- Arrêt of March 27, 2012

27/03/2012 - 2011/BV/32

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. Artikel 89 §5 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst staat niet in de weg dat de verzekeraar aan de benadeelde(n) die hun rechtstreeks vorderingsrecht uitoefenen, een exceptie, nietigheid of verval van het recht als bedoeld in artikel 87 §2 WLVO, met name een exceptie, nietigheid en verval van recht voortvloeiende uit de wet of de overeenkomst voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat, tegenwerpen.

2. De verzekeraar die zich op artikel 26 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst wenst te beroepen om niet of slechts beperkt tot dekking te zijn gehouden, dient het bewijs te leveren dat de verzekeringsnemers niet aan hun meldingsplicht hebben voldaan én dat de nieuwe omstandigheden of wijzigingen van aard zijn om de voorwaarden dan wel het bestaan zelf van de verzekeringspolis te beïnvloeden.

3. Een gemeenrechtelijke vergoeding voor meerinspanning heeft betrekking op een materiële schade, waarbij de toekenning voor meerinspanningen de inspanningen beloont die een werknemer bereid is te leveren om een werk uit te voeren. Deze specifieke schadepost meerinspanning dekt dezelfde schade als de uitkeringen van de arbeidsongevallenverzekeraar. De aansprakelijke dient materiële professionele schade die gedekt is door de wet op de arbeidsongevallen te vergoeden aan de arbeidsongevallenverzekeraar. De arbeidsongevallenverzekering vergoedt ook de aantasting van de arbeidsongeschiktheid.

4. De kapitalisatiemethode is in casu niet de meest gepaste oplossing voor de vergoeding van morele schade, omdat ze uiteindelijk begroot wordt aan de hand van een fictief bepaald en statisch dagbedrag. Door voornoemde berekeningswijze - met een aantal onzekere parameters, zoals vermoedelijke levensduur en kapitalisatierentevoet - toe te passen voor een immateriële schade - die door de aard van de schade niet op een financieel tastbare wijze kan begroot worden - wordt het willekeurig en onzeker karakter vergroot. Via kapitalisatie kan het hof in deze zaak onmogelijk tot een juiste berekening van toekomstige immateriële schade komen.


Arrêt - Integral text

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 27 maart 2012

te Antwerpen, 15e kamer

(...)

4.1. Gehoudenheid van de vrijwillige tussenkomende partij

X (verzekeraar) kwam vrijwillig tussen in de procedure, bij verzoekschrift tot vrijwillige verschijning dat op 25 november 2005 ter zitting van de correctionele rechtbank te Mechelen werd neergelegd, als verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid gezin van de heer en mevrouw M. - E.

Overeenkomstig artikel 89 §5 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar, wanneer een geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, vrijwillig tussenkomen onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar kan het strafgerecht geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringsnemer.

Dit staat evenwel niet in de weg dat de verzekeraar aan de benadeelde(n) die hun rechtstreeks vorderingsrecht uitoefenen, een exceptie, nietigheid of verval van het recht als bedoeld in artikel 87 §2 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten, met name een exceptie, nietigheid en verval van recht voortvloeiende uit de wet of de overeenkomst voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat, tegenwerpen.

In hoofdorde strekt de tussenkomst van X (verzekeraar) ertoe te horen zeggen:

- dat zij geen dekking dient te verlenen voor de oorspronkelijke beklaagde M. Z., die op het ogenbik van de feiten ouder dan 16 jaar was,

- dat zij niet tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de ouders gehouden is omwille van verzwaring van het risico waarvan de verzekeringsnemers geen aangifte deden.

4.1.1. Geen dekking voor M. Z.

X (verzekeraar) beroept zich op artikel 6 van de polis waarbij wordt gesteld dat geen waarborg wordt verleend voor schade die voortvloeit uit de persoonlijke burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekerde die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en een schadegeval opzettelijk of door zijn grove schuld heeft veroorzaakt.

Overeenkomstig dit artikel 6 van de polis is X (verzekeraar) inderdaad niet gehouden om dekking te verstrekken voor de schade die door de opzettelijke daden van de beklaagde M. Z., op dat ogenblik meer dan 16 jaar, werd veroorzaakt.

De discussie of de beklaagde op het ogenblik van de feiten al dan niet ‘de jaren van onderscheid' had bereikt, is hier niet relevant vermits de tekst van artikel 6 van de polis duidelijk is en niet verwijst naar de ‘jaren van onderscheid' als criterium voor het niet verzekeren van het risico.

4.1.2. Dekking voor de ouders, M. M. en E. Y.

X (verzekeraar) stelt dat de ouders als verzekeringsnemers hebben nagelaten om de verzekeringsmaatschappij in kennis te stellen van eerdere misdrijven die door hun zoon M. Z. werd gepleegd en die volgens de verzekeringsmaatschappij een zeer aanzienlijke verzwaring van het risico uitmaakten.

In casu zou het gaan om een inbraak in een school die door de politie werd verijdeld (mei 2003) en een diefstal met geweld (augustus 2003), en op jongere leeftijd diefstal van een fiets en een CD.

Voor de feiten van 2003 zou de jeugdrechter de minderjarige gedurende 7 maanden in de instelling De Hutten te Mol hebben geplaatst.

X (verzekeraar) zegde per aangetekende brief van 18/05/2004 de polis op, binnen de week nadat zij per brief van de raadsman van de ouders van de beklaagde melding kregen van huidige feiten.

In deze aangetekende brief verwees X (verzekeraar) niet naar artikel 26 §1,1ste alinea, maar enkel naar artikel 31 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (WLVO). Dit artikel houdt in dat de verzekeraar kan opzeggen na een schadegeval.

Dit staat evenwel de toepassing van artikel 26 §3 WLVO waarop X (verzekeraar) zich thans beroept (met name de beperkte of niet gehoudenheid ingevolge het niet nakomen door de verzekeringsnemer van zijn mededelingsplicht), niet in de weg.

Artikel 5 WLVO voorziet dat de verzekeringsnemer verplicht is bij het sluiten van de overeenkomst alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Verder voorziet artikel 26 van deze wet dat de verzekeringsnemer de verplichting heeft in de loop van de overeenkomst en onder de voorwaarden van artikel 5 de nieuwe omstandigheden of de wijzigingen van de omstandigheden aan te geven die van aard zijn om een aanmerkelijke en blijvende verzwaring van het risico dat het verzekerde voorval zich voordoet te bewerkstelligen.

De verzekeraar die zich op artikel 26 WLVO wenst te beroepen om niet of slechts beperkt tot dekking te zijn gehouden, dient het bewijs te leveren dat de verzekeringsnemers niet aan hun meldingsplicht hebben voldaan én dat de nieuwe omstandigheden of wijzigingen van aard zijn om de voorwaarden dan wel het bestaan zelf van de verzekeringspolis te beïnvloeden.

De ouders M. M. en E. Y. werpen op - en worden hierin door X (verzekeraar) niet tegengesproken - dat er bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst niet werd geïnformeerd naar eventuele strafrechtelijke antecedenten in hunnen hoofde of in hoofde van hun kinderen zodat zij er zich niet van bewust dienden te zijn dat deze omstandigheid de voorwaarden - tot zelfs het bestaan - van de verzekeringsovereenkomst met X (verzekeraar) zou beïnvloeden.

Verder werpen de ouders op dat zij als verzekeringsnemers enkel een mededelingsplicht hebben voor gewijzigde omstandigheden die een "aanmerkelijke en blijvende" verzwaring van het risico dat het voorval zich voordoet, bewerkstelligen en dat deze mededelingsplicht op een redelijke wijze dient te worden beoordeeld.

X (verzekeraar) blijft in gebreke aan te tonen dat M. M. en E. Y. wisten of minstens dienden te weten dat de strafrechtelijke antecedenten van de verzekeringsnemers en/of de verzekerden enige invloed hadden op het al dan niet afsluiten van de verzekeringsovereenkomst en/of op de voorwaarden ervan.

Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat zij redelijkerwijze dienden te weten dat de gerechtelijke problemen die hun zoon kende in de loop van de verzekeringsovereenkomst, als gegevens die van invloed konden zijn op de beoordeling van het risico door X (verzekeraar), dienden te worden ingeschat en zij hiervan dus een mededelingsplicht hadden.

Er dient overigens te worden aangetoond dat het risico op het schadegeval zoals het zich voordeed, aanmerkelijk en blijvend verzwaard was door omstandigheden die aan huidig schadegeval voorafgingen.

Het hof is volkomen in het ongewisse omtrent de voorgaande strafbare feiten waarnaar X (verzekeraar) verwijst en kan derhalve niet nagaan of deze feiten schade, die onder het door X (verzekeraar) verzekerde risico zou ressorteren, teweeg brachten.

De stelling van X (verzekeraar) dat er met een quasi aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid na de voorgaande strafbare feiten, zich nieuwe en ergere schadegevallen zouden voordoen zodat ervan diende te worden uitgegaan dat deze geen onzekere gebeurtenis meer uitmaakten, is in het kader van huidig strafdossier niet bewezen.

X (verzekeraar) kan zich derhalve niet beroepen op artikel 26 §3 WLVO en is gehouden de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de ouders M. M. en E. Y. voor hun minderjarige zoon te dekken.

4.2. Burgerlijke vorderingen

(...)

7. Meerinspanning tijdelijke arbeidsongeschiktheid

Vanaf 08.03.2004 heeft de burgerlijke partij Z. M. haar werkzaamheden bij ... hernomen (stuk 4 c) tot 25.02.2005 (stuk 4e).

Vanaf 17.03.2005 tot en met 13.11.2005 was Z. M. werkzaam als poetsvrouw bij de firma ....

Zij vordert voor de degressieve perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid een schadevergoeding van euro 4.294,50 (aan een dagbedrag van euro 17,50 aan 100 %).

X (verzekeraar) betwist deze vordering en stelt dat Z. M. de besluitvorming in arbeidsongevallen dient voor te brengen.

Een gemeenrechtelijke vergoeding voor meerinspanning heeft betrekking op een materiële schade, waarbij de toekenning voor meerinspanningen de inspanningen beloont die een werknemer bereid is te leveren om een werk uit te voeren.

Deze specifieke schadepost meerinspanning dekt dezelfde schade als de uitkeringen van de arbeidsongevallenverzekeraar.

De aansprakelijke dient materiële professionele schade die gedekt is door de wet op de arbeidsongevallen te vergoeden aan de arbeidsongevallenverzekeraar. De arbeidsongevallenverzekering vergoedt ook de aantasting van de arbeidsongeschiktheid.

In afwachting van het resultaat van de procedure voor de arbeidsrechtbank verleent het hof voor deze schadepost een voorbehoud, waarmee alle partijen instemmen.

8. Morele schade blijvende invaliditeit

De burgerlijke partij Z. M. vraagt dat haar schade zou worden vergoed door middel van kapitalisatie, gelet op het weerhouden percentage aan blijvende invaliditeit (20%).

Zij verwijst hiervoor naar de indicatieve tabel, die evenwel louter indicatief of richtinggevend is.

Vermits elk schadegeval individueel dient te worden beoordeeld, is ook de verwijzing naar een aantal rechterlijke uitspraken niet bindend.

Het hof is van oordeel dat in huidig dossier de morele schade voor de blijvende invaliditeit niet op een concrete, financieel tastbare wijze kan begroot worden.

Indien de schade niet op een financieel tastbare wijze tot uitdrukking komt, is dus enkel een begroting ex aequo et bono gepast, omdat er geen concrete begrotingsgrondslag bestaat.

De morele gevolgen van de feiten zijn niet zonder meer te voorspellen. Morele schade bestaat uit dynamische factoren zoals pijn, levensvreugde, bewustzijn van de beperking van fysiek of geestelijk vermogen.

De geleden schade is zeer afhankelijk van de persoon: het is deels een subjectief aanvoelen waarbij een slachtoffer zich, na verloop van tijd, omwille van aanpassingsvermogen dat kenmerkend is voor de mens, aanpast of waarbij een schadelijder leert leven met hetgeen gebeurd is.

De morele gevolgen zijn in deze zaak onmogelijk tot een mathematisch juiste berekening terug te brengen: er zullen wellicht voor het slachtoffer momenten zijn waarop de morele schade naar aanleiding van de overval op 14.11.2003 zich uitdrukkelijker manifesteert dan op andere momenten.

De kapitalisatiemethode is in casu niet de meest gepaste oplossing voor de vergoeding van morele schade, omdat ze uiteindelijk begroot wordt aan de hand van een fictief bepaald en statisch dagbedrag (gevorderd bedrag euro 25,00 per dag, tarief aan 100 %).

Door voornoemde berekeningswijze - met een aantal onzekere parameters, zoals vermoedelijke levensduur en kapitalisatierentevoet - toe te passen voor een immateriële schade - die door de aard van de schade niet op een financieel tastbare wijze kan begroot worden - wordt het willekeurig en onzeker karakter vergroot. Via kapitalisatie kan het hof in deze zaak onmogelijk tot een juiste berekening van toekomstige immateriële schade komen.

Het hof is van oordeel dat de vergoedingswijze per punt invaliditeit die door X (verzekeraar) aangeboden wordt, op een billijke manier de schade vergoedt en het meest met de reële morele schade overeenstemt.

Het hof kent het bedrag van euro 20.620,00 toe, vermeerderd met vergoedende intresten vanaf de consolidatiedatum 14.11.2005.

(...)

Free keywords

  • 1. Verzekeringen

  • aansprakelijkheidsverzekering

  • vrijwillige tussenkomst van de verzekeraar

  • tegenstelbaarheid van een exceptie, nietigheid of verval van het recht 2. Verzekeringen

  • landverzekeringsovereenkomst

  • verzwaring van het risico

  • meldingsplicht

  • (dubbel) bewijs 3. Strafrecht

  • burgerlijke vordering

  • begroting schade

  • arbeidsongeschiktheid

  • meerinspanning tijdelijke arbeidsongeschiktheid

  • arbeidsongevallenverzekering

  • dezelfde schade 4. Strafrecht

  • burgerlijke vordering

  • begroting schade

  • arbeidsongeschiktheid

  • morele schade blijvende invaliditeit

  • kapitalisatiemethode