- Arrêt of May 17, 2011

17/05/2011 - 2008AR1472

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het vermoeden uit artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek geldt in beginsel in het voordeel van de eigenaar, en is weerlegbaar. Een dergelijke weerlegging ligt voor de hand in het geval van nutsleidingen, die kunnen begrepen worden als erfdienstbaarheden van openbaar nut, met een daaraan verbonden recht van opstal. Die erfdienstbaarheden van openbaar nut kunnen ook gelden op domeingoederen.

Ook de riolering kan worden begrepen als een erfdienstbaarheid van openbaar nut. De riolering leidt afvalwater weg, over percelen van individuele eigenaars, in het algemeen belang.

De kwalificatie van de riolering als erfdienstbaarheid van openbaar nut met accessoir opstalrecht verzet zich tegen de toepassing van de natrekking uit artikel 552 en 553 van het Burgerlijk Wetboek, die van aanvullend recht is.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1472

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, vertegenwoordigd door haar Deputatie en gevestigd te 3010 KESSEL-LO, Provincieplein 1,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VERVAET E. loco Mr. VAN BEVER Marc, advocaat te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32 bus 7 ;

TEGEN:

1. S. F., ,

2. D. M., ,

eerste en tweede geïntimeerde,

beiden vertegenwoordigd door Mr. SMEYERS Guido, advocaat te 1653 DWORP, Alsembergsesteenweg 646a ;

3. SINT-GENESIUS-RODE GEMEENTE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te 1640 SINT-GENESIUS-RODE, Dorpsstraat 46,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DER SCHUEREN J. loco Mr. BOYDENS Edgar, advocaat te 1560 HOEILAART, Karel Coppensstraat 13 ;

4. AXA BELGIUM N.V., met maatschappelijke zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, ingeschreven met KBO-nummer 0404.483.367,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. SMEYERS G. loco Mr. DE BRAKELEER Walter, advocaat te 1950 KRAAINEM, Koningin Astridlaan 323;

5. P. Evelyne, ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. SMEYERS G. loco Mr. DUYCK Geert, advocaat te 1050 BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 51 ;

SAMENVATTING

Het vermoeden uit artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek geldt in beginsel in het voordeel van de eigenaar, en is weerlegbaar. Een dergelijke weerlegging ligt voor de hand in het geval van nutsleidingen, die kunnen begrepen worden als erfdienstbaarheden van openbaar nut, met een daaraan verbonden recht van opstal. Die erfdienstbaarheden van openbaar nut kunnen ook gelden op domeingoederen.

Ook de riolering kan worden begrepen als een erfdienstbaarheid van openbaar nut. De riolering leidt afvalwater weg, over percelen van individuele eigenaars, in het algemeen belang.

De kwalificatie van de riolering als erfdienstbaarheid van openbaar nut met accessoir opstalrecht verzet zich tegen de toepassing van de natrekking uit artikel 552 en 553 van het Burgerlijk Wetboek, die van aanvullend recht is.

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 april 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. DE FEITEN

De heer S. en mevrouw D. zijn eigenaar van een woning die zij ook bewonen in Sint-Genesius-Rode, X.sesteenweg 121. Zij stellen dat hun woning bij regenweer waterinfiltratie vertoont afkomstig van de riolering en een toezichtkamer langs de X.sesteenweg.

Op 14 juni 2007 hebben de heer S. en mevrouw D. de provincie VLAAMS BRABANT gedagvaard op grond van het feit dat de X.sesteenweg een provincieweg is. Zij vorderden herstelling van de riolering en schadeloosstelling, en, vooraf, de aanstelling van een deskundige.

Mevrouw P., eigenaar en bewoner van een woning in Sint-Genesius-Rode, X.seesteenweg 115, kwam vrijwillig tussen en vorderde van VLAAMS BRABANT ook herstelling en schadeloosstelling.

Bij vonnis van 12 juli 2007, bij verstek ten aanzien van VLAAMS BRABANT, heeft de eerste rechter ingenieur-architect VAN BESIEN aangesteld als deskundige.

Op 28 januari 2008 hebben de heer S. en mevrouw D. SINT-GENESIUS-RODE gedagvaard tot tussenkomst en tot betaling van 1,00 EUR provisioneel, op grond van de overweging dat bij het deskundig onderzoek VLAAMS BRABANT zou hebben verklaard dat zij niet zeker was eigenaar te zijn van de riolering.

Nadien kwam AXA, verzekeraar van de heer S. en mevrouw D., vrijwillig tussen, onder alle voorbehoud.

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

Voor de eerste rechter vorderden de heer S. en mevrouw D. SINT-GENESIUS-RODE te veroordelen tot tussenkomst en tot deelname aan het deskundig onderzoek bevolen bij vonnis van 12 juli 2007, en te zeggen dat het onderzoek ab initio zal worden hernomen door de deskundige.

SINT-GENESIUS-RODE concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

De eerste rechter verklaarde de vordering tegen SINT-GENESIUS-RODE ongegrond, beval de buitenzaakstelling van SINT-GENESIUS-RODE, veroordeelde VLAAMS BRABANT tot de kosten van SINT-GENESIUS-RODE, en verzond de zaak voor het overige naar de bijzondere rol.

In hoger beroep vraagt VLAAMS BRABANT het vonnis te hervormen voor zover het SINT-GENESIUS-RODE buiten de zaak stelt en VLAAMS BRABANT veroordeelt tot betaling van haar kosten, en te bevelen dat het onderzoek ab initio zal worden hernomen door de deskundige.

Bij incidenteel hoger beroep sluiten de heer S. en mevrouw D. zich aan bij het hoger beroep van VLAAMS BRABANT.

Mevrouw P. stelt afzonderlijk hoger beroep in en vraagt eveneens te zeggen dat SINT-GENESIUS-RODE in de zaak moet blijven.

SINT-GENESIUS-RODE concludeert tot de ongegrondheid van de hogere beroepen. Ondergeschikt vraagt zij de heer S. en mevrouw D. te veroordelen tot de betaling van haar kosten.

4. DE VRAAG VAN SINT-GENESIUS-RODE TOT HEROPENING VAN DE DEBATTEN

Bij verzoekschrift van 21 januari 2011 vraagt SINT-GENESIUS-RODE de debatten te heropenen met toepassing van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek. Als nieuw stuk of feit van overwegend belang stelt zij een vonnis voor van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 13 januari 2011 met betrekking tot de aansprakelijkheid van SINT-GENESIUS-RODE en VLAAMS BRABANT voor schade in verband met de riolering onder de Steenweg op X..

Terecht antwoorden de heer S. en mevrouw D. en VLAAMS BRABANT dat dit vonnis niet kan beschouwd worden als een nieuw stuk of feit van overwegend belang. De rechterlijke beslissingen in andere zaken vormen een bron van recht, maar beslissingen in andere zaken die dateren van na de inberaadname kunnen niet beschouwd worden als een nieuw stuk of feit van overwegend belang indien zij niet de rechten van de partijen vastleggen in de zaak die in beraad is. Het vonnis dat SINT-GENESIUS-RODE bedoelt, heeft betrekking op deels dezelfde partijen in een gelijkaardige betwisting over de riolering in de zelfde buurt, maar is uiteraard zonder invloed op de beoordeling van deze zaak.

Het hof gaat dus niet in op het verzoek van SINT-GENESIUS-RODE.

5. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

5.1. De grond van het hoger beroep

VLAAMS BRABANT voert aan dat de eerste rechter het gezag van gewijsde van zijn beslissing van 12 juli 2007 heeft geschonden door reeds over de grond van de zaak te oordelen.

Aan de orde is niet het gezag van gewijsde van de beslissing (dat verhindert dat dezelfde vordering een tweede keer wordt ingesteld), maar de uitputting van de rechtsmacht van de rechter (die door te beslissen niet opnieuw of anders kan beslissen). Door het bevelen van een onderzoeksmaatregel heeft de eerste rechter niet zijn rechtsmacht met betrekking tot de grond van de zaak uitgeput. Overigens kon de eerste rechter zijn rechtsmacht over de rol van SINT-GENESIUS-RODE niet uitputten in het vonnis van 12 juli 2007 omdat SINT-GENESIUS-RODE toen nog niet in de zaak was. Er is evenmin tegenstrijdigheid tussen de bevolen onderzoeksmaatregel over de technische feiten en verantwoordelijkheden en de juridische beoordeling over eigendom en meesterschap. Om dezelfde reden vormt het vonnis geen inbreuk op artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek; dat de rechter toezicht houdt op het deskundig onderzoek ontneemt hem niet zijn rechtsmacht over de rest van het geschil dat hem door partijen rechtsgeldig wordt voorgelegd.

VLAAMS BRABANT laat gelden dat de zaak op 10 maart 2008 alleen was vastgesteld voor de evaluatie van het deskundig onderzoek zodat zij niet in beraad kon genomen worden met betrekking tot de grond. Het klopt dat het vonnis van 12 juli 2003 de zaak daartoe had vastgesteld, maar de vordering tot tussenkomst, ingeleid op 18 februari 2008, was ook uitgesteld naar die zelfde zitting, en de zaak kon met betrekking tot die vordering wel in beraad genomen worden met betrekking tot de grond indien de rechter meende dat zij daartoe in staat was. VLAAMS BRABANT voert wel terecht aan dat zij voor de eerste rechter niet haar rechten van verdediging heeft kunnen uitoefenen met betrekking tot de vordering tot tussenkomst tegen SINT-GENESIUS-RODE, omdat zij niet was opgeroepen voor de zitting van 18 februari 2008. De heer S. en mevrouw D. stellen dat zij de griffie hebben gevraagd aan VLAAMS BRABANT een vaststelling met toepassing van artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek te sturen, maar daarvan vindt het hof geen spoor in het dossier. Er was dus geen geldige vaststelling ten aanzien van VLAAMS BRABANT op 10 maart 2008. Dat laatste heeft echter geen implicaties voor de beoordeling in hoger beroep, waar dezelfde vraag naar de tussenkomst van SINT-GENESIUS-RODE voorligt en waar VLAAMS BRABANT haar verdediging wel heeft kunnen voeren.

Er is met andere woorden geen reden om in hoger beroep niet te oordelen of SINT-GENESIUS-RODE reeds buiten de zaak kan worden gesteld.

Partijen voeren betwisting over de eigendom van de riolering onder de X.sesteenweg ter hoogte van de eigendommen van de heer S. en mevrouw D. en mevrouw P..

VLAAMS BRABANT erkent dat de X.sesteenweg daar een provincieweg was, tot hij op 1 januari 2009 werd overgedragen aan het VLAAMSE GEWEST. VLAAMS BRABANT meent echter dat het beheer over de weg niet impliceert dat zij eigenaar is van de onderliggende nutsleidingen en riolering. SINT-GENESIUS-RODE stelt dat de riolering als werk onder de eigendom van VLAAMS BRABANT met toepassing van artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek wordt vermoed het eigendom te zijn van VLAAMS BRABANT.

Het vermoeden uit artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek geldt in beginsel in het voordeel van de eigenaar, en is weerlegbaar. Een dergelijke weerlegging ligt voor de hand in het geval van nutsleidingen, die kunnen begrepen worden als erfdienstbaarheden van openbaar nut, met een daaraan verbonden recht van opstal. Die erfdienstbaarheden van openbaar nut kunnen ook gelden op domeingoederen .

Ook de riolering kan worden begrepen als een erfdienstbaarheid van openbaar nut. De riolering leidt afvalwater weg, over percelen van individuele eigenaars, in het algemeen belang. In de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt het openbare riool begrepen als "elke openbare afwatering aangelegd als ondergrondse geleiding of openluchtgreppel of -gracht en bestemd voor het opvangen van afvalwater" (artikel 3).

De toepassing van de logica van de erfdienstbaarheid van openbaar nut met een accessoir opstalrecht vindt in elk geval bevestiging in de wetgeving met betrekking tot de rioolwaterzuivering. Zeggen dat de rioolwaterzuivering moet onderscheiden worden van de riolering zelf lijkt een scholastiek distinguo. Artikel 32 octies § 3 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bepaalt dat de "rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen" van toepassing zijn "op de in artikel 32septies, § 1 bedoelde vennootschap bij de vervulling van de haar in toepassing van onderhavige wet toevertrouwde taken", Aquafin dus. Ook artikel 5 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de N.V. Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging heeft het over een erfdienstbaarheid gevestigd met het oog op de oprichting en de exploitatie van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur.

De kwalificatie van de riolering als erfdienstbaarheid van openbaar nut met accessoir opstalrecht verzet zich tegen de toepassing van de natrekking uit artikel 552 en 553 van het Burgerlijk Wetboek, die van aanvullend recht is.

Het afwijzen van het bovenstaande en het vasthouden aan de toepassing van het recht van natrekking op de riolering zou in het voorliggende geval overigens leiden tot merkwaardige resultaten. Op de zitting is uitgelegd dat de toezichtkamer die volgens de heer S. en mevrouw D. waterinfiltraties veroorzaakt, deels onder de voorgevel van hun woning steekt, en in de kelder. Met strikte toepassing van artikel 553 van het Burgerlijk Wetboek zouden de heer S. en mevrouw D. de toezichtkamer kunnen beschouwen als gedeeltelijk hun eigendom (voor zover ze op hun perceel ligt), kunnen ze zichzelf beschouwen als aansprakelijk voor een eventueel gebrek aan onderhoud en kunnen ze beslissen het ding af te breken. Dit gaat uiteraard niet op, omdat de toezichtkamer en de riolering waarvan zij deelt uitmaakt evident behoren tot een afwateringsysteem in het openbaar belang.

De eigendom van de weg volstaat aldus niet als criterium voor de eigendom van de riolering die er onder of langs loopt. Dit is evident waar de riolering de weg kruist, maar geldt ook waar de riolering gedeeltelijk het tracé van de weg volgt. Gelet op de wetten van de fysica mag aangenomen worden dat de loop van de riolering niet vanzelfsprekend steeds gelijkloopt met die van het wegennet.

SINT-GENESIUS-RODE werpt op dat de riolering wordt gebruikt voor het water van de provinciale weg, maar ook dat is geen nuttig criterium om te bepalen wie eigenaar of beheerder is van de riolering; de riolering vangt wellicht ook water op van buiten de provinciale weg: dat van de heer S. en mevrouw D. en mevrouw P. en andere eigenaars, en mogelijk ook dat van verderop.

Overigens kan een onderscheid gemaakt worden tussen de afwatering van de weg zelf (ook dat is een "openbare afwatering bestemd voor het opvangen van afvalwater") die uiteraard gelijkloopt met de weg, en het eigenlijke rioleringsnetwerk. De uiteenzetting van feiten van partijen suggereert dat de heer S. en mevrouw D. en mevrouw P. zich beklagen over een eigenlijk rioleringsnetwerk, maar het is op dit ogenblik niet a priori uit te sluiten dat de afwatering van de voorheen provinciale, nu gewestelijke weg, een rol speelt.

Van oudsher was het beheer van de waterlopen met inbegrip van de afwatering een taak van de gemeente, meer bepaald het college van burgemeester en schepenen, onder toezicht van de provincie . Ook in de nieuwe gemeentewet staan de gemeenten in voor onder meer de zindelijkheid, gezondheid en veiligheid, en reiniging . Overigens zouden de rioleringen ook beschouwd kunnen worden als inrichtingen in het bijzonder bestemd voor de bewoners van de gemeente en dus inrichtingen waarover de gemeenten het beheer hebben . Ook uit artikel 20 tot 22 van het Algemeen Reglement voor de bescherming van de arbeid van 11 februari 1946 werd een belangrijke rol afgeleid voor de burgemeester . Zoals vermeld werd krachtens de wet van 26 maart 1971 Aquafin opgericht; één van de taken waarmee Aquafin wordt belast is "het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen" (artikel 32 septies §1 4°); van provinciale riolen is daar geen sprake. De brief van de (unitaire) provincie Brabant van 20 juni 1980, die de gemeenten voorhoudt dat de afwatering in "de provinciale baan" aan de gemeenten behoort en door hen moet onderhouden worden, sluit aan bij die klassieke rolverdeling . Het is uiteraard een stuk van (de rechtsvoorganger van) VLAAMS BRABANT zelf, maar het is opgesteld in tempore non suspecto.

SINT-GENESIUS-RODE wijst op een besluit van de bestendige deputatie van VLAAMS BRABANT van 14 februari 2008, waarin als voorwaarden voor het mogen maken van een sleuf in de Steenweg naar X. voor het aansluiten op de riolering, wordt opgelegd hoe de verbinding met de riolering moet gebeuren. VLAAMS BRABANT wijst er terecht op dat zij daar toelating verleent tot het uitvoeren van werken aan haar weg; overigens mag aangenomen worden dat SINT-GENESIUS-RODE bij het verlenen van stedenbouwkundige vergunningen ook voorwaarden oplegt met betrekking tot aansluitingen op het rioleringsnetwerk; zij legt geen voorbeelden voor van stedenbouwkundige vergunningen op dat deel van de X.sesteenweg.

Uit bovenstaande overwegingen blijkt voldoende dat vooralsnog niet vaststaat dat SINT-GENESIUS-RODE niet de eigenaar of niet de beheerder is van de riolering onder de X.sesteenweg ter hoogte van de eigendommen van de heer S. en mevrouw D. en mevrouw P..

Voor het overige kan in de huidige stand van de zaak niets gezegd worden over de mogelijke betrokkenheid van SINT-GENESIUS-RODE in de door de heer S. en mevrouw D. en mevrouw P. aangevoerde schade. Gelet op de voorgelegde stukken kan niet uitgemaakt worden in welke mate er schade is, en waardoor die wordt veroorzaakt, laat staan of SINT-GENESIUS-RODE daarbij betrokken is als eigenaar of beheerder van riolering, of op een andere wijze binnen de haar door de wet opgelegde bevoegdheid. Voor het verzamelen van feitelijke gegevens is een deskundig onderzoek zoals bevolen door de eerste rechter wenselijk, en het is voorbarig om te beslissen dat SINT-GENESIUS-RODE niet zal deelnemen aan dat onderzoek.

Gelet op het recht van verdediging zal de deskundige uiteraard zijn onderzoek vanaf het begin hernemen.

6. DE KOSTEN

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

7. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het beslist SINT-GENESIUS-RODE buiten de zaak te stellen en VLAAMS BRABANT veroordeelt tot haar kosten, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Veroordeelt SINT-GENESIUS-RODE om tussen te komen in het geding en in het bij vonnis van 12 juli 2007 bevolen deskundig onderzoek, en zegt dat de deskundige zijn onderzoek vanaf het begin zal hernemen, en verzendt de zaak met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek naar de eerste rechter.

Veroordeelt SINT-GENESIUS-RODE tot de kosten van het hoger beroep, begroot (rechtsplegingsvergoedingen 1320)

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van eerste en tweede geïntimeerde op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de gemeente SINT-GENESIUS-RODE op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van AXA BELGIUM op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van P. E.op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 17 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

Free keywords

  • Erfdienstbaarheid van openbaar nut. Riolering. Accessoir opstalrecht. Gen toepassing van de artikelen 552 en 553 BW dat aanvullend recht is.