwaarde na uitvoering van de herstelwerken geleden hebben en dat zij niet aantonen dat het ruimteverlies een invloed had op de overeengekomen verkoopprijs.

De aan geïntimeerden toekomende schadevergoeding wordt bijgevolg beperkt tot de herstelkosten volgens de offerte van N.V. Bodima en de bijhorende kosten (container en opstapeling van materialen): 19.840 euro + 6 % BTW (1.190,40 euro) + 250,00 euro x 105 % (5 % onvoorziene posten volgens begroting deskundige, p. 24) = 22.344,42 euro.

Het hoger beroep is bijgevolg deels gegrond.

12. De oorspronkelijke tegenvordering van appellante tot betaling van het saldo van haar factuur van 14 augustus 1997 (2.253,57 euro) is gegrond. Geïntimeerden vorderen immers niet de ontbinding van de overeenkomst maar beroepen zich op de uitvoering van deze overeenkomst.

De conventionele verwijlinteresten van 18 % jaarlijks zijn kennelijk overdreven en worden verworpen. Enkel de moratoire interest op de wettelijke rentevoet vanaf de ingebrekestelling en het conventionele boetebeding van 10 % worden aan appellante toegekend.

13. De gerechtskosten

De rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 2.500 euro, geïndexeerd 2.750 euro, zijnde het basisbedrag gelet op de waarde van het geschil.

Er is geen reden om af te wijken van dit basistarief. Partijen tonen o.m. geen bijzondere complexiteit van de zaak of kennelijk onredelijk karakter van de situatie aan.

De kosten van het hoger beroep worden zoals hierna bepaald tussen partijen omgeslagen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het N.V. INJECO veroordeelt om aan geïntimeerden 39.717,28 euro te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 4 april 2002 en alle gerechtskosten en in zover het impliciet de oorspronkelijke tegenvordering van appellante ongegrond verklaart.

Opnieuw rechtsprekend, verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden deels gegrond en veroordeelt N.V. INJECO om aan geïntimeerden 22.344,42 euro te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 4 april 2002.

Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van appellante ontvankelijk en deels gegrond en veroordeelt geïntimeerden om 2.253,57 euro te betalen, te verhogen met de moratoire interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 19 februari 1998, en het bedrag van 225,36 euro, telkens te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet.

Staat de compensatie toe.

Verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond.

Verwijst iedere partij in haar eigen gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 2.750 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerden op 2.750 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 5 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans E. Janssens de Bisthoven

Free keywords

  • Aanneming van werk. Waterdichtheid van een woning. Kleder. Bezettingswerken. Fout. Diverse schadeposten