- Arrêt of April 12, 2011

12/04/2011 - 2009AR321

Case law

Summary

Samenvatting 1

Als gevolg van de devolutieve werking van het hoger beroep moet de rechter in beroep rekening houden met de nieuwe feiten die zich sinds de eerste aanleg hebben voorgedaan


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2009/AR/321

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap PARFUMERIE ICI PARIS XL, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1800 VILVOORDE, Schaarbeeklei 499, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0413.790.518,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 november 2008,

vertegenwoordigd door Meester Dirk VAN HEUVEN, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 ;

1ste kamer

TEGEN :

1) Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in de persoon van de Minister-President, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Hertogstraat 7-9,

2) De GEMACHTIGDE AMBTENAAR VAN HET BESTUUR RUIMTELIJKE ORDENING EN HUISVESTING VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, optredend voor rekening van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1035 SCHAARBEEK, Vooruitgangsstraat 80 bus 1,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Jan ROGGEN, loco Meester Monique KESTEMONT en loco Meester Jan BOUCKAERT, advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25 ;

SAMENVATTING

Als gevolg van de devolutieve werking van het hoger beroep moet de rechter in beroep rekening houden met de nieuwe feiten die zich sinds de eerste aanleg hebben voorgedaan

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 november 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Op de voorgevel van de winkel die de nv Parfumerie Ici Paris XL (hierna: "Ici Paris XL') uitbaat aan de Nieuwstraat 84 te Brussel werden verschillende lichtgevende uithangborden aangebracht.

Ici Paris XL beschikt hiervoor niet over een stedenbouwkundige vergunning.

Een aanvraag tot regularisatie leidde tot een weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel van 14 april 2005, op eensluidend negatief advies van de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Na beroep weigerde ook het Stedenbouwkundig College van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de gevraagde regularisatie bij beslissing van 30 juni 2006.

Tegen die laatste beslissing tekende Ici Paris XL beroep aan bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Bij besluit van 1 maart 2007 werd dit beroep gedeeltelijk ingewilligd, en werd de vergunning verleend voor het behoud van het uithangbord dat evenwijdig met de gevel was aangebracht. De vergunning werd evenwel opnieuw geweigerd voor het behoud van het dubbelzijdig uithangbord (met tekst "ICI PARIS XL') dat loodrecht op de gevel was geplaatst, alsook voor twee schuin geplaatste eenzijdige uithangborden (met tekst "PARFUMERIE").

Met een brief van 4 april 2007 verzocht de directeur van de dienst stedenbouw van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Ici Paris XL om de onvergunde uithangborden te verwijderen. Er werd tevens aangekondigd dat er een controle zou worden uitgevoerd, en dat er bij overtreding proces-verbaal zou worden opgemaakt en ambtshalve zou worden uitgevoerd zoals voorzien is in artikel 305 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna "BWRO").

Op 4 september 2007 werd door een ambtenaar van de stad Brussel proces-verbaal opgemaakt met de vaststelling dat de onvergunde borden zich nog steeds ter plaatse bevonden.

Op 27 september 2007 ging Ici Paris XL over tot dagvaarding ten gronde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van de "Gemachtigde Ambtenaar van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" alsook van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

"

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Voor de eerste rechter vorderde ICI PARIS XL aan het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR het verbod op te leggen om toepassing te maken van artikel 305 van het BWRO op verbeurte van een dwangsom van 35.000,00 EUR. Zij vroeg verder "akte te nemen van het voorbehoud van concluante inzake de commerciële schade die zij zou lijden indien in afwachting van uw vonnis toch toepassing zou gemaakt worden van voormeld artikel 305". Ondergeschikt vroeg zij de rechtbank zo nodig alvorens recht te doen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de schending door artikel 305 BWRO van artikel 16 van de Grondwet juncto artikel 6 EVRM, artikel 1 1ste aanvullend protocol EVRM en artikel 14 IV BPR.

Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

3.2. De eerste rechter verklaarde de vordering ontoelaatbaar in zoverre zij werd gericht tegen de GEMACHTIGDE AMBTENAAR en toelaatbaar maar ongegrond in zoverre zij werd gericht tegen het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.

3.3. In hoger beroep herneemt ICI PARIS XL haar oorspronkelijke vordering.

Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vragen zij dat het hof zich onbevoegd zou verklaren, ondergeschikt de vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren. Nog meer ondergeschikt vraagt zij de vordering met betrekking tot een dwangsom ongegrond te verklaren.

3.4. Hangende deze zaak heeft ICI PARIS XL voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in kort geding gevorderd het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR te verbieden "over te gaan tot uitvoering van een ambtshalve herstelmaatregel ten aanzien van de twee reclameborden", op verbeurte van een eenmalige dwangsom van 100.000,00 EUR.

De voorzitter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond.

In hoger beroep (AR 2009/KR/102) hernam ICI PARIS XL haar vordering. Nadat het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR op 30 september 2009 de reclameborden ambtshalve hadden laten verwijderen, wijzigde ICI PARIS XL haar vordering (in een zittingsnota neergelegd op de zitting van 9 november 2009), en vroeg zij, naast het reeds vermelde verbod, het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR te bevelen de in beslag genomen reclameborden tijdelijk terug te geven onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag vertraging, in afwachting van de uitspraak ten gronde. Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR vroegen bij incidenteel hoger beroep dat het hof zich onbevoegd zou verklaren, ondergeschikt de vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren. Nog meer ondergeschikt vroegen zij de vordering met betrekking tot een dwangsom ongegrond te verklaren.

Bij arrest van 22 december 2009 verklaarde dit hof de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond, en verklaarde het de nieuwe vordering van ICI PARIS XL ontvankelijk maar ongegrond.

3.5. Hangende deze zaak heeft ICI PARIS XL ook nog bij middel van een eenzijdig verzoekschrift aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel gevorderd om het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR te verbieden de lichtreclames weg te nemen, op verbeurte van een eenmalige dwangsom van 100.000,00 EUR, in afwachting van de uitspraak in de procedure in kort geding in hoger beroep. De voorzitter kende het gevorderde toe bij beschikking van 13 mei 2009. Op derdenverzet van het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR verklaarde de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering ongegrond bij vonnis van 10 juli 2009.

Op het hoger beroep van ICI PARIS XL (AR 09/KR/200) werd de vordering niet toelaatbaar verklaard bij arrest van dit hof van 23 juli 2009; het hof overwoog daarbij dat er geen volstrekte noodzakelijkheid bestond voor een beroep op de procedure van het eenzijdig verzoekschrift.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

Zoals vermeld bij de procedure in kort geding (hierboven onder punt 3.4.) hebben het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR de borden op 30 september 2009 verwijderd. Partijen hebben in deze procedure nadien geen conclusie meer genomen. Op de zitting van 29 maart 2011 verklaren het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR opnieuw dat één bord is geregulariseerd, en dat de twee andere zijn weggenomen.

Als gevolg van de devolutieve werking van het hoger beroep moet de rechter in beroep rekening houden met de nieuwe feiten die zich sinds de eerste aanleg hebben voorgedaan .

De vordering tot het opleggen van het verbod tot toepassing van artikel 305 van het BWRO is als gevolg van de toepassing van artikel 305 van het BWRO zonder voorwerp geworden. Het hof kan niet verbieden te doen wat is gedaan.

ICI PARIS XL vraagt akte te nemen van haar voorbehoud inzake de commerciële schade die zij zou lijden indien in afwachting van dit arrest toch toepassing zou gemaakt worden van artikel 305. Zij bedoelt wellicht een voorbehoud met betrekking tot het instellen van een vordering. Los van de vraag wat daarvan het effect kan zijn, heeft het hof akte genomen van dat voorbehoud, door de enkele vermelding ervan hierboven bij de weergave van het voorwerp van de vordering.

Bij incidenteel hoger beroep vragen het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR dat het hof zich onbevoegd zou verklaren kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering van ICI PARIS XL, maar zij voeren geen middelen aan die daartoe strekken.

Bij incidenteel hoger beroep vragen het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR de oorspronkelijke vordering van ICI PARIS XL niet ontvankelijk te verklaren omdat zij strekt tot het behoud van een onwettige toestand, zodat ICI PARIS XL geen rechtmatig belang heeft. Ter beoordeling van de rechter stond evenwel niet de bestendiging van de onwettige situatie, maar alleen de voorgenomen herstelmaatregel van het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR tot bestrijding van de onwettige situatie en de rechtsmiddelen van ICI PARIS XL tegen die herstelmaatregel. De onwettigheid van de situatie die de overheid bestrijdt, maakt het optreden van de overheid niet exempt van rechterlijke beoordeling. Het kan dus niet a priori aan ICI PARIS XL ontzegd worden haar bezwaren tegen het overheidsoptreden voor te leggen aan het oordeel van de rechter. De vordering zoals gesteld tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dus ontvankelijk.

Gelet op het bovenstaande zijn de overige middelen zonder belang voor de beoordeling van de zaak.

ICI PARIS XL pleit ter zitting dat het ambtshalve optreden van het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR waardoor de vordering zonder voorwerp is geworden er niet mag toe leiden dat zij tot de kosten wordt veroordeeld. Het hof verwijst evenwel de in het ongelijk gestelde partij in de kosten (artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek), en het kan de zaak wat dat betreft niet op verschillende wijzen beoordelen met betrekking tot enerzijds de grond en anderzijds de kosten.

5. De kosten

Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet-waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk;

Verklaart het incidenteel hoger beroep van het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR ongegrond,

Het vonnis hervormend, verklaart de vordering van ICI PARIS XL zonder voorwerp;

Veroordeelt ICI PARIS XL tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van ICI PARIS XL op 186,00 EUR rolrecht + 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST en de GEMACHTIGDE AMBTENAAR op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Free keywords

  • Hoger beroep. Devolutieve werking. Gevolgen. Feiten die zich hebben voorgedaan sedert het vopnnis gewezen in eerste aanleg.