- Arrêt of January 4, 2011

04/01/2011 - 2009/AR/2541

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een onteigening wegens dringende omstandigheden heeft plaats gevonden krachtens de wet van 26 juli 1962, blijft het recht op terugkoop door de onteigende krachtens artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte (wanneer de goederen niet bestemd worden voor het gebruik van de onteigening) mogelijk.


Arrêt - Integral text

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

04-01-2011

BURGERLIJK

Samenvoeging van de zaken

Nr.2009/AR/2528 en

Nr.2008/AR/2541

Gedeeltelijk eindarrest

Kennisgeving desk.(art.972§1)

Luc Dekien

H.Verrieststraat 101

8800 Roeselare

Zaak verzonden naar de B.R.

Dagvaarding OCMW dd.29.6.

2007 gekantmeld: Hypotheken

Kortrijk1

Ref.64-M-11/07/2007 - 05863/64

Boek nr 3856 (nr.10) dd 30/3/1999

Boek nr.2080 (nr.19) dd 7/7/1987

Nr.2009/AR/2528 - in de zaak van:

WATERWEGEN EN ZEEKANAAL NV, extern verzelfstandigd agentschap van publiek recht, met maatschappelijke zetel te 2830 WILLEBROEK, Oostdijk 110; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0254.028.251,

doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. VERNAILLEN Sven, te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27,

appellante,

hebbende als raadsman mr. VERNAILLEN Sven, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27,

tegen:

1. HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KORTRIJK, met zetel te 8500 KORTRIJK, Budastraat 27,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VAN DORPE Bruno, advocaat te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39

2. HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister bevoegd voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II laan20 bus 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5

en

Nr.2009/AR/2541 - in de zaak van:

HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II laan20 bus 1,

appellante,

hebbende als raadsman mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5

tegen:

1. HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KORTRIJK, met zetel te 8500 KORTRIJK, Budastraat 27,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VAN DORPE Bruno, advocaat te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39

2. WATERWEGEN EN ZEEKANAAL NV, extern verzelfstandigd agentschap van publiek recht, met maatschappelijke zetel te 2830 WILLEBROEK, Oostdijk 110; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0254.028.251,

doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. VERNAILLEN Sven, te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VERNAILLEN Sven, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27,

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. Procedure

Bij verzoekschrift van 23 september 2009 heeft de eerste appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, derde kamer, op 19 mei 2009 werd uitgesproken.

De tweede appellante stelde een dag later tegen datzelfde vonnis hoger beroep in, namelijk bij verzoekschrift van 24 september 2009.

In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Veroordeelt het VLAAMS GEWEST tot teruggave van volgende niet-aangewende onteigende gronden tegen betaling van volgende bedragen:

1° Terugvordering van niet aangewende gronden van de eerste onteigening

Eerste terugvordering: Sie E deel van 363y3, deel van 364v2 en 364z volgens opmetingsplan opgemaakt door landmeter L... C........... op 23 oktober 2006 met een oppervlakte van samen 54 a 44ca, waarvoor volgende onteigeningsvergoeding werd bekomen:-36 a 82 ca voorgrond à 1.000 f/m² 4.050.200 F-17 a 62 ca achtergrond à 600 f/m² 1.057.200 F-Totaal 5.107.400 F of 126.609,13 euro 126.609,13

Tweede terugvordering: Sie E deel van nr. 366n en 364v2 zoals aangeduid op de situatieschets met een oppervlakte van ca. 20 a waarvoor een onteigeningsvergoeding werd bekomen van 600 f/m² weze samen 1.200.000 F of 29.747,22 euro 29.747,22

2° Terugvordering van niet aangewende gronden van de 2° onteigening:

Derde terugvordering: Lot 1 van de onteigening, deel van Sie E nr. 369 m/3 met een oppervlakte van 14 a 52 ca onteigend tegen 1.400 F/m² voor een totaal bedrag van 2.032.800 F of 50.391,79 euro 50.391,79

Vierde terugvordering: Het grootste deel van het onteigende lot 2 dat uit twee delen bestaat, kadastraal bekend onder Sie E deel van 366r met een totale oppervlakte van 12a 23 ca onder aftrek van de oppervlakte van het kleinste deel (49,50 x 9,50/2)= 235,12 m², hetzij 1.223 m² - 235,12 m² = 987,88 m² of 9 a 87 ca onteigend tegen 1.400 F/m² voor een totaal bedrag van 1.391.800 F of 34.253,92 euro 34.253,92

Totaal aangeboden bedrag 84.645,71

Zegt voor recht dat het vonnis dat in kracht van gewijsde zal zijn getreden zal gelden als titel van eigendomsoverdracht, in toepassing van artikel 1 tweede lid van de hypotheekwet.

Veroordeelt het Vlaamse Gewest tot de gerechtskosten, aan de zijde van het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KORTRIJK begroot op de kosten van dagvaarding en rolstelling van 266,93 euro, de kantmelding van de dagvaarding in het hypotheekkantoor van 61,88 euro en de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000,00 euro

Laat de kosten gevallen aan de zijde van het VLAAMSE GEWEST en de NV WATERWEGEN EN ZEEKANAAL te hunnen laste.

Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond.

Het hoger beroep van de beide appellanten strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond afwijst. De beide appellanten vragen bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij breidt ook haar vordering uit en vraagt aan het Hof om als volgt te oordelen:

2. Een landmeter als gerechtsdeskundige aan te stellen met de opdracht over te gaan tot de afpaling van de teruggevorderde gronden op kosten van het Vlaamse Gewest.

3. In ondergeschikte orde (enkel voor het geval het Hof zou oordelen dat het onmogelijk is de eigendom van de gronden terug over te dragen aan het OCMW), het Vlaamse Gewest te veroordelen tot betaling van 1 euro vermeerderd met de gerechtelijke rente vanaf heden en een gerechtelijk deskundige aan te stellen met als opdracht de actuele waarde van de teruggevorderde gronden te schatten. De zaak te verzenden naar de rol voor de verdere afhandeling van de schadevergoeding na de neerlegging van het deskundig verslag.

De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de tweede appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

2. Feitelijke gegevens

Bij koninklijk besluit van 1 juli 1986 werd besloten door de Belgische Staat tot de onteigening van gronden eigendom van de geïntimeerde voor de moderniseringswerken op de Leie tussen de spoorwegbrug "De drie duikers" en de Gerechtshofbrug volgens onteigeningsplan nr. A4-1636 met vermelding 'zie plan A4-1655 "ontwerp westelijkering". Uit dat plan blijkt dat aan beide kanten van de westelijke ring ter hoogte van de brug een afrit/oprit van deze ring werd voorzien.

Bij vonnis van 24 juni 1987 heeft de Vrederechter van het eerste kanton Kortrijk op vordering van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Openbare Werken, bij hoogdringendheid de onteigening bevolen van 8 kadastrale percelen en een deel van drie kadastrale percelen, eigendom van de geïntimeerde, tegen betaling van het overeengekomen onteigeningsbedrag van 15.900.000 frank (394.150,70 euro).

Bij authentieke akte, verleden op 29 juli 1987 voor de Commissaris van het Comité tot aankoop van onroerende goederen te Kortrijk, werd tussen de Belgische Staat en de geïntimeerde overeengekomen uitvoering te geven aan het onteigeningsvonnis met overdracht van de eigendom en het genot vanaf 24 juni 1987, zijnde de datum van het provisioneel vonnis.

Ter uitvoering van hetzelfde plan A4-1655 heeft de Vlaamse Minister van Openbare werken op 12 december 1994 onteigeningsmachtiging verleend (voor niet onteigende percelen) machtiging die evenwel bij arrest van 11 oktober 1995 door de Raad van State in de volgende termen vernietigd werd: "Vernietigd wordt het besluit van 12 december 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij, met het oog op de aanleg van de kleine westelijke Ring N 50 b Meers-Bleker-Magdalenastraat te Kortrijk, wordt vastgesteld dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert, door het Vlaamse Gewest, van de percelen gelegen tussen de Leie en de Magdalenastraat, en bekend ten kadaster sectie E, nrs. 369 3/m en volgende, zoals zij in gele tint zijn aangeduid op het erbijhorende onteigeningsplan en waarbij de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte toepasselijk wordt verklaard".

In 1992 had de Intercommunale Leiedal een studie gemaakt omtrent de Leiewerken in Kortrijk, dat onder andere resulteerde in een nieuw plan van uit te voeren werken ter hoogte van de Westelijke Ringbrug en waarbij de oostelijke en westelijke afritten/opritten van de ring wegvielen en een westelijke verbindingsweg zou worden aangelegd vanaf het rondpunt aan de Blekersstraat tot aan de Leie.

Gelet op het feit dat het oorspronkelijk onteigeningsplan A4-1655 met het arrest van 11 oktober 1995 van de Raad van State was vernietigd en de voorziene onteigeningen aldus niet konden worden uitgevoerd in de voorziene tijdspanne, heeft de tweede appellante bij Ministerieel Besluit van 7 oktober 1996 besloten dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert met het oog op de aanleg van de kleine westelijke ring N 50b (Meers- Bleker- en Magdalenastraat) van het goed aangeduid op het bij het onteigeningsbesluit gevoegd plan nummer A4-1789 betreffende vier innemingen jegens de geïntimeerde. Uit dat plan blijkt dat de onteigening van de (nu) gerevindiceerde percelen gebeurt voor de realisatie van de verbindingsweg tussen het rond punt van de Blekersstraat en de Leie en de aanleg van de Oostelijke parking.

Na kennisneming van het onteigeningsbesluit heeft de geïntimeerde niet betwist dat het openbaar nut de inbezitstelling eiste. Gezien er overeenstemming was over de onteigeningsvergoeding werd tussen partijen een akte van minnelijke onteigening verleden op 22 februari 1999 en moest de onteigening, zoals voorzien in artikel 3 van de wet van 26 juli 1962, niet worden behandeld voor de Vrederechter.

Naderhand werd afgezien van de realisatie van de westelijke verbindingsweg vanaf het rondpunt van de Blekersstraat naar de Leie en van de grote parking aan de oostkant van de brug. Deze gronden maken nu het voorwerp uit van een nieuw ontwerp-BPA. Op 21 mei 2005 werd een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor de realisatie van de westelijkering, maar

• zonder op/afritten ter hoogte van de Ringbrug en

• zonder de westelijke verbindingsweg van het rondpunt van de Blekersstraat naar de Leie

• en zonder de grote parking.

Bij aangetekend schrijven van 24 oktober 2006 aan de Vlaams Minister van Openbare Werken, heeft de geïntimeerde meegedeeld dat zij vaststelde dat 54a 44ca van de onteigende grond, volgens bijgevoegd opmetingsplan opgemaakt door Landmeter L....... C............., niet aangewend werd voor het onteigeningsdoel. (nl. de aanleg van de oostelijke oprit/afrit van de ring) en dat de geïntimeerde daarop haar recht tot wederafstand wenste uit te oefenen, waarvan de waarde als volgt werd 'hersamengesteld':

a. 36 a 82 ca voorgrond á 1.100 frank/m² 4.050.200 frank (100.401,84 euro)

b. 17a 62ca achtergrond á 600 frank /m² 1.057.200 frank (26.207,30 euro)

c. Totaal 5.107.400 frank (126.609,13 euro)

Bij aangetekend schrijven van 21 december 2006 heeft de geïntimeerde de Minister geschreven "Ten einde onze huidige en eventuele toekomstige rechten te vrijwaren, verzoeken wij u beleefd, geachte heer Minister, uw bevoegdheid uit te oefenen om elke aanwending van het kwestieuze goed voorlopig te schorsen.".

Met zijn brief van 13 februari 2007 weigerde de Minister in te gaan op het verzoek tot wederafstand om reden dat:

• Het recht tot wederafstand niet voorzien is in de wet van 26 juli 1962 (rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden).

• In het provisioneel vonnis van de Vrederechter niet werd beslist omtrent een recht op wederafstand.

• "Het de politiek is van Waterwegen en Zeekanaal N.V. deze gronden, net zoals de andere restgronden die vrijgekomen zijn bij de moderniseringswerken van de Leie te Kortrijk op een dusdanige manier te beheren dat zij een maximale maatschappelijke en economische return genereren zonder dat daarbij hun afstemming met de waterweg en hun eventuele toekomstige bestemming van algemeen nut wordt gehypothekeerd. De formule voor het valoriseren van deze gronden, die Waterwegen en Zeekanaal N.V. gangbaar hanteert, is dan ook het verlenen van een zakelijk recht, onder de vorm van een erfpacht of het verlenen van een concessie. Voor het bewust perceel werd reeds in 2005 overgegaan tot het opstarten van de vermarketingsprocedure en werd intussen ook al in 2006 een compromis tot erfpacht gesloten.".

Bij brief van 24 april 2007 heeft de advocaat van de geïntimeerde op uitvoerige wijze geantwoord aan de Minister waarom zijn mandante van oordeel was dat de beslissing van de minister niet juist was.

Vervolgens heeft de geïntimeerde op 29 juni 2007 de tweede appellante gedagvaard om teruggave te krijgen van de volgens haar niet aangewende (delen van) gronden uit de twee onteigeningen.

Omdat de eerste appellante ondertussen het beheer over de betreffende gronden waarneemt, kwam deze voor de eerste rechter vrijwillig tussen in het geding.

Bij vonnis van 19 mei 2009 verklaarde de eerste rechter de vordering van de geïntimeerde gegrond zoals hoger vermeld. De geïntimeerde liet het vonnis bij exploot van 31 augustus 1999 betekenen aan de tweede appellante.

De appellanten hebben op 23 en 24 september 2009 hoger beroep aangetekend tegen dat vonnis.

3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellanten

De appellanten stellen dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat de algemene onteigeningswet van 17 april 1835 opnieuw toepasselijk wordt zodra de uitzonderingsprocedure van onteigening in geval van hoogdringendheid, voorzien in de wet van 26 juli 1962, doorlopen is. Zodra de onteigening volgens de wet van 1962 werd gevoerd, zou de wet van 1835 volgens de eerste appellante niet meer toepasselijk zijn; het Hof van Cassatie zou dat bevestigd hebben. De hoogdringendheid zou op zich impliceren dat geen wederafstand kan plaatsvinden. Vermits de wet van 1962 geen mogelijkheid voorziet tot teruggave van onteigende gronden, zou de vordering van de geïntimeerde ongegrond zijn.

De teruggave van onteigende gronden zou naar het oordeel van de appellanten trouwens evenmin kunnen om reden dat de onteigening in der minne plaats vond. Een minnelijke onteigening zou gelijkgesteld moeten worden met een gewone koop-verkoop.

In zoverre de geïntimeerde inroept dat zij aan het recht tot wederoverdracht niet verzaakt heeft, stelt de eerste appellante dat dit niet ter zake doet omdat men slechts aan een recht zou kunnen verzaken nadat het is ontstaan, wat hier niet het geval zou zijn. Bovendien zou de enkele vaststelling dat geen verzaking werd gedaan, nog niet tot gevolg kunnen hebben dat het recht op wederoverdracht ontstaat.

De eerste appellante voert nog aan dat, mocht de wet van 17 april 1835 dan toch moeten toegepast worden, ermee moet rekening gehouden worden dat de eerste rechter ten onrechte veronderstelde dat er geen onteigeningsplan voorhanden was, hoewel er na de vernietiging door de Raad van State op 7 oktober 1996 een nieuw onteigeningsbesluit werd genomen. Op die manier zou de eerste rechter ook ten onrechte geoordeeld hebben dat de plannen door de overheid gewijzigd werden en de gronden niet werden aangewend voor het algemeen nut waarvoor ze waren onteigend. Op basis van het bestek zou nochtans duidelijk blijken dat de onteigening van de betreffende percelen tot doel had diverse materialen op te slaan. Vermits dergelijke opslagruimte noodzakelijk was voor de realisatie van de infrastructuurwerken, zouden de betreffende percelen wel degelijk voor de onteigeningsbestemming zijn aangewezen. Het zou geen argument zijn dat die percelen slechts onrechtstreeks tot realisatie van de werken dienden. Het zou ook geen argument zijn dat het bestek al van 1996 dateerde en de onteigening pas van 2005. De tweede appellante stelt ook dat de geïntimeerde ten onrechte een argument ziet in de spievormige configuratie van de betreffende perceeldelen; de vorm van de percelen zou niet uitsluiten dat de gronden onteigend werden om er goederen, grond en aarde op te stapelen.

Volgens de eerste appellante kan wederoverdracht trouwens alleen gevraagd worden wanneer een perceel in zijn geheel niet wordt aangewend voor de onteigeningsbestemming, wat hier niet het geval is.

De aanwending voor de onteigeningsbestemming zou volgens de appellanten ook niet permanent moeten zijn; een tijdelijk gebruik zou volstaan en aldus de wederafstand uitsluiten.

Het zou logisch zijn dat niet de volledige percelen door de bedoelde werken in beslag genomen worden en dat een deel van de percelen slechts voor opslag tijdens de openbare werken wordt gebruikt. Dat de oostelijke oprit/afrit ter hoogte van de brug en de verbindingsweg vanaf het rondpunt van de Blekerstraat tot de Leie niet gerealiseerd werden, zou niet volstaan om aan te nemen dat de betreffende percelen niet voor de onteigeningsbestemming werden gebruikt.

De wederafstand zou ook niet tot doel mogen hebben om verbrokkelde percelen weer samen te stellen.

Het recht van wederafstand zou als een vrijwaringsmaatregel moeten worden beschouwd om privé-eigendom te beschermen tegen willekeurige of onrechtmatige onteigeningen. Omdat de noodzakelijkheid en hoogdringendheid van de onteigeningen hier zeker voorhanden zou zijn geweest, zou het recht van wederoverdracht niet als een willekeurige onteigening kunnen worden aangezien.

De eerste appellante voert ook aan dat de percelen nu tot het openbaar domein behoren. De beide stellingen die daarover in de rechtsleer ontwikkeld worden, zouden allebei beletten dat de geïntimeerde een recht van wederafstand kan uitoefenen. In een eerste strekking zou aanvaard worden dat de gronden onmiddellijk als gevolg van de onteigening tot openbaar domein geaffecteerd worden. In een tweede strekking zou de onteigening slechts meebrengen dat de goederen onmiddellijk tot het patrimonium van de overheid gaan behoren; pas door de bestemming zou de affectatie tot openbaar domein gebeuren; die bestemming zou ook hier duidelijk aan de goederen zijn gegeven, namelijk de uitvoering van openbare werken. Ook de overdracht van het beheer van de percelen aan de eerste appellante zou die affectatie bevestigen.

Verder voert de eerste appellante aan dat de eerste rechter ten onrechte heeft aangenomen dat de toekenning van beheersrechten aan haar, niet tegenstelbaar zou zijn aan de geïntimeerde. Dat zou in strijd zijn met het feit dat die overdracht bij (in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd) besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 plaatsvond binnen het decretaal voorziene kader. De tweede appellante sluit zich daar bij aan en besluit dat de overdracht van het beheer aan de eerste appellante belet dat de gronden aan de geïntimeerde teruggegeven worden.

Ten slotte stellen de appellanten dat, als artikel 23 van de wet van 17 april 1835 al zou kunnen toegepast worden, de driemaandelijkse vervaltermijn waarbinnen de wil moet uitgedrukt worden om tot wederoverdracht over te gaan, wel degelijk een aanvang had genomen ingevolge de brief van de Minister van 13 februari 2007.

3.2. Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde stelt dat het grondwettelijk principe dat alleen voor openbaar nut kan onteigend worden, zou uitgehold worden indien de onteigende niet (altijd, dus ongeacht de gevolgde onteigenings-procedure) het recht tot wederafstand zou hebben wanneer de onteigende gronden niet voor het bedoelde openbaar nut worden aangewend. Dat zou ook voortvloeien uit artikel 1 van het Aanvullende Protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM.

Dat de onteigening wegens hoogdringendheid plaats vond en dus op grond van de wet van 26 juli 1962, zou het recht op wederafstand voorzien in artikel 23 van de wet van 17 april 1835 niet beletten. De appellanten zouden een verkeerde lezing geven aan de ingeroepen cassatierechtspraak. De wet van 26 juli 1962 zou alleen de rechtspleging regelen voor de gevallen van hoogdringende onteigening, maar de andere regels uit de wet van 1835 onverlet laten.

Een "minnelijke onteigening" is volgens de geïntimeerde een begrip dat intern tegenstrijdig is. Een onteigening zou nooit een gewone koop-verkoop kunnen zijn. Het enkele feit dat er geen discussie wordt gevoerd over de omvang van de prijs (voor de vrederechter) zou niet kunnen beletten dat het om een onteigening gaat en dus geen gewone verkoop. De prijs waarover in der minne werd overeengekomen zou niet alleen deze van een verkoop zijn maar, zoals uitdrukkelijk vermeld, slaan op alle vergoedingen van welke aard ook waarop de onteigende partij kan aanspraak maken (onder andere de wederbeleggingsvergoeding) en geldt dan ook als volledige vergoeding voor alle schade welke de onteigening van voormeld goed aan de onteigende partij, zowel in haar hoedanigheid van eigenaar als in deze van gebruikster, berokkent.

De geïntimeerde roept in dat zij bij de onteigening nooit aan het recht van wederafstand verzaakt heeft.

Volgens de geïntimeerde heeft de Minister in zijn brief van 13 februari 2007 erkend dat de gronden niet meer bestemd zijn om te dienen voor werken waarvoor ze werden aangekocht, nu hij spreekt van ‘restgronden die vrijgekomen zijn bij de moderniseringswerken aan de Leie'. Het recht van wederafstand zou niet afhangen van de verklaring van het bestuur en de niet-bestemming zou volgen uit de feiten en omstandigheden die aantonen dat de overheid de onteigende gronden niet bestemt voor het doel waarvoor werd onteigend.

Vermits de geplande oostelijke oprit/afrit ter hoogte van de brug, de verbindingsweg vanaf het rondpunt van de Blekerstraat tot de Leie en de grote parking ten oosten van de brug nooit werden aangelegd, zou vaststaan dat de onteigende gronden niet bestemd zijn voor het doel van de onteigening. Het zou dan ook niet gaan om restgronden.

De geïntimeerde betwist ook dat de betreffende percelen waarvoor de wederafstand wordt gevorderd, werden onteigend voor het stapelen van goederen, materialen en machines of als opslagruimte voor aarde. De spievormige configuratie van de niet-aangewende gronden van de tweede onteigening en met name het feit dat ze precies het tracé volgen van de westelijke verbindingsring vanaf het rondpunt van de Blekerstraat naar de Leie en de eigendommen van de geïntimeerde middendoor snijden, sluit volgens de geïntimeerde uit dat die gronden werden onteigend om goederen, gronden en aarde op te stapelen. De onteigening van de teruggevorderde gronden zou voor specifiek geplande infrastructuurwerken zijn gedaan, maar nu die werken niet werden uitgevoerd, zou de bestemming niet geëerbiedigd zijn en zou de rechtsgrond voor de onteigening weggevallen zijn.

Zelfs wanneer zou bewezen zijn dat (een deel van) de teruggevorderde percelen ‘voor de duur van de werken in het kader van die werken gebruikt werden en er voor zelfs noodzakelijk waren', dan zou die feitelijke aanwending naar het oordeel van de geïntimeerde, achteraf geen rechtsgrond kunnen bieden voor de onteigening, nu die (delen van) percelen niet zouden zijn onteigend met dat tijdelijk gebruik tot doel.

De appellanten zouden ten onrechte stellen dat het rechtmatig karakter door een andere aanwending van het onteigende goed, gezien moet worden in het kader van een totaliteit, finaliteit en de schaal van het project.

De verwijzing naar het bestek dat kaderde in de aanbesteding van 5 december 1996 (en waarin het gebruik voor het stapelen van diverse goederen vermeld staat), kan volgens de geïntimeerde onmogelijk slaan op de realisatie van de westelijkering, omdat daarvoor pas op 21 mei 2005 een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd.

De stelling van de appellanten dat de percelen ondertussen tot het openbaar domein behoren, zou in strijd zijn met het wettelijk recht op wederoverdracht.

De eerste appellante zou slechts beheerder zijn van de percelen en de tweede appellante zou eigenaar van de gronden zijn gebleven; de overdracht van het beheer zou het recht op wederoverdracht niet kunnen beletten. Dat met de overdracht van het beheer ook zakelijke rechten zouden zijn overgedragen, is volgens de geïntimeerde onjuist. Mocht dat toch het geval zijn, dan voert de geïntimeerde aan dat deze toestand door de tweede appellante in strijd met het recht op wederafstand werd geschapen, zodat de tweede appellante op grond van foutaansprakelijkheid gehouden zou zijn om de actuele waarde van de gronden te vergoeden, waartoe zo nodig een gerechtsdeskundige zou moeten aangesteld worden.

Er zou ook geen verval zijn van het recht op wederoverdracht omdat de termijn van drie maanden, voorzien in artikel 23 van de wet van 17 april 1835, pas zou beginnen lopen vanaf de afkondiging door de onteigenende overheid van het bericht waarin hij aan de onteigenden laat kennen dat de gronden hun bestemming niet zullen krijgen, terwijl de onteigenaar nooit een dergelijk bericht zou hebben afgekondigd.

De geïntimeerde biedt de prijs te betalen die ze zelf heeft ontvangen voor de betreffende gronden.

De geïntimeerde vordert ten slotte de aanstelling van een gerechtsdeskundige om de betreffende perceeldelen te kunnen afpalen, waarbij de kosten van afpaling ten laste zouden moeten worden gelegd van de onteigenaar, zijnde de tweede appellante.

4. Beoordeling

4.0. Vermits het telkens een hoger beroep betreft tegen hetzelfde vonnis, komt het gepast voor de zaken de voegen.

4.1. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat artikel 23 van de wet van 17 april 1835 hier toepasselijk is. Het feit dat de twee onteigeningen plaatsvonden wegens hoogdringendheid (meer bepaald omdat "nadat de Koning vaststelde dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk was") en dus met toepassing van de wet van 26 juli 1962, kan dat niet beletten. De wet van 26 juli 1962 heeft niet dezelfde algemene strekking als de wet van 17 april 1935. Deze wet voorziet in het bijzonder in een procedure om de onteigenaar toe te laten versneld bezit te kunnen nemen van de goederen die worden onteigend. Alle verdere bepalingen uit die wet zijn regels die noodzakelijk zijn om het feit dat ‘versneld' moet worden gehandeld op te vangen: voorlopige vaststelling van de vergoeding, beschrijving van de onteigende goederen, en procedure van vaststelling van de definitieve vergoeding.

Het spreekt voor zich dat daarmee geen afbreuk kan zijn gedaan aan het fundamenteel principe dat onteigening een ernstige inbreuk is op het eigendomsrecht en dus een uitzondering moet zijn (art. 16 GW en art. 1 Aanv. protocol bij het EVRM van 20 maart 1952). Indien de onteigening niet in het algemeen belang gebeurt, is zij niet geoorloofd. Terecht laat de geïntimeerde gelden dat dit de grondslag is van artikel 23 van de wet van 17 april 1835, waarvan de eerste drie leden als volgt luiden:

Indien de voor werken van algemeen nut aangekochte gronden die bestemming niet krijgen, zal een volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht de gronden doen kennen die het bestuur kan weerverkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de oude eigenaars, die de eigendom van bedoelde gronden willen terugkopen, op straf van vervallenverklaring gehouden zulks te verklaren.

Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen; en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.

De prijs van de terug te bezorgen gronden wordt vastgesteld door de rechtbank van het gebied waar ze liggen, tenzij de eigenaar verkiest het bedrag van de vergoeding die hij ontvangen heeft terug te geven. De gerechtelijke vaststelling van de prijs kan in geen geval het bedrag van de schadevergoeding overschrijden.

(. . .).

Het recht op terugkoop is noodzakelijk om te vermijden dat de bescherming van het eigendomsrecht via een onteigeningsprocedure zou worden omzeild.

Aannemen dat de toepassing van de wet van 26 juli 1962 tot gevolg heeft dat geen terugkoop kan gebeuren, zou de poort tot oneigenlijke toepassing van die wet en dus tot misbruik openzetten. Het zou dan immers mogelijk zijn om gronden extra te onteigenen (met toepassing van de hoogdringendheid) door plannen te ontwerpen voor bepaalde bestemmingen van openbaar nut, zonder dat de onteigenaar in werkelijkheid van plan is die werken ooit uit te voeren, maar daarentegen zinnens is die gronden voor andere doeleinden (die geen openbaar nut dienen) aan te wenden en/of ze zelfs door te verkopen.

Vermits de wet van 26 juli 1962 de vraag over de terugkoop niet regelt, sluit hij de terugkoop niet uit en is artikel 23 van de wet van 17 april 1835 onverminderd toepasselijk.

4.2. Al evenmin kan het feit dat de onteigening met toepassing van artikel 3 van de wet van 26 juli 1962 besloten werd met een "minnelijke onteigening", het recht op terugkoop beletten. Het feit dat de geïntimeerde uiteindelijk akkoord ging met de onteigening en er een akkoord kwam over de te betalen vergoeding, doen niets af van het feit dat het om een onteigening ging: de geïntimeerde aanvaardde dat de geplande werken nodig waren voor het algemeen belang en dat de aangeboden prijs een correcte vergoeding was van de waarde van de onteigende goederen en de bijkomende schade die voortvloeide uit het verdwijnen van de goederen uit haar patrimonium.

Er is dan ook geen sprake van een gemeenrechtelijke koop-verkoop, maar van een onteigening.

4.3. Dat de (delen) van percelen waarvan de terugkoop wordt gevraagd, nu tot het openbaar domein zouden behoren, is een stelling die elke vorm van terugkoop steeds zou beletten. Wanneer de voorwaarden voor een terugkoop vervuld zijn, gebeurt de overgang naar het openbaar domein in elk geval slechts onder voorbehoud van de uitoefening van het recht op terugkoop.

4.4. De appellanten roepen ook ten onrechte in dat het feit dat het beheer over de betrokken percelen nu officieel aan de eerste appellante toekomt, de terugkoop zou beletten. Niemand kan meer rechten overdragen dan hij zelf heeft. Een eigenaar kan niet zonder beperking over zijn goederen beschikken; hij moet de wetten en/of de verordeningen respecteren (art. 544 B.W.). In de mate dat de tweede appellante nagelaten zou hebben om de goederen aan te wenden voor de met de onteigeningen beoogde bestemming, moest zij weten en er dus mee rekening houden dat die percelen het voorwerp konden uitmaken van een terugkoop door de geïntimeerde. Die wettelijke toestand van de percelen is dan ook de enige juridische toestand waarin het beheer die percelen kon afstaan. De eerste appellante, die geen (aan de geïntimeerde tegenstelbare) overdracht van zakelijke rechten ontving, moet die juridische toestand evenzeer aanvaarden en dus ook de gevolgen dragen van het recht op terugkoop indien daarvoor de voorwaarden vervuld zijn.

Het doet tegen die achtergrond niet ter zake wat de precieze (officiële) opdracht is en de statuten zijn van de eerste appellante.

4.5. Ten onrechte beroepen de appellanten zich er op dat, zelfs al is artikel 23 van de wet van 17 april 1835 principieel toepasselijk, de betreffende percelen wel degelijk gebruikt en bestemd zijn voor het gebruik en de bestemming waarvan de onteigeningen werden gedaan, zodat de geïntimeerde geen recht op terugkoop zou kunnen uitoefenen.

Het is juist dat het bestek W.1153 op pagina II.A/33 uitdrukkelijk voorziet in het gebruik van de gronden van de bouwheer voor het stapelen van diverse materialen, enz.. De eerste zin van het betreffende artikel 32 §1 van het bestek luidt als volgt: Voor het stapelen van diverse materialen, het stationeren van materieel en het opstellen van allerlei installaties (breekinstallaties, plooi- en snijbanken voor wapeningsstaal, ...) zal de aannemer onder andere kunnen gebruik maken van door het bestuur aan te wijzen terreinen of gedeelten van terreinen. In principe betreft het hier een deel van de onteigende terreinen die zich buiten het eigenlijk tracé van de werken bevinden.

De geïntimeerde ontkent verder niet dat de door haar gerevindiceerde terreinen (minstens deels) behoren tot deze die in het bestek vervolgens opgesomd worden.

Nochtans is de stockage van materiaal op zich niet het doel van een onteigening; het is er slechts een middel toe. In de geciteerde bepaling zelf zit trouwens vervat dat het in de regel onteigende terreinen zijn die buiten het eigenlijk traject vallen die als stapel- en werkplaats gebruikt worden. Een belangrijke oppervlakte (zoals hier) van het onteigende traject gebruiken om alleen maar (zoals hier) materialen te stapelen en werktoestellen op te plaatsen, is duidelijk niet te aanvaarden en in strijd met het doel van de onteigening. Bovendien blijkt uit de tweede alinea van het genoemde artikel 32 §1 van het bestek dat de aannemer desnoods andere plaatsen moet vinden als de hem via het bestek aangeboden ruimte niet voldoet. Dat bevestigt dat ruimte creëren om materialen te stapelen en toestellen te plaatsen, niet het wezenlijke doel van de onteigening is. In de praktijk zijn er altijd aangelanden bij het traject van de werken die voor het doel van stapelen gebruikt worden; die aangelanden zijn in de praktijk nodig of minstens nuttig om de werken te kunnen uitvoeren zonder dat men met mensen en machines op andermans (niet-onteigende) grond moet komen. Het is in dat opzicht dat een onteigening bijna altijd gepaard gaat met restgronden.

Hier evenwel gaat het om percelen die volgens de plannen op grond waarvan de onteigening is gebeurd, uitdrukkelijk tot bestemming hadden om als plaats te dienen voor een welbepaald traject van de werken, meer bepaald:

• op- en afritten van de westelijke ring ter hoogte van de Ringbrug;

• de westelijke verbindingsweg van het rondpunt van de Blekerstraat naar de Leie en

• de grote parking aan de Leie ten noorden van die westelijke verbindingweg.

Zowel de vorm als de oppervlakte van die percelen, zijn duidelijk verbonden aan die specifieke bestemmingen. De geïntimeerde wijst terecht op de vorm van de percelen die het traject van die westelijke verbindingsweg tussen het rondpunt aan de Blekerstraat en de Leie hadden moeten zijn. Het gaat om een languitgerekte vorm, duidelijk bedoeld voor de aanleg van een weg en trouwens niet onmiddellijk aanpalend langs de rest van de werken (behalve aan de uiteinden uiteraard).

Een bijkomende functie als stapel- en/of werkplaats heeft nog niet tot gevolg dat de onteigening voor die functie gebeurde.

De drie genoemde werken werden nooit uitgevoerd.

Verder blijkt uit de plannen en beschrijving die landmeter Callens in opdracht van de geïntimeerde maakte, dat de gerevindiceerde percelen uitsluitend betrekking hebben op die gronden die duidelijk op de plaatsen liggen waar de niet-uitgevoerde werken hadden moeten zijn uitgevoerd.

Dat houdt in dat alle gerevindiceerde gronden niet gebruikt worden voor de bestemming waarvoor de betreffende onteigeningen gedaan werden in de zin van artikel 23 van de wet van 17 april 1835.

4.6. Dat de terugkoop betrekking heeft op slechts delen van onteigende percelen en niet op volledige percelen, is geen beletsel. Ook onteigening kan gebeuren voor delen van percelen. De kadastrale indeling dringt zich ter zake niet op. Ook het feit dat bepaalde delen van onteigende gronden niet gerevindiceerd worden en alleen de rest, is besloten in het fundamenteel recht op terugkoop. Het volstaat dat wordt vastgesteld - zoals hierboven is gedaan - dat de terugkoop slechts betrekking heeft op stukken grond die de bestemming niet krijgen waarvoor ze waren onteigend.

4.7. De vordering van de geïntimeerde was ook niet vervallen door het verstrijken van de termijn van drie maanden voorzien in artikel 23, 1ste lid, 2de zin van de wet van 17 april 1835, om de eenvoudige reden dat die termijn nooit is beginnen lopen. Die termijn kon immers niet eer beginnen lopen dan vanaf de bekendmaking van het volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht waarmee het bestuur (de tweede appellante) aan de geïntimeerde zou hebben doen kennen dat het de betreffende percelen wilde weerverkopen. Ten eerste is het duidelijk dat de tweede appellante de percelen nooit (vrijwillig) heeft willen verkopen. Er gebeurde dan ook nooit een afkondiging van een in artikel 23, 1ste lid bedoeld bericht. De brief van 13 februari 2007 van de bevoegde Minister die meedeelt niet te kunnen ingaan op de vraag tot terugkoop, kan niet als een dergelijk bericht worden beschouwd. Zelfs mocht dat het geval zijn, dan nog voorziet artikel 23, 1ste lid niet in het instellen van een gerechtelijke vordering binnen de vernoemde termijn van drie maanden, maar slechts van een ‘verklaring van de vroegere eigenaars dat ze de gronden willen terugkopen'. Een dergelijke ‘verklaring' was al vóór de brief van 13 februari 2007 gedaan door de geïntimeerde, met name toen ze op 21 december 2006 haar aangetekende brief aan de bevoegde Minister stuurde om de terugkoop te vragen.

Het is trouwens hoe dan ook duidelijk dat, nu de tweede appellante nooit het bedoelde bericht heeft afgekondigd, alleen het tweede lid van artikel 23 van de wet van 17 april 1835 toepassing vindt, waarvan de tekst luidt: Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen; en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.

Vermits de tweede appellante de terugkoop weigerde, heeft de geïntimeerde haar vordering moeten instellen voor de eerste rechter.

Dat het beheer van de gronden aan de eerste appellante was overgedragen, kan niet beletten dat de vordering tegen de onteigenende overheid, zijnde de tweede appellante moest worden ingesteld, zoals gebeurde.

4.8. De partijen voeren geen betwisting over de prijs die de geïntimeerde aanbiedt.

4.9. De conclusie is dat het hoger beroep van de beide appellanten ongegrond is en dat het bestreden vonnis integraal moet worden bevestigd.

4.10 Uitbreiding van de vordering: afpaling

De geïntimeerde vordert nu ook de afpaling van de terug te kopen percelen jegens de appellanten, met aanstelling van een gerechtsdeskundige. De appellanten hebben op dat vlak geen opmerkingen gemaakt.

Het recht op afpaling is attribuut van het eigendomsrecht. Nu de geïntimeerde, gelet op de toegekende terugkoop, weer eigenaar is van de betreffende percelen, kan zij de afpaling vragen. De afpaling zal hier in het bijzonder en in hoofdzaak de afscheiding, zijnde het vastleggen van de fysische eigendomsgrenzen tot doel hebben.

Gelet op de samenhang van deze nieuwe vordering van de geïntimeerde met haar oorspronkelijke vordering tot terugkoop, kan ze door het Hof worden behandeld (art. 566, 1ste lid Ger.W.).

Het Hof beveelt dan ook de afpaling zoals vermeld hierna.

Overeenkomstig artikel 646 BW geschiedt de afpaling op gemeenschappelijke kosten. De achterliggende gedachte is dat de beide erven er belang bij hebben de grenzen tussen beide vast te leggen.

Dat houdt dan ook in dat onder die gemeenschappelijke kosten alleen deze moeten gerekend worden die de afpaling op zich, zijnde het vastleggen van de grens, tot doel hebben.

De andere kosten, waaronder deze van opmeting en deskundigenonderzoek vallen ten laste van de partij die, door haar onterechte beweringen en/of aanspraken, het instellen van de vordering tot afpaling noodzakelijk heeft gemaakt (Rb. Bergen, 22 juni 1989, J.L.M.B., 1989, 34).

Op vandaag is er evenwel geen reden om uitspraak te doen over de kosten van de afpaling, nu de zaak voor de verdere afhandeling van die vordering - voor zover de partijen al niet tot een akkoord zullen komen over alle aspecten van de afpaling - onbepaald wordt uitgesteld.

5. De gerechtskosten

Wat de oorspronkelijke vordering betreft, is dit arrest een eindarrest.

De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegings-vergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

De (oorspronkelijke) vordering van de geïntimeerde is wel degelijk in geld waardeerbaar, nu ze de teruggave impliceert van gronden (tegen een prijs van 84.645,71 euro).

Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 3.000,00 euro toepasselijk.

De kosten die de geïntimeerde gemaakt heeft in en ter uitvoering van het bestreden vonnis, komen te laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd; dat houdt in dat het Hof, die het bestreden vonnis bevestigt, zich over die kosten niet moet uitspreken (vgl. Cass. 27 februari 1995, R.W., 1995-96, 43).

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

voegt de zaken met rolnummers 2009/AR/2528 en 2009/AR/2541;

verklaart het hoger beroep van de beide appellanten ontvankelijk maar wijst beide af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis.

veroordeelt de appellanten elk voor de helft tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de eerste appellante: nihil

- aan de kant van de tweede appellante: nihil

terwijl de andere kosten van de appellanten niet moeten vastgesteld worden, vermits ze te hunnen laste blijven;

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.000,00 EUR

Neemt akte van de uitbreiding van de vordering door de geïntimeerde tot afpaling;

verklaart die vordering ontvankelijk en als volgt gegrond:

beveelt de afpaling tussen de percelen waarop de betreffende terugkoop betrekking heeft en de aanpalende percelen van de tweede appellante;

stelt daartoe de heer L....... D........., landmeter, te .........., ................ (Landmetingsbureel Metimo BVBA 051/22.35.14) aan als gerechtsdeskundige, en geeft hem als opdracht om alle nodige en nuttige verrichtingen voor de afpaling uit te voeren en, voor zover de partijen het niet eens zouden zijn over het grensverloop, advies te verstrekken over de juiste ligging van de grensscheiding tussen de percelen;

verzendt de zaak voor verdere afhandeling van de eventuele betwisting omtrent de afpaling naar de bijzondere rol van de vijfde kamer;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op VIER JANUARI TWEEDUIZEND EN ELF.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D.Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Free keywords