- Arrêt of June 27, 2011

27/06/2011 - 2011KR44

Case law

Summary

Samenvatting 1

Door zich te mengen in het eigen beslissingsrecht dat krachtens een andere wet aan een onderzoeksrechter wordt toegekend, miskent de (burgerlijke) kortgedingrechter het bepaalde in artikel 2 Ger.W. De autonomie van het strafprocesrecht verzet zich immers tegen het optreden van de kortgedingrechter in strafzaken gezien de burgerlijke procedure niet de voor het strafprocesrecht vereiste waarborgen biedt.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2011/KR/44

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. A. V. en A. N.,

2. A. N.

3. K. S.

appellanten,

allen vertegenwoordigd door Mr. VAN HENDE Filip, advocaat te 9000 GENT, Baliestraat 28 en vertegenwoordigd door Mr. MUSSCHE Christine en Mr. DE CLERCK Anne loco Mr. VAN STEENBRUGGE Walter, advocaat te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2 ;

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VERGUCHT Peter, advocaat te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 255 ;

___________________________________________________________

Door zich te mengen in het eigen beslissingsrecht dat krachtens een andere wet aan een onderzoeksrechter wordt toegekend, miskent de (burgerlijke) kortgedingrechter het bepaalde in artikel 2 Ger.W. De autonomie van het strafprocesrecht verzet zich immers tegen het optreden van de kortgedingrechter in strafzaken gezien de burgerlijke procedure niet de voor het strafprocesrecht vereiste waarborgen biedt.

Gelet op de procedurestukken:

 de voor eensluidend verklaarde beschikking uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelende in kort geding, op 27 januari 2011, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

 het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 16 februari 2011;

 de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 2 mei 2011;

 de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 en 17 mei 2011.

Gehoord Advocaat-generaal DEBRUYNE in zijn mondeling advies.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 31 mei 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe (1) te horen zeggen voor recht dat zij over een subjectief recht beschikken om de begrafenis van wijlen U. en S. A. naar eigen inzichten te organiseren, (2) het verbod om de lichamen van voornoemde overledenen, zoals bevolen door de onderzoeksrechter ALLEGAERT bij kantschrift van 19 september 2010, minstens voorlopig te horen opheffen, (3) hen te horen machtigen om op eenvoudig vertoon van de tussen te komen beschikking de lichamen van voornoemde overledenen te vervoeren en over te brengen voor begraving naar Turkije onder voorbehoud dat de bewuste lijken ter beschikking blijven van de Belgische gerechtelijke autoriteiten voor eventuele verdere onderzoeksdaden en (4) geïntimeerde te horen verbieden deze lijkbezorging te verhinderen op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per overtreding.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering afgewezen op grond van het middel dat de gestelde vordering niet tot de bevoegdheid behoorde van de kortgedingrechter.

1.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun aanvankelijke vordering met dien verstande dat zij thans een dwangsom vorderen van 100.000 euro per overtreding.

1.4. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking minstens de vorderingen van appellanten ongegrond te verklaren.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellanten sub 1 de ouders zijn van de beide overledenen, appellante sub 2 de echtgenote is van S.A. en appellante sub 3 de echtgenote is van U. A.

De gebroeders A. werden op 18 september 2010 op straat beschoten te Meulebeke en kwamen hierbij om het leven.

2.3. Deze feiten maken het voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek dat geleid wordt door onderzoeksrechter ALLEGAERT uit Kortrijk.

Op 19 september 2010 werd op de beide lichamen een autopsie verricht.

Op 24 september 2010 legden huidige appellanten een klacht neer met stelling van burgerlijke partij bij voornoemde onderzoeksrechter en vroegen zij eveneens tot vrijgave over te gaan van de lichamen van de beide broers met het oog op de overbrenging ervan naar Turkije voor een religieuze begrafenisplechtigheid.

Bij beschikking van 24 september 2010 heeft de onderzoeksrechter deze vraag tot vrijgave afgewezen .

2.4. Appellanten tekenden hoger beroep aan tegen deze beschikking bij de K.I. te Gent.

De Procureur-generaal te Gent stelde in zijn vordering dat het hoger beroep van appellanten niet ontvankelijk was omdat het strafrechtelijk kort geding, zoals ingevoerd door de wet Franchimont, beperkt blijft tot vorderingen betreffende patrimoniale belangen.

Bij arrest van 26 oktober 2010 trad de K.I. te Gent voornoemde vordering bij.

2.5. Bij fax van 29 oktober 2010 vroegen appellanten aan de onderzoeksrechter andermaal om de lichamen van de beide broers vrij te geven.

Op 9 november 2010 liet de onderzoeksrechter aan de beide raadslieden van appellanten weten dat zijn beschikking van 24 september 2010 en de daarin vermelde motieven onveranderd van kracht bleven.

III. Bespreking.

3.1. Artikel 2 van het Ger.W. bepaalt dat de in dat wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dat wetboek.

Het verloop van een gerechtelijk onderzoek wordt beheerst door de bepalingen vervat in het Wetboek van Strafvordering.

De inbeslagname van een lijk tengevolge van een mogelijk misdrijf door een onderzoeksrechter met het oog op o.a. een autopsie maakt een onderzoeksmaatregel uit in de zin van artikel 28bis e.v. Sv. en meer in het bijzonder van de artikelen 44 en 55 e.v. Sv.

Artikel 56 Sv. bepaalt o.m. dat de onderzoeksrechter de verantwoordelijkheid draagt voor het gerechtelijk onderzoek dat zowel à charge als à décharge gevoerd wordt, hij zelf de handelingen mag verrichten die behoren tot de gerechtelijke politie, het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en dat hij zelf beslist of het noodzakelijk is dwang te gebruiken of inbreuk te maken op de individuele rechten en vrijheden.

3.2. Enkel artikel 61quater Sv. voorziet in een beroepsprocedure wanneer een belanghebbende de opheffing vraagt aan de onderzoeksrechter van een door hem genomen onderzoekshandeling en dit geweigerd wordt.

Deze procedure is echter beperkt tot onderzoekshandelingen die betrekking hebben op de goederen van die belanghebbende.

3.3. Het feit dat geen specifieke beroepsprocedure voorzien is voor andere onderzoeksdaden dan deze die betrekking hebben op de goederen van een belanghebbende brengt niet met zich mee dat de (burgerlijke) kortgedingrechter in die andere aangelegenheden (automatisch) bevoegd zou zijn.

De regels vervat in het Wetboek van Strafvordering houden immers rekening met de specifieke taak die een onderzoeksrechter te vervullen heeft, met name het opsporen - in alle onafhankelijkheid - van misdrijven en het verzamelen van alle dienstige bewijzen hiertoe en heeft om deze reden uitdrukkelijk voorzien dat een onderzoeksrechter zelf mag beslissen of het noodzakelijk is dwang te gebruiken of inbreuk te maken op de individuele rechten en vrijheden.

Door zich te mengen in het eigen beslissingsrecht dat krachtens een andere wet aan een onderzoeksrechter wordt toegekend, miskent de (burgerlijke) kortgedingrechter het bepaalde in artikel 2 Ger.W. De autonomie van het strafprocesrecht verzet zich immers tegen het optreden van de kortgedingrechter in strafzaken gezien de burgerlijke procedure niet de voor het strafprocesrecht vereiste waarborgen biedt.

Uit voornoemde bepaling volgt bovendien dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek toepassing vinden in het strafrecht om er een leemte aan te vullen, op voorwaarde evenwel dat die bepalingen te verenigen zijn met de rechtsbeginselen waarop dat recht stoelt.

Indien de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek onverenigbaar zijn met die beginselen, kan de rechter deze leemte niet aanvullen en komt het enkel aan de wetgever toe bestaande wetgeving in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het E.V.R.M.

Omdat de (burgerlijke) kortgedingrechter zich niet met de strafvordering kan inlaten zonder de wetten en beginselen die de bevoegdheid van de strafgerechten regelen, te miskennen, is er in de loop van die vordering, ondanks het bestaan van een leemte, geen plaats voor de rechter in kort geding.

3.4. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat appellanten hun vordering richten tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie.

Zij vragen bijgevolg aan de overheid om een maatregel, genomen door een onderzoeksrechter in het belang van een gerechtelijk onderzoek, ongedaan te maken.

Ingaan op een dergelijk verzoek zou een schending uitmaken van de scheiding der machten en zou een fundamentele inbreuk uitmaken op de onafhankelijke positie van een onderzoeksrechter wat één van de basisbeginselen is, vervat in het Wetboek van Strafvordering.

3.5. Nog meer ten overvloede tenslotte is de kortgedingrechter slechts bevoegd om voorlopige maatregelen te nemen die geen nadeel toebrengen aan de grond van de zaak en die geen onherstelbare of zeer moeilijk herstelbare schade berokkenen.

Indien toegestaan zou worden dat de lichamen naar Turkije zouden overgebracht worden, zijn deze lichamen niet verder beschikbaar meer voor het gerechtelijk onderzoek dat nog steeds loopt, minstens niet met zekerheid en binnen een korte termijn beschikbaar.

De brief van de ambassadeur van Turkije in België waarin gesteld wordt dat het Ministerie van Justitie van de Republiek Turkije garandeert dat de Turkse juridische autoriteiten een aanvraag tot onderzoek, geformuleerd door de Belgische juridische autoriteiten, zullen uitvoeren conform de bepalingen van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse hulp in strafzaken, overtuigt het hof niet.

Nergens blijkt uit dat de Minister van Justitie van Turkije betreffende deze materie over enige bevoegdheid beschikt en bijgevolg enige garantie kan bieden. Uit voornoemd schrijven blijkt immers dat enkel de Procureur van de Republiek tijdens het onderzoek of de rechtbank tijdens de vervolging tot opgraven van begraven lichamen kan beslissen.

Dergelijke verzoeken moeten bovendien het voorwerp uitmaken van rogatoire commissies die tijdrovend zijn en een gerechtelijk onderzoek ten zeerste bemoeilijken.

De gevorderde maatregel brengt derhalve nadeel toe aan de grond van de zaak en heeft geen voorlopig karakter, reden waarom de kortgedingrechter andermaal onbevoegd is.

3.6. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter zich terzake onbevoegd heeft verklaard.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.7. Appellanten verzoeken hen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen t.b.v. 1.320 euro , zijnde het geïndexeerd basisbedrag voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Geïntimeerde sluit zich aan bij de visie van de eerste rechter dat in deze het minimumtarief dient toegepast te worden, zijnde na indexatie 82,50 euro .

Gelet op de aard van de betwisting komt het redelijk voor om toepassing te maken van het minimumtarief.

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellanten op 139,00 EUR rolrechten + 82,50 EUR rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 82,50 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 27 juni 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Free keywords

  • Misdrijf. Teruggave van het lijk van het slachtoffer aan diens familie. Beslissing van de onderzoeksrechter. Hoger beroep. Kortgeding.