- Arrêt of April 28, 2011

28/04/2011 - 2008 AR 2128

Case law

Summary

Samenvatting 1

het recht op aftrek voorbelasting is uit te oefenen in periodieke btw aangifte - geen btw-aangiften ingediend - geen voorbelasting afgetrokken - ‘belasting die niet was voldaan' is gelijk aan btw op de uitgaande handelingen van de betrokken tijdvakken en is niet gelijk aan het verschil tussen de btw op de uitgaande handelingen van de betrokken tijdvakken en de btw op de inkomende handelingen van dezelfde tijdvakken

neutraliteitsbeginsel - BTW neutraliteit is vreemd aan de berekeningswijze van de administratieve geldboete - btw neutraliteit kan enkel worden geconcretiseerd wanneer het recht op aftrek volgens de voorgeschreven regels wordt uitgeoefend

beperking verschuldigde geldboete - evenredigheidsbeginsel - over langere periode geen btw aangiften ingediend - reeds tot 20% gereduceerde geldboete is verantwoord


Arrêt - Integral text

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2008/AR/2128

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Invordering-Sector BTW, in de persoon van de E;a; Inspecteur/Ontvanger van het 5de B.T.W.-Ontvangkantoor van Brussel, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kantersteen, 47,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester Ariane Destrycker, advocaat te 1170 Brussel, Vorstlaan, 100.

TEGEN :

De B.V.B.A. GRAZIELLA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1020 Brussel, Wandstraat, 113-115,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Kiekens loco Luc Vanheeswijck, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat, 57-59.

*****

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. EINDARREST - gegrond

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 juni 2008, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 1 augustus 2008.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

Geïntimeerde vorderde voor de eerste rechter de vernietiging van de twee dwangbevelen, uitgevaardigd op 9 januari 2006, haar op 24 januari 2006 ter kennis gebracht middels gerechtsdeurwaarderexploot, welke dwangbevelen een geldboete van 11.613,88 EUR en interesten van 743,04 EUR, en een geldboete van 32.109,28 EUR en interesten van 2.311,20 EUR tot voorwerp hebben.

Geïntimeerde vorderde te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van geldboeten niet verschuldigd zijn voor zover zij meer bedragen dan respectievelijk 5.409,74 EUR en 7.788,18 EUR, te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding.

Het ene dwangbevel volgde op een regularisatieopgave, lastens geïntimeerde opgesteld m.b.t. de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003, op basis waarvan van geïntimeerde de volgende sommen worden gevorderd:

BTW 108.055,97 EUR

geldboete 21.610,00 EUR

interesten p.m.

Aan geïntimeerde werd wel toegestaan om een bedrag aan BTW in aftrek te brengen ten belope van 81.005,79 EUR.

Uit het akkoord van 1 juli 2005 m.b.t. de regularisatieopgave blijkt dat dit akkoord werd afgesloten onder de volgende voorwaarden: (1) compensatie van de gevorderde BTW ten bedrage van 108.055,97 EUR met de aftrekbare BTW ten bedrage van 81.005,79 EUR, en (2) "herberekening van de boete op het verschuldigd saldo", d.i. 27.050,18 EUR.

Aangezien geïntimeerde bovendien nog een BTW-tegoed van 40.725,10 EUR had, werd dit bedrag toegerekend op de gevorderde interesten voor een bedrag van 3.678,80 EUR, op de gevorderde boete voor een bedrag van 21.610,00 EUR en op de gevorderde BTW voor een bedrag van 15.436,30 EUR.

Vermits geïntimeerde niet vrijwillig overgaat tot betaling van het saldo van 11.613,88 EUR aan BTW en 743,04 EUR aan interesten, wordt het bestreden dwangbevel uitgevaardigd.

Het andere dwangbevel volgde op een regularisatieopgave, lastens geïntimeerde opgesteld m.b.t. de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2004, op basis waarvan van geïntimeerde volgende sommen worden gevorderd:

BTW 94.245,84 EUR

geldboete 18.840,00 EUR

interesten p.m.

Aan geïntimeerde wordt echter toegestaan om een bedrag aan BTW in aftrek te brengen ten bedrage van 55.285,87 EUR.

Uit het akkoord van 1 juli 2005 m.b.t. de regularisatieopgave blijkt dat dit akkoord werd afgesloten onder de volgende voorwaarden: (1) compensatie van de gevorderde BTW ten bedrage van 94.245,84 EUR met de aftrekbare BTW ten bedrage van 55.285,87 EUR, en (2) "herberekening van de boete op het verschuldigd saldo", d.i. 38.959,97 EUR.

Inmiddels stortte geïntimeerde aan het vijfde BTW-ontvangkantoor een bedrag van 26.937,09 EUR. Deze betaling werd toegerekend op de gevorderde interesten voor een bedrag van 1.246,40 EUR, op de gevorderde boete voor een bedrag van 18.840,00 EUR en op de gevorderde BTW voor een bedrag van 6.850,69 EUR.

Vermits geïntimeerde niet vrijwillig overgaat tot betaling van het saldo van 32.109,28 EUR aan BTW en 2.311,20 aan interesten, wordt het andere bestreden dwangbevel uitgevaardigd.

Geïntimeerde tekende verzet aan tegen de dwangbevelen, om reden dat de gevorderde boeten van 21.610,00 EUR en 18.840,00 EUR niet werden herberekend op het verschuldigde saldo.

Hij vordert te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van geldboeten niet verschuldigd zijn voor zover zij meer bedragen dan respectievelijk 5.409,74 EUR (d.i. 21.610,00 x 27.050,18/108.055,97) en 7.788,18 EUR (d.i. 18.840,00 x 38.959,97/94.245,84), te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding.

De eerste rechter was van oordeel dat de administratieve boeten ten onrechte werden berekend op de belasting verschuldigd op de gerealiseerde omzet, zonder rekening te houden met het recht op aftrek van de belasting die geïntimeerde betaalde aan haar leveranciers.

Hij verklaarde de vordering dienvolgens ontvankelijk en gegrond, en veroordeelde appellant tot de kosten.

GRIEVEN

Appellant streeft de hervorming van het bestreden vonnis na, met verwijzing van geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen.

Hij vraagt aan het hof te zeggen voor recht dat de in de bestreden dwangbevelen gevorderde bedragen door geïntimeerde verschuldigd zijn.

Geïntimeerde nodigt het hof uit het bestreden vonnis te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten.

In ondergeschikte orde vraagt zij de boeten kwijt te schelden, minstens gevoelig te verminderen.

BEOORDELING

Naar luid van artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd, gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Tabel G, afdeling 1, V van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt: "(...) Belastbare handelingen zijn niet, slechts gedeeltelijk, of zijn laattijdig opgenomen in de daartoe bestemde aangifte; (...) Het bedrag van de verschuldigde belasting voor een controleperiode van één jaar is (...) meer dan 1.250 EUR: 20 pct. van de verschuldigde belasting".

De eerste rechter, na te hebben overwogen dat krachtens artikel 2, 1° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 m.b.t. de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 17 en 22 W.BTW, d.i. op het ogenblik waarop de dienst voltooid is, tenzij de prijs voordien reeds geheel of gedeeltelijk werd gefactureerd of geïnd, of indien contractueel was bepaald dat de prijs geheel of gedeeltelijk op een vroeger tijdstip moest worden betaald, oordeelde dat het recht op aftrek en de verplichting belasting te betalen gelijktijdig ontstaan, zodat de belastingplichtige nooit meer verschuldigd is dan het verschil tussen de belasting berekend op de eigen omzet en de aftrekbare voorbelasting. Een inbreuk op de verplichting tijdig de belasting te betalen, in de zin van artikel 70, § 1 W.BTW, kan derhalve, naar het oordeel van de eerste rechter, enkel op dit verschil betrekking hebben. Hetzelfde geldt, volgens de eerste rechter, voor de term "verschuldigde belasting" gebruikt in de tabel G, afdeling 1, V van het koninklijk besluit nr. 41.

Appellant meent dat de administratieve boeten moeten worden berekend op de omzet zonder rekening te houden met het nog uit te oefenen recht op aftrek van de belasting die de belastingplichtige betaalde aan zijn leveranciers, in de gevallen waarin de verschuldigde BTW en de aftrekbare BTW niet werden opgenomen in de periodieke aangiften, maar via een BTW-controle d.m.v. een regularisatieopgave of proces-verbaal.

Appellant betoogt dat "om de uiteindelijk verschuldigde BTW te bepalen achteraf op de verschuldigde BTW op de output de betaalde BTW op de input reeds (werd) gecompenseerd. Deze compensatie betreft een toegeving van de administratie in het kader van de doorgevoerde regularisatieprocedure, doch belet niet dat de boete correct werd berekend op de verschuldigde BTW op de verkopen" (conclusie, blz. 7).

De litigieuze geldboeten werden opgelegd omdat geïntimeerde haar maandelijkse BTW-aangiften niet had ingediend.

Zoals appellant stelt, diende geïntimeerde haar recht op aftrek in haar periodieke BTW-aangiften uit te oefenen, wat zij bij hypothese evenwel niet deed. Dit volgt uit artikel 47, eerste lid W.BTW en artikel 4,eerste lid van het voormelde KB nr. 3.

Nu bij hypothese geïntimeerde geen BTW aftrok, is de belasting die geïntimeerde niet voldeed in de zin van artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW, gelijk aan de BTW op de uitgaande handelingen van het betrokken tijdvak, en niet gelijk aan het verschil tussen de BTW op de uitgaande handelingen van het betrokken tijdvak en de BTW op de inkomende handelingen van hetzelfde tijdvak.

Weliswaar ontstaat, zoals de eerste rechter overwoog, het recht op aftrek zodra de BTW opeisbaar wordt, en moet het recht op aftrek aldus ook onmiddellijk kunnen worden uitgeoefend. De onmiddellijke uitoefening van de aftrek gebeurt in beginsel in de eerste aangifte, die wordt ingediend na het ogenblik waarop het recht op aftrek ontstaat. Geïntimeerde diende evenwel geen BTW-aangiften in.

Geïntimeerde roept verkeerdelijk het neutraliteitsbeginsel in om voor te houden dat "de verplichting de belasting te voldoen", in de zin van artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW, inhoudt dat deze belasting enkel kan slaan op de belasting op de output minus de belasting op de input.

De BTW-neutraliteit wordt weliswaar geconcretiseerd in het recht op aftrek van de BTW.

Te dezen zijn evenwel de opgelegde administratieve geldboeten in het geding, en niet het recht op aftrek van geïntimeerde, welk recht overigens werd geëerbiedigd, nu de gevorderde BTW werd gecompenseerd met de aftrekbare BTW.

De BTW-neutraliteit is vreemd aan de administratieve geldboete.

Hoogstens is het evenredigheidsbeginsel in het geding, welk beginsel geïntimeerde eveneens inroept.

De geldboeten van 20 % berekend op de verschuldigde belasting zonder aftrek van de voorbelasting, is evenredig met de vastgestelde inbreuk, nl. het niet indienen van de periodieke BTW-aangiften.

Om dezelfde reden van evenredigheid, dient de subsidiaire vraag van geïntimeerde tot kwijtschelding minstens gevoelige vermindering van de boeten, te worden afgewezen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis,

Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond,

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant begroot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 2.200,00 EUR, het rolrecht hoger beroep van 186,00 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 2.200,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 2.200,00 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 2.200,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

Free keywords