- Arrêt of September 20, 2012

20/09/2012 - 2012/PGA/1652

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het loutere feit dat beklaagden werden opgeroepen om gehoord te worden omtrent de financiële toestand en de op dat ogenblik gekende schulden van hun vennootschap, betekent niet dat zij zich nadien niet schuldig zouden kunnen maken aan het misdrijf zoals omschreven in art. 489bis, 4° Sw.

Uit de vaststelling dat beklaagden zeer kort voor het faillissement nog de aandelen van hun vennootschap hebben verkocht, blijkt genoegzaam dat beklaagden, door de niet tijdige aangifte van staking van betaling, het opzet hadden om de faillietverklaring uit te stellen, en in extremis nog munt te slaan uit hun virtueel failliete vennootschap.


Arrêt - Integral text

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 20 september 2012

te Antwerpen, twaalfde kamer

(...)

3. Voor wat betreft tenlastelegging B (niet tijdige aangifte faillissement) benadrukken beklaagden het feit dat zij op 09.05.2007 werden opgeroepen voor de Kamer voor Handelsonderzoek bij de rechtbank van koophandel te Mechelen, en dat zij aldus onder permanent toezicht stonden van de Kamer voor Handelsonderzoek. Beklaagden hebben op 21.06.2012 op de griffie van de rechtbank van koophandel te Mechelen een afschrift opgevraagd van de oproepingsbrief d.d. 09.05.2007, hetwelk zij ter terechtzitting d.d. 21.06.2012 als stuk hebben neergelegd.

Het hof stelt vast dat beklaagden enkel de eerste oproepingsbrief van de Kamer voor Handelsonderzoek voorleggen, doch niet de verslagen die door de Kamer voor Handelsonderzoek werden opgesteld. Over het verloop van de opvolging door de Kamer voor Handelsonderzoek tot aan de dagvaarding in faillissement d.d. 24.06.2008 wordt door beklaagden geen enkele informatie verschaft.

Het loutere feit dat beklaagden werden opgeroepen om op 05.06.2007 gehoord te worden omtrent de financiële toestand en de op dat ogenblik gekende schulden van hun vennootschap BVBA Imaca Services, betekent niet dat zij zich nadien niet schuldig zouden kunnen maken aan het misdrijf zoals omschreven in art. 489bis, 4° Sw. Uit stuk 163 blijkt dat beklaagden op 03.10.2007 bij verstek werden veroordeeld in betaling van achterstallige RSZ-bijdragen voor een substantieel bedrag van 5.394,80 EUR in hoofdsom, en dat er in de daaropvolgende maanden nog 4 veroordelingen bij verstek werden uitgesproken voor achterstallige RSZ-bijdragen. De datum van de staking van betaling werd terecht bepaald op 03.10.2007.

In het eerste nazicht van schuldvorderingen werd de vordering van de RSZ reeds opgenomen in het ‘aangehouden passief' voor een provisioneel bedrag van 18.312,63 EUR (stuk 23).

Rekening houdend met de andere schulden van hun vennootschap, heeft de eerste rechter op oordeelkundige gronden vastgesteld dat beklaagden verzuimd hebben om binnen één maand nadat zij hebben opgehouden te betalen, zijnde binnen één maand na het verstekvonnis d.d. 03.10.2007, aangifte te doen van het faillissement van de BVBA Imaca Services. Het aflopend misdrijf van art. 489bis, 4° Sw. heeft zich derhalve voltrokken op 04.11.2007, zoals voorzien in tenlastelegging B.

Uit de inhoud van het strafdossier, in het bijzonder de vaststelling dat beklaagden zeer kort voor het faillissement nog de aandelen van hun vennootschap hebben verkocht, blijkt genoegzaam dat beklaagden, door de niet tijdige aangifte van staking van betaling, het opzet hadden om de faillietverklaring uit te stellen, en in extremis nog munt te slaan uit hun virtueel failliete vennootschap.

(...)

Free keywords

  • Faillisementsmisdrijf

  • Aangiftetermijn

  • Oproeping Kamer voor Handelsonderzoek

  • Geen opheffing aangifteverplichting. Faillissementsmisdrijf

  • Opzet

  • Verkoop aandelen vlak voor faillissement

  • Oogmerk tot uitstel faillissementsverklaring.