- Arrêt of June 28, 2011

28/06/2011 - 2008AR284

Case law

Summary

Samenvatting 1

De overheid die wenst over te gaan tot een onteigening bij hoogdringendheid dient te motiveren om welke reden zij beroep wenst te doen op de spoedprocedure. De rechter dient na te gaan of de ingeroepen motieven de hoogdringendheid redelijk verantwoorden maar mag zich hierbij niet in de plaats van de overheid stellen.

Er bestaat geen wettelijke verplichting in hoofde van de onteigenaar om over te gaan tot afpaling; artikel 646 B.W. is in dezen niet van toepassing. Een afpaling is derhalve onnodig om de onteigeningsvergoeding te bepalen.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2804

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. V. G., wonende te

2. H. N.V., met maatschappelijke zetel te

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. MITTENAERE Roland, advocaat te 8500 KORTRIJK, Peter Benoitstraat 7/8 ;

TEGEN:

Het VLAAMSE GEWEST, handelend voor rekening van AQUAFIN N.V., met maatschappelijke zetel te 2630 AARTSELAAR, Dijkstraat 8, ingeschreven met KBO-nummer 0440.691.388, bij wie woonstkeuze wordt gedaan,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. ASSCHERICKX Bertrand, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643

______________________________________________________

De overheid die wenst over te gaan tot een onteigening bij hoogdringendheid dient te motiveren om welke reden zij beroep wenst te doen op de spoedprocedure. De rechter dient na te gaan of de ingeroepen motieven de hoogdringendheid redelijk verantwoorden maar mag zich hierbij niet in de plaats van de overheid stellen.

Er bestaat geen wettelijke verplichting in hoofde van de onteigenaar om over te gaan tot afpaling; artikel 646 B.W. is in dezen niet van toepassing. Een afpaling is derhalve onnodig om de onteigeningsvergoeding te bepalen.

Gelet op de procedurestukken:

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 20 juni 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

 het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 5 november 2008;

 de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 30 september 2009;

 de tweede syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 6 november 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 mei 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe in hoofdorde de vordering tot onteigening ontoelaatbaar minstens ongegrond te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat het Vlaamse Gewest het terrein van de NV H. zonder recht of titel bezet heeft. Zij vroegen verder het Vlaamse Gewest te veroordelen tot het herstellen van het terrein in zijn oorspronkelijke toestand en ter vrije beschikking van de eigenaar te stellen en bij gebreke daarvan de eigenaar te machtigen dit zelf te doen op kosten van geïntimeerde te betalen in schijven van minstens 5.000 euro , dit alles binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis.

In ondergeschikte orde vroegen appellanten geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een onteigeningsvergoeding van 5.605 euro plus de pro rata bijkomende vergoeding in functie van de werkelijk onteigende oppervlakte van 1.200 m² en plus intresten.

1.2. De eerste rechter heeft de definitieve onteigeningsvergoeding bepaald op 3.144,16 euro en geïntimeerde veroordeeld tot betaling aan appellante sub 2 van een bedrag van 356,16 euro plus de intresten.

1.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun vordering zoals in hoofdorde ingesteld voor de eerste rechter.

In ondergeschikte orde vragen zij een bijkomende onteigeningsvergoeding van in totaal 6.921,80 euro als volgt samengesteld: 1.815 euro voor grenspalen + 0,80 euro aan wederbeleggingsvergoeding plus een provisie van 4.500 euro voor de kosten van verdediging (beslissing die zou moeten aangehouden worden ) plus 605 euro voor de kosten van deskundige Mosselmans plus 1 euro provisioneel voor kosten beslissing artikel 9 Wet van 26 juli 1962 (beslissing die eveneens zou moeten aangehouden worden) plus intresten.

Appellanten vragen bovendien te zeggen voor recht dat de gerechtskosten waarvan sprake in het voorlopig vonnis van de vrederechter te Halle van 31 augustus 2005 door hen niet verschuldigd zijn.

Zij vragen tenslotte geïntimeerde tevens te veroordelen tot het betalen van de vergoedende en de gerechtelijke intresten op het verschil tussen de voorlopige vergoeding toegekend bij vonnis van 31 augustus 2005 en de provisionele vergoeding toegekend bij vonnis van 22 september 2004 en dit tussen 31 augustus 2005 en de tweede storting in de consignatiekas op 15 september 2005.

1.4. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. Antecedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hier op neer dat bij M.B. van 22 april 1996 de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur ten gunste van de NV AQUAFIN van openbaar nut werd verklaard op de percelen afdeling 4, sectie 4, nrs 255y2, 242, 243 en 241c gelegen te Beersel .

Dit M.B. werd vernietigd door de Raad van State bij arrest van 7 mei 2007.

Bij M.B. van 26 mei 1998 werd aan Aquafin een bouwvergunning verleend voor het aanleggen van de collector op voornoemde percelen. Deze beslissing werd eveneens vernietigd door de Raad van State in een tweede arrest van 7 mei 2007.

Appellant sub 1 was eigenaar van het perceel 255y2 en bij akte verleden op 29 maart 2004 heeft hij dit perceel ingebracht in de NV H., huidige geïntimeerde sub 2. Deze akte werd overgeschreven in de registers van de hypotheekbewaarder op 21 april 2004.

2.3. Bij M.B. van 5 mei 2004 werd machtiging verleend om tot onteigening over te gaan van voornoemde percelen met toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte.

2.4.Bij vonnis van 22 september 2004 (1) gaf de vrederechter akte aan de NV H. van haar vrijwillige tussenkomst, (2) verklaarde hij dat de vordering in onteigening regelmatig was ingesteld, de door de wet voorgeschreven formaliteiten vervuld waren en het plan van de grondinneming van toepassing was op de goederen waarvan de onteigening gevorderd werd en (3) bepaalde hij de provisionele schadevergoeding op 1.157,85 euro .

Bij vonnis van 31 augustus 2005 bepaalde de vrederechter de voorlopige onteigeningsvergoeding op 2.788 euro wat in het bestreden vonnis uitgebreid werd tot 3.144,16 euro . De vrederechter veroordeelde tevens de onteigende partij in de kosten.

III. Bespreking.

3.1. Wat de regelmatigheid van de onteigeningsprocedure betreft:

3.1.1. De vordering tot onteigening ingesteld bij dagvaarding betekend op 19 juli 2004 werd gericht tegen G. V.N.

Nadien bleek dat op 29 maart 2004 G. V.N deze eigendom had ingebracht in de NV H. die zich eerst gemanifesteerd heeft als eigenaar tijdens het plaatsbezoek van 28 juli 2004.

Appellanten verwijten geïntimeerde zich enkel op de kadastrale gegevens te hebben gesteund en niet de registers van de hypotheekbewaarder te hebben geraadpleegd.

De vordering tot onteigening wordt gegeven aan gericht tot? (zin nagaan...) de schijnbare eigenaars en vruchtgebruikers zoals deze terug te vinden zijn in de kadastrale bescheiden. In deze bescheiden komt G. V.N voor als de enige eigenaar van het onteigende perceel.

De NV H. is tijdens de plaatsopneming vrijwillig verschenen en op 30 juli 2004 legde deze partij een verzoekschrift neer in vrijwillige tussenkomst teneinde geïntimeerde toe te laten de procedure op dat punt althans te regulariseren. Geïntimeerde heeft dan zijn oorspronkelijke vordering uitgebreid tegen de NV bij conclusie neergelegd op 27 augustus 2004.

Gezien de NV H. in voornoemd verzoekschrift zelf stelt dat zij tussenkomt in het geding teneinde de bestaande onteigeningsprocedure te regulariseren, kan zij achteraf niet meer stellen in haar belangen te zijn geschaad omwille van het feit dat in deze de onteigening gevorderd wordt bij wijze van eisuitbreiding door geïntimeerde.

In tegenstelling met wat appellanten voorhouden, voorziet de onteigeningswet wel in de mogelijkheid van een vrijwillige tussenkomst door derden.

De heer G. V.N heeft bovendien zelf de schijn gewekt de eigenaar te zijn van het betreffende perceel.

Bij aangetekend schrijven van 21 juni 2004 deed geïntimeerde een laatste bod en de heer G. V.N heeft hierop niet gereageerd. Stellen dat hij dit schrijven niet ontvangen zou hebben, komt niet geloofwaardig over gezien diezelfde dag ook een bod werd gedaan voor de percelen 242 en 243 en hij niet betwist die brief wel ontvangen te hebben.

De heer G. V.N was bovendien perfect op de hoogte dat het desbetreffende perceel voor ingebruikname door de overheid bestemd was gezien voorafgaandelijk aan huidige procedure hetzelfde perceel het voorwerp heeft uitgemaakt van een procedure voor het vestigen van een erfdienstbaarheid wat door hem aangevochten werd voor de Raad van State.

In de gegeven omstandigheden achtte hij het niet nodig geïntimeerde op de hoogte te stellen van de eigenaarswissel wat geïntimeerde niet geacht werd te weten gelet op zijn beperkte onderzoekingsplicht.

Het feit tenslotte dat de NV H. niet gedagvaard werd om te verschijnen op het plaatsbezoek maar daar vrijwillig is verschenen, maakt de procedure niet nietig. De NV H. was bovendien niet verplicht om te verschijnen en zij kan deze daad enkel gesteld hebben met de bedoeling de aan gang zijnde procedure te regulariseren.

De gevoerde procedure t.a.v. de NV H. is derhalve regelmatig.

3.1.2. Appellanten werpen verder op dat er geen onderhandelingen werden gevoerd in de zin van artikel 3 van de wet van 26 juli 1962.

Op 21 juni 2004 deed AQUAFIN een laatste bod en deelde zij haar intentie mede om aan geïntimeerde te vragen de procedure tot gerechtelijke onteigening te starten. Appellanten reageerden hierop niet.

Appellanten voeren een ganse polemiek over het al dan niet ontvangen van voornoemd schrijven wat niet eens ter zake dienend is.

De onteigenaar dient zich immers niet eerst uit te putten in onderhandelingen en al het mogelijke te doen om een dwingende verwerving van het beoogde goed via een onteigening te voorkomen. Er bestaat inderdaad geen enkele wettelijke regel of administratieve verplichting of instructie die het opstarten van een onteigeningsprocedure niet zou toelaten indien niet eerst getracht werd de beoogde goederen in der minne te verwerven.

De enige verwijzing van de wetgever naar minnelijke onderhandelingen komt voor in artikel 3 van de wet van 26 juli 1962 waarin enkel gesteld wordt dat bij gebreke aan overeenkomst tussen de partijen, de onteigenaar ter griffie van het vredegerecht van de ligging der goederen...een verzoekschrift indient......

De goederen die het voorwerp uitmaken van een onteigening zijn in principe onbetwistbaar nodig voor het vervullen door de onteigenaar van zijn taak van algemeen nut. Indien men wil voorkomen dat het uitoefenen van deze taak van algemeen nut in het gedrang komt, dient het bestuur er voor te zorgen dat het al het nodige doet opdat het op een vlotte en efficiënte wijze de goederen kan verwerven die vereist zijn voor die overheidstaken.

Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat het bod van AQUAFIN 1.157,85 euro bedroeg voor minnelijke verwerving terwijl appellanten thans een bedrag vorderen van bijna 7.000 euro zodat het zoeken naar een akkoord tussen partijen eerder illusoir te noemen is.

Een bod is verder geen administratieve handeling in de zin van de wet van 26 juli 1962 zodat er in deze geen schending van de motiveringsplicht kan ingeroepen worden.

3.1.3. Appellanten verwijten aan de vrederechter geen beslissing te hebben genomen binnen de 48u na de verschijning zoals voorgeschreven bij artikel 7 van de wet van 26 juni 1962.

Op de overschrijding van deze termijn voorziet de wet geen sanctie. Deze korte termijn kan overigens niet van toepassing zijn als de partijen verschillende excepties van onwettigheid voordragen - wat in deze het geval is - die allen beantwoord moeten worden.

Partijen hebben overigens zelf beslist om af te wijken van deze termijn. Zij vroegen uitstel naar de zitting van 2 september 2004 en spraken conclusietermijnen af. Appellanten hebben zelf begin september nog een conclusie neergelegd waarin nergens een verwijt voorkomt dat de vrederechter geen beslissing nam binnen de 48u.

De overschrijding van deze termijn brengt bijgevolg geen ontoelaatbaarheid met zich mee en de handelwijze van partijen toont genoegzaam aan dat de rechten van verdediging volkomen geëerbiedigd werden.

3.1.4. Appellanten houden voor dat tijdens het plaatsbezoek gebleken is dat op het terrein geen aanduiding of afpaling was aangebracht zodat het niet mogelijk was uit te maken of het te onteigenen goed overeenstemde met het onteigeningsplan.

De wet schrijft niet voor dat de onteigenaar tot afpaling dient over te gaan.

De onteigenaar kan bovendien niet meer onteigenen dan datgene wat ingekleurd is op het onteigeningsplan. In deze stemt de onteigende oppervlakte met deze vermeld op het onteigeningsplan.

Het onteigeningsplan bevat tenslotte voldoende informatie opdat de vrederechter en de deskundige zouden kunnen uitmaken welke innemingen het voorwerp zijn van de onteigening.

Appellanten tonen overigens niet in concreto aan dat een perceelgedeelte zou ingenomen zijn dat volgens het onteigeningsplan niet tot het onteigende gedeelte zou behoren.

3.1.5. Appellanten werpen tenslotte op dat het onteigeningsplan niet zou zijn opgesteld door een landmeter - expert.

Geïntimeerde toont afdoend aan dat de plannen werden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de heer VANDER DONCK - wiens naam op het onteigeningsplan staat - die wel degelijk een landmeter - expert mag genoemd worden.

Appellanten verwijzen naar een artikel 20, 1° van het K.B. van 15 december 2005 dat in werking trad op 31 maart 2006. Deze bepaling was bijgevolg nog niet van kracht op het ogenblik van het opstellen van huidig onteigeningsplan.

Het onteigeningsplan voldoet bijgevolg aan alle wettelijke vereisten en er zijn geen gegevens voorhanden als gevolg waarvan zou moeten getwijfeld worden aan de onafhankelijkheid van de opsteller van dat plan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat appellanten pogen verwarring te zaaien over de eigenlijke oppervlakte van het onteigende goed. Uit de neergelegde stukken blijkt afdoend dat 62 m² werd onteigend, zijnde een deel van het perceel 255Y2 dat in totaal 6.800 m² bedraagt. Alle overige beschouwingen van appellanten desbetreffend zijn niet relevant.

3.2. Wat de wettigheid van het onteigeningsbesluit van 5 mei 2004 betreft:

3.2.1. Appellanten werpen op dat het onteigeningsbesluit onwettig zou zijn omdat de Vlaamse Executieve pas kan overgaan tot onteigening in de gevallen waar deze overheid over een beoordelingsbevoegdheid beschikt wat in deze niet het geval zou zijn omdat artikel 59 van het Decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1990 de beoordelingsbevoegdheid van de Vlaamse Executieve inzake de uitbouw van waterzuiveringsinfrastructuur uitdrukkelijk uitsluit door o.m. het opstellen van een Technisch Plan en de realisatie ervan toe te vertrouwen aan de NV AQUAFIN.

Het onteigeningsbesluit vermeldt als wettelijke bronnen:

- De wet van 26 juli 1962 betreffende onteigeningen ten algemene nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen;

- De wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;

- Het Decreet van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en modaliteiten waarbij de Vlaamse Regering kan overgaan tot onteigening ten algemene nutte inzake gewestelijke aangelegenheden;

- Het Decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering.

Vanaf 1 januari 1991 is AQUAFIN exclusief bevoegd voor de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur voor het hele Vlaamse Gewest in uitvoering van artikel 32 septies, §1 en 2 van de wet van 26 maart 1971, zoals gewijzigd.

Op 11 januari 1991 werd een overeenkomst afgesloten tussen het Vlaamse Gewest en AQUAFIN. Overeenkomstig artikel 7 van deze overeenkomst dienen de terreinen die deel uitmaken van het openbaar domein ter beschikking gesteld te worden van AQUAFIN teneinde deze laatste toe te laten haar taak te vervullen.

Hieruit volgt dat de gronden waarop de infrastructuur van AQUAFIN terecht moet komen, onteigend moeten worden door het Vlaamse Gewest handelend voor rekening van AQUAFIN ingeval AQUAFIN er niet in slaagt deze gronden minnelijk te verwerven (= artikel 8.5. van voornoemde overeenkomst).

De infrastructuur zelf blijft eigendom van AQUAFIN gedurende de ganse duur van de overeenkomst waarna de installaties automatisch en van rechtswege aan het Vlaamse Gewest toekomen zonder enige vergoeding (= artikel 7.2. van voornoemde overeenkomst).

Het decreet van 13 april 1988 - genomen in uitvoering van artikel 107 quater van de G.W. - machtigt de Vlaamse Regering om over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden zoals bedoeld in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Artikel 3 van dit decreet bepaalt dat de regering andere rechtspersonen - waaronder het Vlaamse Gewest -, bevoegd om onroerende goederen te onteigenen, kan machtigen om in die gevallen tot onteigening over te gaan.

Het Vlaamse Gewest kon derhalve in deze tot onteigening overgaan voor rekening van AQUAFIN en het machtigingsbesluit verwijst terecht naar de van toepassing zijnde habilitatiewetgeving. Het is in deze niet AQUAFIN die tot onteigening is overgegaan maar geïntimeerde voor rekening van AQUAFIN wat past in het terzake geldende wettelijk kader.

In tegenstelling met wat appellanten voorhouden, werden in deze geen wettelijke bepalingen miskend ook niet deze vervat in de wet van 26 maart 1971.

Deze exceptie van onwettigheid mist derhalve juridische grondslag.

3.2.2. Appellanten werpen verder op dat geïntimeerde onteigend zou hebben op grond van artikel 14 van de Gaswet en de voorwaarden bepaald in artikel 10 van deze wet niet werden nageleefd, met name geen voorafgaand onderzoek werd gehouden en het in deze niet gaat om percelen die niet bebouwd zijn noch omsloten.

Appellanten mengen hierbij twee procedures door elkaar. Er bestaat een essentieel verschil tussen een onteigening door het Vlaamse Gewest en een verklaring van openbaar nut ten voordele van AQUAFIN.

Op grond van artikel 14 van de Gaswet kan ingeval een K.B. van verklaring van openbaar nut wordt bekomen, een wettelijke erfdienstbaarheid gevestigd worden op de eigendom van appellanten zonder dat onteigend moet worden teneinde de geplande infrastructuur aan te leggen.

In deze bekwam Aquafin op 22 april 1996 zo'n verklaring van openbaar nut, beslissing die echter vernietigd werd door de Raad van State omdat het in deze ging om omsloten percelen in strijd met artikel 10 van de Gaswet. Om deze reden ging geïntimeerde dan over tot onteigening en de bepalingen van de Gaswet zijn op deze procedure niet van toepassing.

In dit verband verwijzen appellanten tevens naar de artikelen 32 septies en 32 octies van de wet van 26 maart 1971 om hieruit af te leiden dat de Gaswet van toepassing zou zijn op huidige onteigening.

Voornoemde bepalingen stellen enkel dat AQUAFIN gebruik kan maken van de wettelijke erfdienstbaarheid voorzien in de Gaswet maar legt niet de verplichting op om toepassing te maken van deze procedure. AQUAFIN is derhalve gerechtigd om aan geïntimeerde te vragen om rechtstreeks tot onteigening over te gaan op grond van de wet van 26 juli 1962. Wanneer AQUAFIN opteert voor deze laatste oplossing is het irrelevant of de bepalingen van de Gaswet al dan niet verwezenlijkt zijn.

Er is in deze dan ook op een wettige wijze onteigend door het Vlaamse Gewest voor rekening van AQUAFIN.

3.2.3. Appellanten menen dat het Technisch Plan opgesteld door AQUAFIN op 1 maart 1994 ook onwettig is.

Dit blijkt nergens uit en het arrest van de Raad van State van 7 mei 2007 heeft de machtiging tot het vestigen van een wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut enkel vernietigd omdat het perceel in kwestie omheind was. Meer werd in dat arrest niet beslist.

Uit het feit dat AQUAFIN bevoegd is om een technisch plan op te stellen, kan evenmin afgeleid worden dat geïntimeerde niet meer bevoegd zou zijn tot onteigening over te gaan om dit plan te realiseren.

Hier voren werd reeds uitvoerig aangetoond dat in deze geïntimeerde wel degelijk gehabiliteerd was om tot onteigening over te gaan voor rekening van AQUAFIN en dat er geen wettelijke bepalingen voorhanden zijn die deze bevoegdheid aan banden leggen.

Appellanten menen dat het onteigeningsplan in deze niet zou overeenstemmen met het Technisch Plan.

Het hof stelt vast dat het onteigeningsbesluit verwijst naar het project 94.242 - 2, wat betekent het project 94.242 in het nieuwe tracé, verschenen in het B.S. van 27 juni 1996, opgenomen in het goedgekeurde investeringsprogramma 1994 - 1998 en opgenomen in het goedgekeurd technisch plan van 1994 1998.

3.2.4.Appellanten betwisten verder de hoogdringendheid.

Zij merken op dat de plannen voor de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur dateren van sinds 1994, geïntimeerde gewacht heeft tot 2004 om tot onteigening over te gaan en dat de collector werd opgericht met een onwettige - inmiddels vernietigde bouwvergunning - en tot onteigening pas werd overgegaan nadat de collector er al vier jaar stond.

De overheid die wenst over te gaan tot een onteigening bij hoogdringendheid dient te motiveren om welke reden zij beroep wenst te doen op de spoedprocedure. De rechter dient na te gaan of de ingeroepen motieven de hoogdringendheid redelijk verantwoorden maar mag zich hierbij niet in de plaats van de overheid stellen.

Het hof verwijst hierbij naar de motieven opgenomen in het M.B. van 5 mei 2004 en die integraal in het bestreden vonnis werden overgenomen op pagina 9 en 10. Dit deel van het bestreden vonnis wordt als volledig hernomen beschouwd.

AQUAFIN beschikte over een machtiging tot het vestigen van een wettelijke erfdienstbaarheid sedert het M.B. van 22 april 1996. Tegen deze beslissing dienden appellanten een annulatieberoep in en het is pas na het ontvangen van het verslag van de auditeur in 2002 dat het risico reëel werd dat de Raad van State tot vernietiging zou overgaan.

Inmiddels was de collector aangelegd en ontstond het gevaar dat AQUAFIN niet verder meer zou kunnen genieten van haar wettelijke erfdienstbaarheid om haar installatie in stand te houden en verder te onderhouden.

Eén en ander zou verder tot gevolg hebben dat AQUAFIN het afvalwater van 1.034 huishoudelijke IE (= inwoner equivalent) niet meer zou kunnen saneren en de uitbouw van het collectorstelsel voor een vuilvracht van 27.412 huishoudelijke IE en 2.263 industriële IE in het gedrang zou komen waardoor bovendien de naleving van de Europese verplichtingen inzake afvalwater bemoeilijkt werd.

In de gegeven omstandigheden heeft geïntimeerde bijgevolg terecht beroep gedaan op de spoedprocedure inzake onteigening.

Het feit dat AQUAFIN niet beschikte over een geldige bouwvergunning is niet relevant voor het beoordelen van het spoedeisend karakter van de onteigening. De gevolgen daarvan worden beheerst door de regulering inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening die hier niet terzake zijn.

In dit verband wordt nog opgemerkt dat op 6 juli 2000 een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd die tot op heden niet het voorwerp uitmaakt van een vernietigingsbeslissing van de Raad van State .

Alle argumenten die appellanten inroepen m.b.t. de vermeende nietigheid van deze laatste bouwvergunning zijn niet relevant voor het beoordelen van het spoedeisend karakter van de inmiddels ontstane onteigening.

3.2.5. Appellanten menen dat de onteigening van hun eigendom niet onontbeerlijk was en dat er andere mogelijkheden bestonden dan hun eigendom te bezetten.

De beslissing over het te volgen tracé is een opportuniteitsbeslissing en ontsnapt aan de bevoegdheid van de rechterlijke macht.

3.2.6. Appellanten beroepen zich tenslotte op machtsafwending. Zij beweren dat de onteigening niet is geschied ten behoeve van het algemeen nut maar voor het privaat belang van AQUAFIN, met name het herstellen van het in het verleden begane onwettigheden.

De onteigening vond plaats teneinde AQUAFIN toe te laten haar infrastructuur te behouden en verder te onderhouden. Deze infrastructuur dient om het afvalwater van vele inwoners te saneren overeenkomstig de wettelijke verplichtingen opgelegd op Europees niveau.

Dit houdt in dat de onteigening gebeurde ten behoeve van het algemeen nut.

Het feit dat tot onteigening diende over te gaan omdat in het verleden onwettigheden werden begaan, neemt niet weg dat de onteigening nog steeds ten behoeve van het openbaar nut geschiedde. De overheid dient immers alles in het werk te stellen om werken die van algemeen nut zijn te kunnen behouden in het belang van dat algemeen nut.

Terloops wordt opgemerkt dat appellanten zich eerst hebben verzet tegen een erfdienstbaarheid van openbaar nut die hen nochtans minder schade zou toegebracht hebben dan een onteigening omdat zij dan eigenaar bleven van het perceel in kwestie met alle voordelen van dien. Omwille van de eigen houding van appellanten werd geïntimeerde ertoe gedwongen tot onteigening over te gaan en in dergelijke omstandigheden kan er moeilijk sprake zijn van enige machtsafwending vanwege de overheid.

Er bestaat evenmin enige discrepantie tussen de onteigening en het nagestreefde doel. Gezien het risico dat de gevestigde erfdienstbaarheid van openbaar nut door toedoen van appellanten zelf vernietigd zou worden door de Raad van State kon AQUAFIN niets anders dan geïntimeerde te verzoeken tot onteigening over te gaan in het algemeen belang.

Er is ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel. De wet laat het vestigen van een wettelijke erfdienstbaarheid niet toe op omheinde percelen en appellanten hebben zich hierop beroepen om de gevestigde erfdienstbaarheid nietig te laten verklaren. De wet laat in dat geval enkel toe dat tot onteigening wordt overgegaan wat in deze ook gebeurd is.

3.2.7. Er staat bijgevolg afdoend vast dat zowel de onteigeningsprocedure als het onteigeningsbesluit van 5 mei 2004 zelf door geen enkele onwettigheid is behept.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

Het hof verwijst voor het overige naar de pertinente motieven van de eerste rechter die als hernomen worden beschouwd in zoverre ze niet tegenstrijdig zijn met de in dit arrest ontwikkelde middelen.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.3. Wat de onteigeningsvergoeding betreft:

3.3.1. De onteigening bevat de inname van een stuk grond in de vorm van een driehoek met een lengte van 12 m en een breedte van 10 m met een oppervlakte van 62 m².

Deze grond is gelegen in een reservegebied voor woonwijken.

3.3.2. De vrederechter kende volgende bedragen toe:

- grondwaarde: 2.170 euro

- waardevermindering overblijvend deel: 70 euro

- wederbeleggingsvergoeding: 548 euro

In het bestreden vonnis werd hieraan toegevoegd: 250 euro (= kosten technische raadsman) + 105,36 euro (= intresten) + 0,80 euro (= verbetering wederbeleggingsvergoeding).

Appellanten vragen bijkomend de volgende bedragen:

- grenspalen: 1.815,00 euro

- wederbelegging: 0,80 euro

- kosten van verdediging: 4.500,00 euro

- kosten deskundige Mosselmans: 605,00 euro

- provisionele kosten: 1,00 euro

3.3.2. Appellanten vragen afpalingskosten t.b.v. 1.815 euro .

Zoals hoger reeds uiteengezet bestaat er geen wettelijke verplichting in hoofde van de onteigenaar om over te gaan tot afpaling en is artikel 646 B.W. in deze niet van toepassing.

De oppervlakte van de onteigende strook werd vastgesteld door een beëdigd landmeter en werd bevestigd door de gerechtelijke deskundige.

Een afpaling is derhalve onnodig om de onteigeningsvergoeding te bepalen. Geen van de partijen heeft overigens tot op heden het initiatief genomen om tot een dergelijke afpaling over te gaan.

Deze post wordt dan ook verworpen en het bestreden vonnis wordt op dat punt ook bevestigd.

3.3.3. Wat de wederbeleggingsvergoeding betreft heeft de herzieningsrechter terecht geoordeeld dat de vrederechter zich vergist had voor een bedrag van 0,80 euro .

Dit wordt overigens door partijen niet betwist.

3.3.4. Appellanten vragen een bedrag van 4.500 euro voor de kosten van verdediging voor o.a. de kosten van verdediging voor de procedures die zij gevoerd hebben voor de Raad van State en de burgerlijke rechtbanken.

Sinds het inwerkingtreden van de wet van 21 april 2007 kan naast de rechtsplegingsvergoeding bijkomend geen vergoeding worden toegekend voor de kosten van verdediging.

Dit neemt niet weg dat bepaalde kosten, zoals o.a. deze van een noodzakelijke technisch raadsman, niet gedekt worden door de rechtsplegingsvergoeding en afzonderlijk moeten vergoed worden.

In deze is echter volkomen onduidelijk hoe appellanten aan het bedrag van 4.500 euro komen en wat dit bedrag aan kosten dekt.

In de gegeven omstandigheden wordt deze post herleid tot een provisie van 1 euro .

Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.

3.3.5. Appellanten vorderen een bedrag van 605 euro voor de kosten van hun technische raadsman, de heer Mosselmans.

In een onteigeningsprocedure is het niet onaanvaardbaar dat de partijen zich laten bijstaan door een technisch raadsman.

Deze kosten worden niet gedekt door de rechtsplegingsvergoeding.

Gezien appellanten recht hebben op een volledige schadevergoeding en zij aantonen wel degelijk 605 euro betaald te hebben aan hun expert, dient dit bedrag hen toegekend te worden.

De herzieningsrechter heeft ten onrechte deze post naar billijkheid geraamd op 250 euro en op dat punt wordt het bestreden vonnis hervormd.

3.3.6. Appellanten zijn de mening toegedaan dat de vrederechter hen ten onrechte veroordeeld heeft in de gerechtskosten die ten laste zouden moeten gelegd worden van geïntimeerde.

De herzieningsrechter beschikt niet over de bevoegdheid om uitspraak te doen over de kosten in de procedure voor de vrederechter .

Om deze reden heeft de eerste rechter deze vordering terecht afgewezen.

3.3.7. Appellanten vragen vergoedende en gerechtelijke intresten toe te kennen op het verschil tussen de voorlopige vergoeding en de provisionele vergoeding die door de vrederechter werden toegekend en dit tussen de tweede uitspraak van de vrederechter (= 31 augustus 2005) en de tweede storting in de consignatiekas (= 15 september 2005).

De onteigenaar wordt slechts eigenaar of inbezitgesteld vanaf de storting van de gehele provisionele vergoeding in de consignatiekas zodat deze eis wordt afgewezen.

3.4. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft:

3.4.1. Geïntimeerde vraagt een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200 euro , wat na indexatie 1.320 euro wordt.

3.4.2. Dit bedrag komt ten beloop van 9/10 toe aan geïntimeerde als de (overwegend) in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de wijziging dat (1) de definitieve onteigeningsvergoeding bepaald wordt op 3.500,16 euro , (2) geïntimeerde veroordeeld wordt om aan appellanten een bijkomend bedrag te betalen van 712,16 euro plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 13 september 2005 tot aan de daadwerkelijke betaling.

Veroordeelt appellanten tot 9/10 van de kosten in hoger beroep, in totaal begroot

.

- in hoofde van appellanten op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 27 juni 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Free keywords

  • Onteigening bij hoogdringendheid. Begrip hoogdringendheid. Afpaling van het onteigende onroerend goed?