- Arrêt of December 17, 2012

17/12/2012 - 2010AR1366

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het verval als uitdoving van een verbintenis vereist dat de situatie, waarin -na de totstandkoming van de rechtshandeling- een oorspronkelijke geldigheidsvereiste -voorwerp of oorzaak- verdwijnt.

Het hof kan a posteriori gevat worden om deze genomen partijbeslissing te toetsen op grond van het beginsel, zoals voorzien in artikel 1134 B.W., dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd .

De bepaling van het voorwerp van de verbintenis mag afhangen van de wilsverklaring van één der contractspartijen, met dien verstande evenwel dat de bescherming tegen arbitraire partijbeslissingen kan/dient te worden getoetst aan het verbod op rechtsmisbruik.

De oorzaak/het doel van een overeenkomst duidt op de reden waarom zich iemand bindt, op de objectieve bestaansreden, haar inwendige rechtvaardiging of nut voor de partijen .

In tegenstelling tot de initieel door geïntimeerde gevorderde nietigheid van de tussen partijen gesloten overeenkomst, is, bij verval, de rechtshandeling wel ab initio geldig tot stand gekomen om vervolgens ook gedurende een bepaalde periode rechtsgeldig te bestaan en wordt er slechts, ingevolge gewijzigde omstandigheden, een einde gemaakt aan het voortbestaan van deze rechtshandeling .

De partij, die de nakoming in natura nastreeft van een verbintenis die haar reden van bestaan heeft verloren, handelt op een wijze die de grenzen van de normale rechtsuitoefening te buiten gaat en kan daarin dan ook niet kan worden gehonoreerd .

Appellante niet slaagt in de op haar rustende bewijslast van haar beweerde betaling van het bedrag : er ligt hiervan geen bewijskrachtig stuk voor. Het blijkt niet of kan niet afgeleid worden uit de elementen en gegevens, welke zij ter overtuiging daarvan aanreikt. Haar vordering tot terugbetaling van dit bedrag is ongegrond.


Arrêt - Integral text

Hof van Beroep Antwerpen -1e bis

2010/AR/1366

V. M.,

- appellante

- vertegenwoordigd door Meester V. J., advocaat

tegen het vonnis van de 2e kamer van de rechtbank van eerste aanleg

te Tongeren van 16 februari 2010, gekend onder het rolnummer AR. 07/1316/A

tegen:

B. M.,

- geïntimeerde

- vertegenwoordigd door Meester P. G., advocaat

* * * *

Gelet op het arrest van dit hof d.d. 16 april 2012, waarbij de debatten werden heropend alvorens te oordelen en de zaak voor verdere behandeling werd vastgesteld op de zitting van 22 oktober 2012.

Op deze zitting werd de zaak hernomen wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel.

I. De feiten en voorgaanden

Voor wat de feiten, het verloop van de voorafgaande tot dan gevoerde rechtspleging en het voorwerp van de oorspronkelijk door partijen in hoger beroep gestelde vorderingen betreft, verwijst het hof naar het tussenarrest d.d. 12 december 2011.

Bij dit tussenarrest werd geoordeeld dat de onderhandse overeenkomst van 20 juni 2005 geldig is aangegaan en ook het instrumentum geldig is.

Ter zake de betwisting met betrekking tot het feit of het voorwerp van

de overeenkomst al dan niet bepaald of bepaalbaar was, werd, anders

dan de eerste rechter, geoordeeld dat de hoeveelheid, meer bepaald

de juiste oppervlakte, niet bepaald maar wel bepaalbaar was aan de

hand van hetgeen de voorafgaandelijk weergegeven clausule in de overeenkomst daaromtrent voorzag en het bij aangaan van deze overeenkomst de bedoeling van partijen was dat de aldus bekomen percelen uiteindelijk voor elk van hen de mogelijkheid tot het oprichten/behoud van een half-open bebouwing bekwam/behield.

De landmeter diende daarmee rekening te houden naast de andere voorheen aangehaalde bepalingen.

In tegenstelling tot hetgeen geïntimeerde beweerde, werden er aldus in de overeenkomst voldoende criteria ter bepaling van het voorwerp aangehaald.

De kritiek van geïntimeerde op landmeter G. werd verder als niet terecht bestempeld, nu tussen partijen werd overeengekomen dat landmeter M. de oppervlakte zou bepalen, maar deze de opdracht (de opmeting) om onbekende reden niet heeft aangenomen en geïntimeerde ook niet aantoonde dat de persoon van landmeter M. essentieel was.

Bij dit tussenarrest werd dan geoordeeld dat de overeenkomst geldig

is, de oorspronkelijke hoofdeis van geïntimeerde ongegrond en de oorspronkelijke tegeneis in principe gegrond is en dat geïntimeerde aldus gehouden is om de overeenkomst uit te voeren.

Gezien appellante evenwel naliet om te specifiëren waaruit de door haar gevorderde gedwongen uitvoering precies bestond, werd het debat dan heropend teneinde haar toe te laten deze alsnog nader te bepalen en te omschrijven.

Het hoger beroep van appellante werd dan bij dit tussenarrest ontvankelijk en tevens gegrond verklaard in de mate dat dan, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering

van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond verklaard werd en de oorspronkelijke tegeneis van appellante, ertoe strekkende om geïntimeerde te horen veroordelen tot de gedwongen uitvoering van

de overeenkomst op straffe van een dwangsom, ontvankelijk werd verklaard en werd dan, alvorens verder te oordelen, het debat heropend op de terechtzitting van 19 maart 2012 teneinde appellante toe te

laten nader te bepalen waaruit de gedwongen uitvoering precies bestaat en geïntimeerde de mogelijkheid te geven om daarop te antwoorden.

Appellante vorderde daaropvolgend om:

- geïntimeerde te veroordelen tot de gedwongen uitvoering

van de verkoopsovereenkomst van 20 juni 2005 overeenkomstig

het opmetingsplan-verdelingsplan van 3 april 2007 van de deskundige G., met dien verstande dat zij aan appellante 6,20 m aan straat-

zijde dient af te staan, zodat beide partijen een volwaardige half open bebouwing bekomen conform de verkoopsovereenkomst van 20 juni 2005;

- geïntimeerde te veroordelen de onderhandse verkoopsovereenkomst van 20 juni 2005 met betrekking tot het door haar gekochte stuk grond te laten verlijden bij notaris X. V. en dit binnen de maand

na uitspraak van het tussen te komen arrest en, bij gebrek daaraan, geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 150,00 EUR per dag vertraging bij het verlijden van de akte, zulks vanaf de 15de dag na betekening van het tussen te komen arrest;

- tevens een tweede notaris aan te stellen;

- geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Geïntimeerde vroeg op haar beurt om:

- vast te stellen dat het creëren van twee halfopen bebouwingen op de twee betwiste percelen niet mogelijk is, met gevolg dat de compromis niet kan worden uitgevoerd;

- de overeenkomst te ontbinden om reden dat deze niet uitvoerbaar is;

- te zeggen voor recht dat de overeenkomst wordt ontbonden en partijen terug in dezelfde plaats worden gesteld dan voor het ondertekenen van de betwiste compromis;

- appellante te veroordelen tot de kosten.

Zij deed daartoe gelden dat het onmogelijk is om op ieder perceel een half open bebouwing te creëren en dat het, volgens haar, niet mogelijk was om een andere uitvoering van de compromis dan de realisatie van twee halfopen bebouwingen op te leggen. Zij stelde dat dit in de praktijk omwille van stedenbouwkundige voorschriften niet mogelijk is en bracht dan verder ook, ter overtuiging daarvan, nieuwe stukken, genummerd 13 tot en met 20, bij.

Gezien appellante daarover geen standpunt had kunnen innemen, vermits de aldus door geïntimeerde gestelde "uitgebreide vordering"

en de dienaangaande ontwikkelde argumentatie geschiedde na de door/namens appellante neergelegde conclusie en het hof dan toch kennis wenste te nemen van haar standpunt met betrekking tot de door geïntimeerde voorgehouden onmogelijkheid tot uitvoering van haar vordering, werden de debatten bij tussenarrest van dit hof van 16 april 2012 opnieuw heropend teneinde appellante toe te laten om standpunt

in te nemen aangaande de "uitgebreide vordering" van geïntimeerde, gedaan bij dier conclusie van 17 februari 2012.

II. Vorderingen na tussenarrest d.d. 16 april 2012

Zoals voordien, vordert appellante de veroordeling van geïntimeerde

tot de gedwongen uitvoering van de verkoopsovereenkomst d.d. 20

juni 2005 overeenkomstig het opmetingsplan-verdelingsplan d.d. 3 april

2007 van deskundige G., met dien verstande dat geïntimeerde

haar 6,20 meter dient af te staan aan straatzijde, zodat beide partijen

tot een volwaardige half-open bebouwing komen conform de verkoops-overeenkomst d.d. 20 juni 2005.

Zij vordert verder ook de veroordeling van geïntimeerde tot het laten verlijden van de onderhandse verkoopsovereenkomst d.d. 20 juni 2005 bij notaris X. V. en dit binnen de maand

na uitspraak van het tussen te komen arrest en, bij gebreke hieraan te voldoen, geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 150,00 EUR per dag vertraging bij het verlijden van deze akte, zulks vanaf de vijftiende dag na betekening van het tussen te komen arrest.

Appellante vraagt daarbij tevens om een tweede notaris aan te stellen met opdracht om geïntimeerde te vertegenwoordigen met het oog op

het verlijden van de akte om in plaats van geïntimeerde, de notariële akte voor haar rekening en op haar kosten te ondertekenen, dit voor het

geval geïntimeerde de notariële akte conform de verkoopsovereenkomst d.d. 20 juni 2005 en het opmetingsplan-verdelingsplan d.d. 3 april 2007 van deskundige G. nog niet zou ondertekend hebben één maand na de uitspraak van het tussen te komen arrest.

In ondergeschikte orde vordert appellante de ontbinding van de verkoopsovereenkomst d.d. 20 juni 2005 lastens geïntimeerde met veroordeling van deze laatste tot het betalen van een schadevergoeding ten bedrage van 750,00 EUR (zijnde 10% van de verkoopprijs van 7.500,00 EUR) en dit overeenkomstig artikel 5 van de verkoop

overeenkomst d.d. 20 juni 2005 alsmede de verkoopprijs ten bedrage van 7.500,00 EUR, beide te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 20 juni 2005 alsmede de gerechtelijke intresten.

In uiterst ondergeschikte orde vraagt zij om de ontbinding van de overeenkomst uit te spreken en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de koopprijs ten bedrage van 7.500,00 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten d.d. 20 juni 2005 alsmede de gerechtelijke intresten.

Zij vordert ten slotte nog de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, zoals verder door haar in haren hoofde begroot.

Geïntimeerde vraagt om vast te stellen dat het creëren van twee halfopen bebouwingen op de twee betwiste percelen niet mogelijk is,

met het gevolg dat de compromis, welke geldig werd verklaard, niet

kan uitgevoerd worden en de overeenkomst dienvolgens vervallen te verklaren.

Zij besluit verder tot ongegrondheid van de vordering van appellante in terugbetaling van de som van 7.500,00 EUR, stellende dat appellante geenszins het bewijs levert dat zij dit bedrag ooit zou hebben betaald en beoogt ten slotte op haar beurt de veroordeling van appellante tot de kosten, zoals verder door haar op haar beurt in haren hoofde begroot in beide aanleggen.

Het hof stelt met betrekking tot hetgeen appellante in ondergeschikte en uiterst ondergeschikte orde vordert vast dat daarbij thans voor het

eerst de ontbinding van de overeenkomst d.d. 20 juni 2005 en betaling van een schadevergoeding van 750,00 EUR wordt gevraagd.

Zoals hiervoor reeds uiteengezet, werd bij het tussenarrest d.d. 12 december 2011 de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde tot nietigverklaring van de overeenkomst d.d. 20 juni 2005 ontvankelijk, doch ongegrond verklaard en de oorspronkelijke tegeneis van appellante, ertoe strekkende om geïntimeerde te veroordelen tot gedwongen uitvoering van deze rechtsgeldig bevonden overeenkomst op straffe van een dwangsom ontvankelijk verklaard en werd dan, alvorens daarover verder te oordelen, het debat heropend om haar toe te laten dit onderdeel van haar vordering nader te bepalen en te omschrijven.

Bij het daaropvolgend op 16 april 2012 gewezen tussenarrest werden de debatten dan heropend teneinde appellante toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de "uitgebreide vordering" van geïntimeerde, gedaan bij conclusie van 17 februari 2012.

Waar appellante thans dus, bij afwijzing van haar vordering in gedwongen tenuitvoerlegging van de overeenkomst, de ontbinding van deze overeenkomst en betaling van een schadevergoeding nastreeft, dient te worden opgemerkt dat bij voormelde tussenarresten duidelijk werd aangegeven waarom de debatten werden heropend en dat uit het bepaalde in art. 774 Ger.W. volgt dat, na heropening van het debat, dit enkel nog kan gaan over het aangewezen onderwerp.

Gezien dus, na heropening van het debat, als zodanig geen uitbreiding van eis, noch een nieuwe eis of een andere tusseneis, die niet binnen het onderwerp van de heropening valt, kan worden gesteld, dient dan ook

te worden vastgesteld dat er van de thans door appellante gestelde vorderingen in ontbinding van de overeenkomst en betaling van een schadevergoeding geen kennis kan worden genomen en deze dan ook, in voorkomend geval, niet aan de orde zijn.

Inzake de door geïntimeerde, na tussenarrest d.d. 12 december 2011, gestelde vordering dient te worden vastgesteld dat, waar haar oorspronkelijke vordering bij dit tussenarrest ongegrond verklaard werd, deze geen "uitbreidende vordering" als zodanig kan uitmaken, doch de daarbij door haar beoogde vaststelling van het verval van de bij voormeld tussenarrest rechtsgeldig bevonden overeenkomst daarentegen te beschouwen is als een tusseneis, welke binnen het onderwerp van de bij voormeld arrest bevolen heropening der debatten valt en aldus ontvankelijk is.

III. BEOORDELING

In de verkoopsovereenkomst wordt de bedoeling van partijen duidelijk als volgt omschreven:

" De bedoeling van partijen is dat door deze verkoop van een gedeelte van perceelnr. 504/x, de overblijvende oppervlakte van perceelnr. 504/x nog in aanmerking komt voor een halfopen bebouwing en dat hierdoor perceelnr. 504/d een oppervlakte bijkrijgt zodat dit perceelnr. met gedeelte bijhorende grond van perceelnr. 504/x in aanmerking komt voor een half-open bebouwing"

Volgens de tekst van de verkoopcompromis was het dus van essentieel belang dat geïntimeerde, na afstand van een deel van haar grond, een halfopen bebouwing zou behouden en het perceel van appellante, door het verwerven van een stuk grond, in aanmerking zou komen voor het oprichten van een half-open bebouwing.

Het wordt als dusdanig niet betwist dat appellante haar perceel (grond

en woning) heeft verkocht bij akte, verleden voor notaris X.V.

op 6 november 2009 en zij niets heeft ondernomen om een procedure tot verkaveling-, verkavelingswijziging op te starten.

Verder staat evenmin ter betwisting dat een herverdeling van de twee percelen, zoals beoogd, niet mogelijk was/is zonder voorafgaandelijke procedure van verkaveling-, verkavelingswijziging.

Uit het dossier blijkt verder dat notaris X.V. bevestigt dat hij geen opmetingsplan had, hij de prijs niet kon begroten bij gebrek aan opmetingsplan (bijlage 1/blz. 1 aan PV nr. TG 13 000101/2008 d.d.

7 januari 2008) en dat hij zich, bij gebrek aan opmetingsplan, geen vragen stelde bij de bedongen prijs van 7.500,00 EUR.

Waar appellante alsnog de gedwongen uitvoering vordert van de verkoopsovereenkomst d.d. 20 juni 2005 overeenkomstig het opmeting-verdelingsplan d.d. 3 april 2007 van deskundige G., met dien verstande dat geïntimeerde haar 6,20 meter dient af te staan aan

de straatzijde, zodat beide partijen tot een perceel met mogelijkheid

tot een volwaardige half-open bebouwing kunnen komen, dient te

worden nagegaan of de overeenkomst, waaromtrent bij tussenarrest

d.d. 12 december 2011 werd geoordeeld/vastgesteld dat deze geldig werd aangegaan, thans nog wel uitvoerbaar is dan wel dat zulks, conform de stelling van geïntimeerde, niet meer het geval is om reden dat er, ingevolge gewijzigde omstandigheden waardoor de geldigheids-vereiste verdwenen is, aan het voortbestaan daarvan een einde werd gemaakt.

Het verval als uitdoving van een verbintenis vereist dat de situatie, waarin - na de totstandkoming van de rechtshandeling - een oorspronkelijke geldigheidsvereiste - voorwerp of oorzaak - verdwijnt.

Ter zake het voorwerp van de verkoop vermeldt de verkoopcompromis:

" Partijen wensen de verkoop van een gedeelte van perceelnr. 504/x te beperken met drie meter, doch partijen zijn het er over eens dat indien de landmeter-expert extra breedte nodig heeft de verkoopster hiertoe akkoord is, zolang de overblijvende oppervlakte in aanmerking blijft voor een half-open bebouwing."

Het hof kan a posteriori gevat worden om deze genomen partijbeslissing te toetsen op grond van het beginsel, zoals voorzien in artikel 1134 B.W., dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.

Geïntimeerde heeft in de overeenkomst laten opnemen dat, indien

zulks nodig is, zij akkoord is om een extra breedte van haar perceel te verkopen, zolang de overblijvende oppervlakte van haar perceel in aanmerking blijft voor een half-open bebouwing.

Appellante beschikte van haar zijde over de bevoegdheid om eenzijdig een element van de overeenkomst te wijzigen.

De bepaling van het voorwerp van de verbintenis mag afhangen van de wilsverklaring van één der contractspartijen, met dien verstande evenwel dat de bescherming tegen arbitraire partijbeslissingen kan/dient te worden getoetst aan het verbod op rechtsmisbruik.

Zoals hiervoor reeds gesteld, was een herverdeling van de percelen of loten in casu enkel mogelijk via een verkavelingswijziging (zie stuk 15 van geïntimeerde uitgaande van de gemeente ) en heeft

appellante deze niet benaarstigd, doch heeft zij er daarentegen, om de haar eigen zijnde redenen, voor gekozen om haar perceel te verkopen aan een derde partij, nl. de heer M. W.

Met geïntimeerde dient te worden vastgesteld dat uit de daarvan

door haar voorgebrachte notariële akte niet blijkt, noch kan worden

afgeleid dat er bij deze verkoop enig voorbehoud voor het creëren van een half-open bebouwing werd geformuleerd.

Volgens voornoemde koper in het in de stukkenbundel van geïntimeerde voorhanden zijnde schrijven aan haar raadsman uiteenzet, heeft de verkoper hem gezegd dat hij de voorkeur kreeg om later grond bij te kopen en er een procedure voor de rechtbank was teneinde bijkomende grond, rechts van zijn woning, te verwerven.

Hij stelt daarin verder dat de verkoper perfect op de hoogte was van het feit dat hij deze woning wilde renoveren, maar zéker niet afbreken en besluit ten slotte nogmaals dat het nooit zijn bedoeling is geweest om deze woning te slopen en opnieuw te bouwen.

De oorzaak/het doel van een overeenkomst duidt op de reden waarom zich iemand bindt, op de objectieve bestaansreden, haar inwendige rechtvaardiging of nut voor de partijen.

In casu was het nut voor de partijen en de bedoeling van appellante om een half-open bebouwing te creëren tegen een daarvoor door haar aan geïntimeerde te betalen vergoeding van 7.500,00 EUR.

Appellante kan niet worden gevolgd, waar zij stelt dat de overeenkomst in kwestie enkel en alleen de verkoop van een gedeelte bijhorende grond van perceel 504/x tot doel had, nu uit de verkoopcompromis duidelijk blijkt dat de vooropgestelde aankoop bedoeld was om tot een half-open bebouwing te kunnen komen.

Het hof is dan ook van oordeel dat, middels onderhavige nog ter beoordeling voorliggende vordering tot gedwongen uitvoering in natura van de overeenkomst, appellante een rechtshandeling ten bezwarende titel nastreeft, welke, ingevolge de inmiddels tussengekomen verkoop van haar woning aan een derde zonder dat er daarbij enig voorbehoud aangaande de door haar beoogde verwerving van het stuk grond

- voorwerp van haar vordering - werd geformuleerd en het feit dat zij

er tevens, om de haar eigen zijnde redenen, voor gekozen heeft om geen procedure tot verkaveling-, verkaverlingswijziging op te starten, zijn bestaansreden of subjectieve oorzaak heeft verloren.

In tegenstelling tot de initieel door geïntimeerde gevorderde nietigheid van de tussen partijen gesloten overeenkomst, is, bij verval, de rechtshandeling wel ab initio geldig tot stand gekomen om vervolgens ook gedurende een bepaalde periode rechtsgeldig te bestaan en wordt er slechts, ingevolge gewijzigde omstandigheden, een einde gemaakt aan het voortbestaan van deze rechtshandeling.

De partij, die de nakoming in natura nastreeft van een verbintenis die haar reden van bestaan heeft verloren, handelt op een wijze die de grenzen van de normale rechtsuitoefening te buiten gaat en kan daarin dan ook niet kan worden gehonoreerd.

Gezien appellante thans geen eigenaar meer is van het belendend perceel en het door/bij het sluiten van de overeenkomst nagestreefde doel om dit perceel, middels aankoop van drie - of 6,20 - m grond, geschikt te maken voor een half-open bebouwing, verdwenen is, vermits de nieuwe eigenaar van haar perceel - W. M. - zulks, blijkens hetgeen hiervoor reeds werd uiteengezet, niet nastreeft, noch beoogt, heeft de overeenkomst elke reden van bestaan verloren en is deze dan ook vervallen.

Te dezen is er dan ook geen reden om in te gaan op de alsnog door appellante gevorderde uitvoering in natura van de overeenkomst d.d.

20 juni 2005.

Het aldus nog ter beoordeling voorliggende onderdeel van de oorspronkelijke vordering van appellante wordt derhalve ongegrond verklaard en deze laatste daarvan afgewezen.

Gezien het verval van de overeenkomst met afwijzing van de vordering van appellante tot gedwongen uitvoering ervan tot gevolg, ligt de door appellante in uiterst ondergeschikte orde gehandhaafde vordering in terugbetaling van de verkoopprijs ten bedrage van 7.500,00 EUR, meer aankleven, nog wel ter beoordeling voor.

Geïntimeerde doet daartegen gelden dat, hoewel de tekst van de verkoopsovereenkomst aldus vermeldt, er tussen partijen nooit een akkoord werd gemaakt over welke prijs ook en stelt verder dat zij pas maanden later, wanneer zij de tekst van de compromis kreeg, vernam dat deze tekst niet enkel een prijs vermeldde van 7.500,00 EUR maar deze prijs ook betaald zou zijn geweest bij ondertekening van de compromis, hetgeen evenwel niet het geval is geweest.

Zij ontkent formeel dat appellante de prijs ooit betaald heeft en stelt dat het daarvan door appellante te leveren bewijs ook niet voorligt.

De akte bepaalt in verband met de prijs:

" Deze verkoop wordt toegestaan en aanvaard voor de prijs van zevenduizendvijfhonderd euro, welke som de koper op het ogenblik

van de ondertekening van de verkoopsovereenkomst betaalt aan de verkoper. De verkoper geeft dan ook kwijting van de verkoopprijs door ondertekening deze."

De notaris heeft tijdens het dienaangaande gevoerde strafonderzoek verklaard dat er geen probleem was omtrent de prijs, maar dat hij een opmerking heeft gemaakt omdat er geen opmetingsplan voorhanden was en dat hij zich ten tijde van het opstellen van het verkoopcompromis heeft terug getrokken om de verkoopsovereenkomst op te stellen.

Hij stelde verder dat de prijs door alle partijen bevestigd werd, maar

dat hij geen ooggetuige is geweest van een betaling van een bedrag van 7.500,00 EUR.

Enig bewijs van betaling ligt niet voor en kan overigens, volgens de door M., ex-man van appellante, in het strafdossier afgelegde verklaring, ook niet worden voorgelegd om reden dat hij het hem

door H. overhandigde bewijs van de door hem cash

gedane betaling van het bedrag van 7.500,00 EUR aan de verkoper diende terug gegeven te worden wanneer de overeenkomst getekend was. Zulks wordt evenwel door de verkoper formeel tegengesproken en komt het hof ook weinig waarachtig/aannemelijk voor.

De bepaling in de verkoopcompromis dat de verkoper kwijting geeft van de verkoopprijs levert te dezen als dusdanig, omwille van de elementen en gegevens uit het strafdossier, het genoegzaam bewijs niet op van

de beweerde betaling van de prijs van 7.500,00 EUR op het ogenblik van het afsluiten van het compromis. Bij gebrek aan opmetingsplan was het alsdan immers nog onzeker hoeveel vierkante meter juist zou verkocht worden.

Waar geen bewijskrachtig stuk daarvan voorligt en zulks evenmin blijkt dan wel kan worden afgeleid uit de elementen en gegevens, welke zij

ter overtuiging daarvan aanreikt, dient dan ook te worden vastgesteld dat appellante niet slaagt in de op haar rustende bewijslast van haar beweerde betaling van het bedrag van 7.500,00 EUR, zodat haar vordering tot terugbetaling van dit bedrag eveneens ongegrond is en zij ook daarvan wordt afgewezen.

IV. DE KOSTEN

Nu enkel de door geïntimeerde, na tussenarrest d.d. 16 april 2012, gestelde tussenvordering ingewilligd wordt en partijen voor het overige onderscheidenlijk in het ongelijk werden/worden gesteld, worden de kosten van dagvaarding en rolrecht van het verzoekschrift hoger beroep ten laste gelaten van wie ze heeft gemaakt en de rechtspleging-vergoeding in beide aanleggen omgeslagen.

V. BESLISSING

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

De arresten d.d. 12 december 2011 en 16 april 2012 verder uitwerkend:

Verklaart de tussenvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond in de mate dat vastgesteld wordt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 20 juni 2005 om voormelde reden vervallen is.

Verklaart de vordering van appellante in gedwongen tenuitvoerlegging in natura van de overeenkomst d.d. 20 juni 2005 en betaling van de som van 7.500,00 EUR ongegrond en wijst haar daarvan af.

Laat de kosten van dagvaarding en de rolrechten van het verzoekschrift tot hoger beroep ten laste van wie ze heeft gemaakt en slaat de rechtsplegingvergoeding in beide aanleggen om over partijen.

Dit arrest werd uitgesproken op de openbare terechtzitting van

17 december 2012 door

V. LENDERS, Voorzitter

R. VAN GOETHEM, Griffier

Free keywords

  • Uitdoving verbintenis

  • verval

  • artikel 1134 B.W.

  • goede trouw

  • voorwerp verbintenis

  • oorzaak verbintenis

  • bewijslast betaling