- Arrêt of October 15, 2012

15/10/2012 - 2011AR2014

Case law

Summary

Samenvatting 1

Belang:

Artikel 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, ook al wordt het betwist, heeft belang en hoedanigheid om de vordering te stellen; het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het ingeroepen subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering.

Onderhands verkoopcompromis:

De overeenkomst bepaalt dat de vergoeding betaalbaar zal zijn bij het verlijden van de notariële akte.

Dit maakt een opschortende voorwaarde uit.

Artikel 1178 B.W. bepaalt dat de voorwaarde geacht wordt vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder de voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

De eerste geïntimeerde is niet verschenen voor de notaris waardoor hij de vervulling van de voorwaarde heeft verhinderd.

Ondeelbare verbintenis - ondeelbare schuld :

De betalingsverbintenis van de geïntimeerden is - gelet op de concrete omstandigheden: namelijk het samen verschijnen als verkopers zodat

de authentieke akte kon verleden worden - een ondeelbare verbintenis (artikel 1218 B.W.).

Artikel 1222 B.W. bepaalt: ieder van hen die gezamenlijk een ondeelbare schuld hebben aangegaan, staat in voor het geheel, ook al is de verbintenis niet hoofdelijk aangegaan.

Uitvoerbaarverklaring zonder bestaansreden:

Artikel 1118 Ger.W. bepaalt dat in burgerlijke zaken, de voorziening

alleen schorsende kracht heeft in de gevallen die de wet bepaalt.

De gevorderde uitvoerbaarverklaring van onderhavig arrest is dienvolgens zonder bestaansreden.


Arrêt - Integral text

Antwerpen, 1e kamer

2011/AR/2014

A. Y., handelaar, handeldrijvende onder de benaming

"V. V.", ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. en wonende te ...;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. B. N.

tegen het vonnis van de 4e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 1 juni 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/1114/A;

tegen:

1. P. J. A. H., zonder beroep, wonende te

noch verschenen in persoon, noch vertegenwoordigd door een

advocaat;

2. N. F. M. J., zonder beroep en wonende in ..

vertegenwoordigd door;

geïntimeerden,

* * * * *

Gelet op het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 1 juni 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgebracht, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 4 juli 2011.

1. Voorgaande

De geïntimeerden sloten met de appellant op 8 mei 2009 een exclusieve verkoopopdracht voor hun woning.

In de overeenkomst werd bedongen dat de vergoeding voor de appellant definitief verschuldigd is bij ondertekening van een geldig onderhands verkoopcompromis of indien door een kandidaat-koper een schriftelijk en geldig koopbod wordt uitgebracht. De vergoeding is, volgens dezelfde overeenkomst, betaalbaar bij het verlijden van de notariële akte.

Voor de woning werd klaarblijkelijk een onderhandse verkoop gesloten.

De notariële akte werd niet verleden. De notaris attesteerde op 22 december 2009 dat de tweede geïntimeerde en de koper aanwezig waren doch niet de eerste geïntimeerde.

Bij schrijven van 8 januari 2010 van de raadsman van de appellant werden de geïntimeerden aangemaand om de prestaties van zijn cliënt voor een bedrag van euro 6.663,45 te betalen.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. De appellant ging op 1 juni 2010 over tot dagvaarding van de geïntimeerden in betaling van het volgens hem verschuldigde makelaarsloon van euro 5.445, meer de intrest.

2.2. Bij bestreden vonnis van 1 juni 2011 werd de vordering van de

appellant niet ontvankelijk verklaard bij gebrek aan actueel rechtmatig belang.

3. De vorderingen en het verweer in hoger beroep

3.1. De appellant legde een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van dit hof op 4 juli 2011.

3.2. De appellant vraagt bij conclusie neergelegd op 8 februari 2012:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de geïntimeerden, solidair en hoofdelijk, de één bij gebreke van de andere te veroordelen tot betaling van euro 5.445, inclusief btw, meer de moratoire intrest, de vergoedende en de gerechtelijke intrest;

- de geïntimeerden solidair en hoofdelijk, de één bij gebreke van de andere te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding;

- het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk verhaal zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement.

3.3. De eerste geïntimeerde heeft geen conclusie noch was hij vertegenwoordigd. De appellant vroeg ter terechtzitting van dit hof van 10 september 2012 arrest overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W. ten aanzien van de eerste geïntimeerde.

3.4. De tweede geïntimeerde vraagt bij conclusie neergelegd op 28 maart 2012:

- in hoofdorde:

- het hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren;

- in ondergeschikte orde:

- het hoger beroep niet gegrond te verklaren;

- in beide voorgaande hypothesen:

- de appellant te veroordelen tot de kosten van het geding;

- in uiterst ondergeschikte orde:

- de vordering in tussenkomst en vrijwaring ten opzichte van de eerste geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en hem te veroordelen haar te vrijwaren in hoofdsom, intrest en kosten;

- de eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.

4. Beoordeling

4.1. De tweede geïntimeerde besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep zonder dit te motiveren.

Het hoger beroep komt, naar vorm en termijn, ontvankelijk voor.

4.2. Het hof heeft een ander oordeel dan de eerste rechter en dit om volgende redenen:

4.2.1. De eerste rechter verklaarde de vordering van de appellant niet ontvankelijk bij gebrek aan actueel rechtmatig belang in hoofde van de appellant.

Artikel 17 Ger.W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

De procespartij die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, ook al wordt het betwist, heeft belang en hoedanigheid om de vordering te stellen; het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het ingeroepen subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering.

De appellant houdt voor dat zijn makelaarsloon door de geïntimeerden verschuldigd is en heeft dan ook belang en hoedanigheid om de vordering te stellen.

De oorspronkelijke vordering van de appellant is ontvankelijk.

4.2.2.

4.2.2.1. Bij overeenkomst van 8 mei 2009 werd tussen partijen bedongen dat aan de appellant een vergoeding voor zijn prestaties verschuldigd was bij de ondertekening van een geldig onderhands verkoopcompromis.

Alhoewel geen verkoopcompromis wordt voorgelegd, blijkt uit het attest en de briefwisseling met de notaris dat klaarblijkelijk een geldige verkoopcompromis tot stand was gekomen. Dit wordt trouwens niet betwist door de tweede geïntimeerde die steeds aanwezig was bij de notaris om de notariële akte te laten verlijden.

Derhalve is volgens overeenkomst de vergoeding voor de appellant

definitief verschuldigd.

De overeenkomst bepaalt dat de vergoeding betaalbaar zal zijn bij het verlijden van de notariële akte.

Dit maakt een opschortende voorwaarde uit.

Artikel 1178 B.W. bepaalt dat de voorwaarde geacht wordt vervuld te zijn, wanneer de schuldenaar die zich onder de voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

De eerste geïntimeerde is niet verschenen voor de notaris waardoor hij de vervulling van de voorwaarde heeft verhinderd.

De voorwaarde dat de betaling verschuldigd is bij het verlijden van de notariële akte wordt geacht vervuld te zijn.

De geïntimeerden hebben samen de verbintenis aangegaan om het makelaarsloon aan de appellant te betalen wanneer een geldig onderhands verkoopcompromis werd ondertekend en ze hebben zich samen verbonden dit loon te betalen in geval van het verlijden van de notariële akte.

De betalingsverbintenis van de geïntimeerden is - gelet op de concrete omstandigheden: namelijk het samen verschijnen als verkopers zodat

de authentieke akte kon verleden worden - een ondeelbare verbintenis (artikel 1218 B.W.).

Artikel 1222 B.W. bepaalt: ieder van hen die gezamenlijk een ondeelbare schuld hebben aangegaan, staat in voor het geheel, ook al is de verbintenis niet hoofdelijk aangegaan.

Uit voorgaande volgt dat de vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond is ten aanzien van beide geïntimeerden.

Gelet op voormelde wettelijke bepaling zijn zij hoofdelijk gehouden.

4.2.2.2. De tweede geïntimeerde stelt een vordering in tussenkomst en vrijwaring in ten laste van de eerste geïntimeerde.

De notariële akte is niet kunnen doorgaan ten gevolge van de afwezigheid van de eerste geïntimeerde. De tweede geïntimeerde was wél aanwezig (cfr. attest notaris van 22 december 2009).

De eerste geïntimeerde is gehouden de tweede geïntimeerde te vrijwaren in hoofdsom, intrest en kosten.

4.2.2.3. De overige argumenten en middelen van partijen nopen niet tot een andere besluitvorming van het hof.

4.2.3. De appellant vraagt het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement.

Artikel 1118 Ger.W. bepaalt dat in burgerlijke zaken, de voorziening

alleen schorsende kracht heeft in de gevallen die de wet bepaalt.

De gevorderde uitvoerbaarverklaring van onderhavig arrest is dienvolgens zonder bestaansreden.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak en bij toepassing van artikel 747 §2 Ger.W. ten aanzien van de eerste geïntimeerde.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verwerpt alle andersluidende en meeromvattende conclusies als ongegrond, niet ter zake dienstig en/of overbodig;

- verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt:

- hervormt het bestreden vonnis als volgt:

- verklaart de vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

- veroordeelt de geïntimeerden hoofdelijk om aan de appellant te be-talen de som van euro 5.445, meer de moratoire intrest vanaf de aanmaning op 8 januari 2010 en de gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet;

- verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de tweede geïntimeerde ten laste van de eerste geïntimeerde, ontvankelijk en gegrond als volgt:

- veroordeelt de eerste geïntimeerde om de tweede geïntimeerde te vrijwaren voor de veroordeling die met dit arrest in haar nadeel ten voordele van de appellant wordt uitgesproken en dit zowel in hoofdsom, intrest als kosten;

- veroordeelt de geïntimeerden tot betaling van de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van de appellant vastgesteld als volgt:

- dagvaarding: euro 314,81

- akte van uitreiking: euro 79,02

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 990

- rolrecht hoger beroep: euro 186

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 990

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJFTIEN

OKTOBER TWEEDUIZEND TWAALF door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Ontvankelijkheid

  • belang

  • onderhands verkoopcompromis

  • opschortende voorwaarde

  • art. 1178 B.W.

  • art. 1218 B.W. -ondeelbare verbintenis -- art. 1222 B.W.

  • art 1118 Ger.W.