- Arrêt of December 20, 2012

20/12/2012 - 2011co1078

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. De in artikel 189ter, laatste lid, Sv. vermelde "wettigheidsincidenten" betreffen de wettelijk voorziene controle zelf van de bijzondere opsporingsmethodes en niet de aanwending ervan. Zij betreffen de procedureproblemen/vormfouten bij de toepassing van de controle van de bijzondere opsporingsmethodes door de kamer van inbeschuldigingstelling en in het bijzonder de onregelmatigheden in de toepassing van de controle van de BOM-procedure, alsook de gevallen waarin de in het artikel 235ter Sv. bedoelde controle niet heeft plaatsgevonden.

2. Informatie over nog te plegen feiten of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, houdt geen verband met de in artikel 28bis, §2 Sv. bedoelde gegevensverwerking maar verplicht tot het opstellen van een proces verbaal overeenkomstig artikel 40 wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen.

3. De omstandigheid dat verklaringen werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, heeft niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte op eerlijke wijze te behandelen.

4. De tapbeschikkingen die, anders dan bepaald in artikel 90ter Sv., geen melding maken waarom in concreto de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen, zijn nietig.

5. Er mag gebruik worden gemaakt van het bewijs dat werd verkregen door middel van diverse onderzoekshandelingen die plaatsvonden na de nietig bevonden tapmaatregelen, niet omdat er geen verband is tussen de beide onderzoekshandelingen, maar omdat ook zonder de resultaten van de nietige telefoontaps er voldoende aanwijzingen waren om de diverse onderzoekshandelingen te bevelen.

6. Dat bepaalde overtuigingsstukken, die in beslag werden genomen bij de huiszoeking, inmiddels zouden zijn vernietigd of niet meer ter griffie aanwezig zijn, betekent niet automatisch dat de rechten van inverdenkinggestelde (thans beklaagde) zijn geschonden of zijn mogelijkheid tot tegenspraak hem zijn ontnomen, wat zou leiden tot onontvankelijkheid van de strafvordering. Het dossier bevat een lijvig en duidelijk fotodossier van de in beslag genomen goederen en een deskundig verslag, terwijl de meegenomen stalen nog aanwezig zijn. Er is dus nog mogelijkheid tot tegenspraak voor en bewijswaardering door de feitenrechter.

7. Het al of niet operationeel zijn van een drugslabo is niet relevant om de schuld van de beklaagden aan de ten laste gelegde feiten te beoordelen, te weten of de beklaagden op een strafbare wijze betrokken waren bij de aanmaak van MDNA en lidmaatschap van een criminele organisatie en hierbij strafbare handelingen in België pleegden.


Arrêt - Integral text

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 20 december 2012

te Antwerpen, 13e kamer

(...)

4.2 Ten gronde

(...)

4.2.2.1 De bomcontrole.

Bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 26 juni 2008 werd bij toepassing en in uitvoering van artikel 235 ter Sv. beslist betreffende de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode die werd toegepast. De kamer van inbeschuldigingstelling besliste dat de "observaties" regelmatig en overeenkomstig de wet verlopen zijn (onderkaft 3, kaft 3/10).

Bij arrest van 12 augustus 2008 besliste het hof van cassatie dat de voorziening tegen het voormelde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 26 juni 2008 onontvankelijk was.

De beklaagden houden thans voor dat in het arrest van het hof van cassatie van 12 augustus 2008 "een verkeerd oordeel werd geveld" (...) om te besluiten dat het dossier aan het openbaar ministerie dient te worden overgemaakt "teneinde deze zaak terug aan te brengen bij de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Antwerpen" (...).

Vooreerst wordt vastgesteld dat bij nalezing van de procedure bij toepassing van artikel 235ter sv., waarvoor alle beklaagden regelmatig werden opgeroepen en die op tegenspraak werd gevoerd wat betreft de beklaagden F. P., V. D. B. R., E. V., O. L. en J. C., door geen enkele beklaagde met kennis van de stukken van het strafdossier, waaronder de tapbeschikkingen, werd aangevoerd dat de machtigingen tot observatie nietig zouden zijn op grond van nietige tapbeschikkingen.

Vervolgens dient eveneens te worden vastgesteld dat de kamer van inbeschuldigingstelling met kennis van de tapbeschikkingen, zoals ze zich in het strafdossier bevinden, bij arrest van 26 juni 2008 heeft vastgesteld dat geen onregelmatigheden werden begaan bij de bijzondere opsporingsmethode observatie.

Tenslotte betreft het in casu geen "wettigheidsincident", zoals voorzien in artikel 189ter, laatste lid, sv., wat de mogelijkheid tot een tweede bomcontrole bij toepassing van artikel 235ter Sv. zou mogelijk maken.

De feitenrechter, in casu het hof van beroep, heeft niet te oordelen over de inhoudelijke waarde van de rechtspraak van het hof van Cassatie, noch in het algemeen, noch in casu, noch over de mogelijke beweerde wijziging in de rechtspraak van het hof van Cassatie, noch over de mogelijke motieven hiervoor.

De in artikel 189ter, laatste lid, Sv. vermelde "wettigheidsincidenten" betreffen de wettelijk voorziene controle zelf van de bijzondere opsporingsmethodes en niet de aanwending ervan. Zij betreffen de procedureproblemen/vormfouten bij de toepassing van de controle van de bijzondere opsporingsmethodes door de kamer van inbeschuldigingstelling en in het bijzonder de onregelmatigheden in de toepassing van de controle van de bom-procedure, alsook de gevallen waarin de in het artikel 235ter Sv. bedoelde controle niet heeft plaatsgevonden.

In casu heeft er een bom-controle bij toepassing van artikel 23Ster Sv. plaatsgevonden (arrest kamer van inbeschuldigingstelling van 26 juni 2008). De beklaagden voeren geen grieven aan tegen de regelmatigheid van de voor de kamer van inbeschuldigingstelling gevoerde procedure (samenstelling van de zetel, horen van partijen, afwezigheid van bomcontrole).

Het door de beklaagden voorgehouden "wettigheidsincident", te weten het volgens de beklaagden ten onrechte onontvankelijk verklaren van het cassatie-beroep door het hof van cassatie bij arrest van 12 augustus 2008, heeft geen betrekking op de door de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Sv. uitgevoerde controle van de bijzondere opsporingsmethode "observatie", zoals vervat in het arrest van de kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 26 juni 2008.

De door de beklaagden voorgehouden problematiek betreft derhalve geen "wettigheidsincident" in de zin van artikel 189 ter Sv. en de feitenrechter, in casu het hof van beroep, dient derhalve, noch bij toepassing van voormeld artikel, noch om enige andere reden, de zaak aan het openbaar ministerie over te zenden teneinde deze bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter Sv. bepaalde controle.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het hof van cassatie geen beroepsinstantie is ten aanzien van de kamer van inbeschuldigingstelling in die zin dat voor het hof van cassatie geen inhoudelijke controle mogelijk is van de bijzondere opsporingsmethode - het vertrouwelijk dossier wordt niet voorgelegd - doch dat dit hof enkel te beoordelen heeft of de bestreden beslissing genomen is overeenkomstig de wet en dwingende verdragsrechtelijke bepalingen.

Het beweerde "wettigheidsincident" heeft zich derhalve niet voorgedaan bij de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, zodat een nieuwe controle van de bijzondere opsporingsmethode "observatie" bij toepassing van de artikelen 189ter Sv. en 235ter Sv. door de kamer van inbeschuldigingstelling uitgesloten is.

In het bestreden vonnis merkt de eerste rechter terecht op dat geen toepassing van artikel 189ter Sv. kan worden gemaakt, vermits duidelijk uit de tekst van het betreffende artikel blijkt dat een wettigheidsincident betrekking moet hebben op de bom-controle zelf en de beslissing van het Hof van Cassatie hier niet onder valt.

Tenslotte zijn de beklaagden, anders dan zij voorhouden, niet "verstoken (...) gebleven van een volwaardig en volledig BOM-debat" (...).

Uit het strafdossier, zoals het voorligt, blijkt dat voor de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen op uitgebreide wijze de procedure bij toepassing van artikel 235ter Sv. werd gevoerd, wat geleid heeft tot het arrest van 26 juni 2008 (onderkaft 3, kaft 3/10).

Een vonnisgerecht heeft desbetreffend niet de rechtsmacht om de regelmatigheid van de beslissing van het onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen. Eens de kamer van inbeschuldigingstelling de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden heeft gecontroleerd, bindt haar beslissing het vonnisgerecht.

Er zijn geen redenen om de desbetreffend door de beklaagde E. V. geformuleerde of andere prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Enerzijds is het begrip "wettigheidsincident" zoals vermeld in artikel 189ter Sv., anders dan de beklaagden voorhouden, duidelijk en precies door de vermelding in de wet zelf van zijn toepassingsgebied, namelijk "met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie".

Er is derhalve geen enkele onduidelijkheid, noch rechtsonzekerheid betreffende de inhoud en betekenis van het begrip "wettigheidsincident", zoals voorzien in artikel 189ter Sv., noch wat betreft de mogelijke toepassing ervan.

Anderzijds is er geen schending van het gelijkheidsbeginsel vermits:

- het "wettigheidsincident", zoals voorzien in artikel 189ter Sv., betrekking heeft op incidenten met betrekking tot de toepassing van de controle van de bijzondere opsporingsmethode door de kamer van inbeschuldigingstelling,

- het "wettigheidsincident" dat beklaagden voorhouden aanwezig te zijn, betrekking heeft op het volgens hen ten onrechte onontvankelijk verklaren van het cassatie-beroep,

- een arrest van het Hof van Cassatie, waarin beklaagden zich niet kunnen vinden, geen "wettigheidsincident" is in de zin van artikel 189ter Sv.,

- twee verschillende situaties (juridische toestand) worden vergeleken voor personen die zich in verschillende procedures bevinden, te weten hetzij een procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, hetzij de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel voor het hof van cassatie,

4.2.2.2 Wat betreft het beweerd proactief onderzoek.

In casu is er geen pro-actieve vordering tot gerechtelijk onderzoek.

Informatie over nog te plegen feiten of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, houdt geen verband met de in artikel 28bis, § 2 Sv. bedoelde gegevensverwerking maar verplicht tot het opstellen van een procesverbaal overeenkomstig artikel 40 wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen.

In casu vangt het vooronderzoek aan met het aanvankelijk procesverbaal (stuk 1, kaft 4/10) waarin de opsteller relateert dat hij vernomen heeft dat er op het adres te B. een labo actief is waar amfetamines en/of XTC worden aangemaakt en dat de genaamde O. L. op dit adres is ingeschreven.

Deze informatie vormt zonder enige twijfel voldoende aanwijzingen betreffende strafbare feiten, die in de tijd en in de ruimte gesitueerd zijn, zodat de procureur des Konings gerechtigd was een reactief vooronderzoek te openen.

Ongeacht de omstandigheid dat gegevens werden verzameld als bijkomend bewijsmateriaal of tot identificeren van de daders, vormen de op verzoek van de procureur des Konings gedane opsporingen geen proactieve recherche die een voorafgaande geschreven toestemming zouden behoeven overeenkomstig artikel 28bis, § 2 Sv..

Aldus werd verder informatie ingewonnen in opdracht van de procureur des Konings en blijkt uit het verder gevoerde reactief vooronderzoek dat:

- O. L. volgens de politionele geautomatiseerde informatie (gegevensbeheer voorzien in artikel 44/1 van de Wet op het politieambt) in het verleden in verband werd gebracht met de illegale productie van drugs (stuk 24, kaft 4/10); het gegeven dat de politionele informatie betreffende het verleden van O. L. betwist werd en door de opstellers van het proces-verbaal (stuk 24, kaft 4/10) niet bevestigd kon worden, doet aan het voorgaande niets af te meer daar uit onderzoek desbetreffend blijkt dat de politiebeambten die de geautomatiseerde bestanden raadplegen, de erin vervatte informatiegaring niet zelf hebben verricht en ter zake dan ook geen vaststellingen hebben gedaan; er werd enkel gebruik gemaakt van de na het proces van informatiegaring politioneel beschikbaar gestelde inlichtingen (...); de beklaagde stelt dat de aanvankelijke informatie over O. L. als zou zij in het verleden reeds in verband zijn gebracht met de illegale productie van drugs "manifest niet-correct" was; evenwel wordt deze bewering door niets gestaafd; het betrof in casu politionele informatie die van uit nature niet bewezen is en niet bevestigd wordt door een correctionele veroordeling; de vermelding van de vermoedens betreffende het verleden van de beklaagde O. L., zoals zij uit een wettelijk georganiseerde informatiebron blijken, is niet onregelmatig; alleszins kan de betreffende vermelding niet als enig bewijs gelden - wat in casu ook niet gebeurt - zodat de betrouwbaarheid van het bewijs ook niet kan zijn aangetast, noch het recht op een eerlijk proces; bovendien is deze politionele informatie in de voorwaardelijke wijze gesteld, namelijk "in verband gebracht" en "zou" (stuk 24, kaft 4/10) en werd zeker geen opzettelijke fout door de opstellers begaan,

- nazicht ter plaatse leerde dat de woning te B. zeer afgelegen ligt en van de openbare weg niet te zien is; langs de achterzijde loopt het kanaal (...) (stuk 24, kaft 4/10); waar dit gegeven op zichzelf niets betekent, is het wel een belangrijk element in de context van de informatie over een aldaar mogelijks gelegen drugslabo;

- volgens tijdens het opsporingsonderzoek uitgevoerde observaties werd vastgesteld dat de beklaagde E. V. en de beklaagde V. D. B. R. aan de woning van O. L. gezien werden en dit niet enkel op de verjaardag van O. L. (stukken 39, 41, 46, 49, kaft 4/10); tevens werd vastgesteld dat de bezoeken van E. V. van korte duur zijn;

- beklaagde E. V. volgens gegevens uit politionele contacten (OIPG Antwerpen) in Nederland gekend is voor overtredingen op de drugswetgeving; hij zou contacten onderhouden met het criminele drugsmilieu in Nederland (stuk 41, kaft 4/10);

- beklaagde V. D. B. R. volgens gegevens uit navraag via OIPG Antwerpen, in Nederland gekend is voor feiten van autodiefstallen, bankoverval, afpersingen, diefstal met braak, mishandeling, vernielingen, geweldplegingen (stuk 42, kaft 4/10);

- tijdens een nazicht werd vastgesteld dat beklaagde E. V. op zijn adres te B., in een grote villa woont, niettegenstaande hij volgens de op dat ogenblik beschikbare informatie werkloos is; tevens werd vastgesteld dat hij met een voertuig BMW 525 rijdt, aangekocht in oktober 2005 op het ogenblik dat het voertuig één jaar oud was, terwijl de nieuwwaarde tussen de 45.000 en 50.000 euro ligt (stuk 41, kaft 4/10);

- het financieel onderzoek aangeeft dat O. L. de villa huurt voor 1.300 euro per maand niettegenstaande dat van haar geen officieel inkomen gekend is (stukken 84-91, kaft 4/10); tevens blijkt dat haar bankrekening enkel gecrediteerd wordt door cashstortingen en zijn er geen aanwijzingen dat stortingen (crediteringen) afkomstig zijn van of betrekking hebben op loon of enig vervangingsinkomen; uit de letterlijke verwijzing hiernaar in de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek (stuk 53, kaft 4/10) blijkt dat deze informatie door de procureur des Konings gekend was op 14 juni 2007, datum van de vordering, te meer daar deze informatie samengevat vermeld werd in het proces-verbaal van 13 juni 2007 (stuk 46, kaft 4/10), ook al werd het proces-verbaal, waarin het voorgaande gedetailleerd wordt weergegeven, pas gevoegd na het openen van het gerechtelijk onderzoek.

Uit het voorgaande kan enkel worden geconcludeerd dat de initiële in tijd en ruimte gesitueerde strafbare feiten, te weten de aanwijzingen betreffende een drugslabo in de afgelegen woning van O. L., waarbij eveneens E. V. en V. D. B. R. (alle drie nominatim vernoemd in de inleidende vordering van 14 juni 2007) betrokken zouden zijn, ernstige aanwijzingen vormen van reeds gepleegde misdrijven als vermeld in de voornoemde vordering, namelijk:

- aanmaak, handel en bezit van psychotrope stoffen in vereniging,

- deelname aan een criminele organisatie.

De op verzoek van de procureur des Konings uitgevoerde onderzoeksdaden, met inbegrip van de vordering tot het stellen van een onderzoekshandeling overeenkomstig artikel 28 septles Sv. (mini-instructie met betrekking tot de toepassing van artikel 88 bis Sv - retroactief telefonieonderzoek, stuk 28, kaft 4/10) zijn enkel onderzoeksdaden ter bevestiging en verdere exploitatie van de aanvankelijk door de verbalisanten gerelateerde strafbare feiten.

Het loutere gegeven dat op de vermoede plaats (woning O. L.) geen drugslabo werd aangetroffen doch wel elders, doet aan het voorgaande niets af. De onderzoeksrechter diende de bij hem aanhangige feiten in al hun aspecten te onderzoeken, inbegrepen de

juiste locatie van de strafbare feiten, waarmede hij ten aanzien van alle mededaders was gelast.

In casu is er derhalve geen sprake van proactieve recherche of van een "proactieve vordering tot gerechtelijk onderzoek". De initieel bekomen informatie, aangevuld door de resultaten van de op verzoek van de procureur des Konings uitgevoerde onderzoeksdaden, vormde een ernstige en concrete aanwijzing van het bestaan van een vereniging die zich op dat ogenblik inliet met de aanmaak van en handel in psychotrope stoffen.

Er werd geen gerechtelijk onderzoek gevorderd betreffende een "eventueel" of "toekomstig" misdrijf en evenmin kan gesproken worden van een "fishing-expedition" (...).

De onderzoeksrechter werd aldus regelmatig gevat betreffende concrete strafbare feiten ten aanzien van O. L., E. V., V. D. B. R. en eventuele mededaders. Hierbij weze opgemerkt dat de onderzoeksrechter ook werd gevat voor strafbare feiten van deelname aan een criminele organisatie. Het misdrijf voorzien in de artikelen 324bis en 324ter Sw (deelname aan een criminele organisatie) is een voortdurend misdrijf dat de onderzoeksrechter in zijn geheel dient te onderzoeken, zelfs, indien toepasselijk, betreffende feiten die zijn gepleegd na het vorderen van het gerechtelijk onderzoek zonder dat deze het voorwerp moeten uitmaken van een aanvullende vordering.

Ten overvloede kan er op gewezen worden dat uit het verder verloop van het gerechtelijk onderzoek blijkt dat de onderzoeksrechter duidelijk wist met welke feiten hij werd gelast en welke feiten hij diende te onderzoeken. Gelast zijnde met de in de inleidende vordering vermelde concrete feiten, diende de onderzoeksrechter de volledige illegale drugsactiviteiten met betrekking tot de aanmaak, handel en bezit van drugs door de qeviseerde vereniging te onderzoeken en diende hij zich niet te beperken tot de verificatie van de aanwezigheid van een drugslabo op de aanvankelijk vermoede plaats (te B.).

4.2.2.3 Wat betreft de beweerde schending van het recht op een eerlijk proces door miskenning van het recht op bijstand van een advocaat bij de verhoren (...).

De beklaagde J. C. besluit na een theoretische uiteenzetting over de Salduz-leer met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM in hoofdorde tot de onontvankelijkheid van de strafvordering en in ondergeschikte orde tot de bewijsuitsluiting door alle verhoren van alle beklaagden met inbegrip van alle processen-verbaal die op deze verhoren gesteund zijn.

De beklaagden E. V. en V. D. B. R. besluiten eveneens tot de onontvankelijkheid van de strafvordering en stellen dat ze minstens ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

In casu werden alle verklaringen, behoudens deze ter terechtzitting voor de eerste rechter en thans voor het hof, afgelegd zonder de aanwezigheid van een raadsman.

De betreffende verhoren werden afgenomen voordat de wet van 13 augustus 2011 (B.S. 5 september 2011) van toepassing was. Op geen enkel ogenblik werd de vigerende Belgische wetgeving geschonden.

De beklaagden T. T., O. L. en J. C. werden nooit van hun vrijheid beroofd of aangehouden en zij bevonden zich in die zin nooit in een precaire situatie.

Hetzelfde geldt voor L. D., L. J.-P. en L. M., die geen hoger beroep hebben ingesteld.

Enkel de beklaagden E. V., V. D. B. R. en F. P. (na uitlevering) bevonden zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis.

Vooreerst dient met de eerste rechter te worden gesteld dat het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

De beklaagden werpen op dat hun fundamentele rechten geschonden werden doordat de cautieplicht niet werd gerespecteerd en dat hen de bijstand van een advocaat werd ontzegd, minstens dat hen niet de kans werd geboden zich van de daadwerkelijke bijstand van een raadsman te verzekeren.

De beklaagden gaan ervan uit dat het niet respecteren van de cautieplicht en het niet respecteren van het recht op een daadwerkelijke bijstand van een raadsman op zich een schending uitmaken van artikel 6.3 c EVRM (recht op een eerlijk proces).

Bij het beoordelen van de argumentatie van de beklaagden, gaat het hof uit van de volgende principes, principes die ook vooropgesteld werden in de arresten van het Hof van Cassatie van onder meer 23 november 2010, 5 april 2011 en 29 november 2011.

1. Het feit dat de Belgische wetgeving niet voorziet in de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor door de politiediensten voorafgaand aan de vrijheidsberoving, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel van de wettelijke waarborgen die dezelfde wetgeving de verdachte biedt ter vrijwaring van zijn recht op een eerlijk proces:

- de korte duur van de grondwettelijke termijn van de vrijheidsberoving, - de vormvereisten die bij artikel 47bis Sv. voor het verhoor van de beklaagde zijn opgelegd,

- de onmiddellijke overhandiging aan de verdachte, op het ogenblik van de betekening van het bevel tot aanhouding, van alle in de artikelen 16,§7 van 18,§2, Voorlopige Hechteniswet bedoelde stukken,

- het recht van de verdachte om daarop onmiddellijk vrij verkeer te hebben met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20,§1 en 5 van de voormelde wet,

- de inzage van het dossier alvorens voor het onderzoeksgerecht te verschijnen, zoals dat in artikel 21, §3 van die wet is geregeld,

- de rechten die met name in de artikelen 61ter, 61quater, 61quinquies, 127, 135, 136 en 235 bis Sv. zijn bedoeld,

- de inzage van het dossier en het vrij verkeer van de verdachte met zijn advocaat tijdens de procedure voor de feitenrechter.

Deze waarborgen en rechten kunnen in hun geheel genomen een daadwerkelijke en passende remedie zijn op de afwezigheid van bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor.

Zij laten de verdachte immers toe zijn recht van verdediging over het hele verloop van het strafproces ten volle uit te oefenen en waarborgen zijn recht op een eerlijk proces.

2. Het staat de rechter aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een raadsman bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte onherstelbaar heeft aangetast.

3. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken; zelfs in dat geval mag dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de verdachte zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRMbeperken.

4. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor zonder de mogelijkheid van bijstand van een advocaat.

5. De omstandigheid dat verklaringen werden afgelegd tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat, heeft niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van een verdachte op eerlijke wijze te behandelen. Wanneer de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs door de rechter gebruikt worden, er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt en de verdachte zich op het ogenblik van het verhoor niet in een kwetsbare positie bevond, of aan de kwetsbare positie van de verdachte op een daadwerkelijke en passende wijze is geremedieerd, blijft het eerlijke karakter van het proces gevrijwaard. Dit is ook het geval wanneer de verdachte met kennis van zaken, verzaakt aan de bijstand van een advocaat tijdens een verhoor.

6. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een derde kan zich niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd ten laste van hem door een verdachte of beklaagde die voor hem slechts getuige is.

Het is aan de hand van de aangehaalde principes dat de verklaringen van de beklaagden dienen getoetst te worden.

Vooreerst voeren de beklaagden niet in concreto aan waardoor hun recht op een eerlijk proces in zijn geheel genomen zou zijn geschonden. Er wordt niet verwezen naar enige inhoud van enige belastende verklaring van wie dan ook.

Bovendien legde geen enkele beklaagde, waarover het hof thans heeft te oordelen, in casu enige verklaring af waardoor hij/zij zichzelf of anderen beschuldigde of incrimeerde zoals o.a. blijkt uit:

- verhoor E. V. (stuk 557, kaft 4/10) : "geen commentaar",

- verhoor V. D. B. R. (stuk 552, kaft 4/10) : "daar weet ik niks van",

- verhoor door de onderzoeksrechter van V. D. B. R. (stuk 567, kaft 4/10) : "ik wens thans geen verklaring af te leggen alvorens ik mijn advokaat gesproken heb",

- verhoor E. V. (stuk 569( kaft 4/10) : "ik heb thans niets te verklaren",

- verhoor O. L. (stuk 654, kaft 4/10) betreffende de verdenkingen ten aanzien van haar vriend V. D. B. R. : "daar weet ik niets van",

- verhoor van J. C. (stuk 660, kaft 4/10) : "ik kan mij niet voorstellen dat V. zich zou bezighouden met drugs op welke manier dan ook",

- na uitnodiging wordt J. C. niet verhoord daar zij volgens de verbalisanten stelt geen behoefte te hebben nog een bijkomende verklaring af te leggen (stuk 835, kaft 5/10),

- verhoor O. L. (stuk 841( kaft 5/10) : nietszeggende verklaring waarin herhaaldelijk gesteld wordt "dat weet ik niet"; verder vatten de verbalisanten het verhoor correct samen als : "ze is al 2 jaar werkloos, heeft net zoals Rob géén inkomsten en ze weet niet van waar de 17000 euro komt die het afgelopen jaar op haar rekening werd gestort",

- na uitnodiging wordt V. D. B. R. niet verhoord daar hij weigert een verklaring af te leggen (stuk 844, kaft 5/10),

- verhoor E. V. (stuk 980, kaft 5/10) : de verbalisanten vatten het verhoor terecht samen als volgt: "hij verkiest geen verklaring af te leggen tot het onderzoek rond is",

- brief van O. L. (stuk 1643, kaft 6/10) waarin zij laat weten dat zij "niet wil meewerken aan verhoor omtrent mijn situatie of die van mijn vriend",

- brief van J. C. (stuk 1644( kaft 6/10) waarin zij stelt niets te kunnen toevoegen betreffende de situatie van haar vriend of van haar zelf,

- verhoor F. P. (stuk 2045, kaft 6/10) : "ik wens daar geen antwoord op te geven",

- verhoor F. P. door de onderzoeksrechter (stuk 2049, kaft 6/10) : "ik wens voorlopig geen verklaring af te leggen"

Het hof kan derhalve bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten niet steunen op de verklaringen van de beklaagden.

L. J.-P., L. M. en L. D., allen verantwoordelijken van de NV L. C., hebben geen hoger beroep ingesteld. Zij geven in hun verhoren (stukken 1735( 1741, 1748, kaft 6/10) een relaas van de aankopen van grondstoffen door de verschillende beklaagden.

De beklaagden kunnen zich niet beroepen op een eventuele nietigheid van deze verklaringen daar de konsoorten L. enerzijds ten aanzien van hen getuigen zijn en anderzijds uit het onderzoek door de observaties en de resultaten van de huiszoekingen in de betreffende firma en in de loods te T. reeds voorafgaandelijk gebleken was dat de beklaagden aldaar hun grondstoffen aankochten. Telkens wordt door de verbalisanten aan L. J.-P., L. M. en L. D. de vraag gesteld: "Uit ons dossier is gebleken dat R. V. D. B. en V. E. bij uw firma chemicaliën aankochten, wij tonen u hiervan de foto's. Wat is uw reactie?" of "Wij hebben aanwijzingen dat R. V. D. B. en V. E. bij u allerhande chemicaliën in het zwart hebt (sic) aangekocht. Wij tonen u een foto van R. en V. Herkent u hen ?". Aldus stond de zakelijke relatie reeds voorafgaandelijk aan het verhoor vast.

Uit het geheel volgt dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel genomen in hoofde van geen enkele van de beklaagden is geschonden.

Enkel de beklaagden V. D. B. R., E. V. en F. P. werden door de onderzoeksrechter aangehouden, doch zij legden geen enkele verklaring af waaruit iets, in hun voordeel of in hun nadeel, kan worden afgeleid.

Uit het gegeven dat de beklaagden niet op hun zwijgrecht werden gewezen, doch dat zij het in feite hebben uitgeoefend, kan niet worden afgeleid dat het onmogelijk is om de zaak van de beklaagden op een eerlijke wijze, met respect voor de rechten voorzien in artikel 6 EVRM, te behandelen.

In casu blijven enkel de verklaring van L. J.-P., L. M. en L. D. inhoudelijk over in de zin dat hun verklaringen de eerdere vaststellingen, verworven door observaties en huiszoekingen, ondersteunen en bevestigen. Hun verklaringen worden derhalve niet als doorslaggevend en zelfs niet als hoofdzakelijk of belangrijkste bewijselement aangewend (infra). Er werd kennelijk geen misbruik of dwang gebruikt tijdens hun verhoor en zij bevonden zich op het ogenblik van het verhoor en tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie.

4.2.2.4 Wat betreft de tapbeschikkingen.

Zoals hoger gesteld is er geen enkele betwisting mogelijk betreffende de rechtsgeldigheid van alle onderzoeksdaden, die werden gesteld voor 14 juni 2007, datum waarop een gerechtelijk onderzoek tegen

- O. L.,

- E. V.,

- V. D. B. R.,

werd gevorderd (stuk 57, kaft 4/10) wegens mededaderschap

a. aanmaak, handel en bezit psychotrope stoffen in vereniging,

b. deelname aan een criminele organisatie.

Tussen 13 juni 2007 en 11 oktober 2007 werden door de onderzoeksrechter 19 tapbeschikkingen, c.q. verlengingen, verordend bij toepassing van artikel 90 ter Sv. (farde 2, kaft 2).

Deze beschikkingen zijn nietig.

Enerzijds werd anders dan in voornoemd artikel vermeld, in een aantal beschikkingen geen melding gemaakt waarom in concreto de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

Anderzijds is de motivering van een aantal tapbeschikkingen gesteund op de resultaten van eerdere met nietigheid behepte beschikkingen.

Het hof zal derhalve geen rekening houden met de resultaten van de nietige tapbeschikkingen, zoals o.a. weergegeven in de relevant verklaarde gesprekken.

4.2.2.5 Wat betreft de regelmatigheid van de beschikkingen tot observatie.

Vooreerst dient te worden gesteld dat bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 26 juni 2008 bij toepassing van artikel 235 ter Sv. de regelmatigheid van de verschillende door de onderzoeksrechter bevolen "observaties" werd beoordeeld en dat alsdan werd beslist dat geen onregelmatigheden met betrekking tot deze bijzondere opsporingsmethode werden begaan. Het beroep in cassatie werd bij arrest van het hof van cassatie van 12 augustus 2008 niet ontvankelijk verklaard.

Het hof verwijst desbetreffend naar wat hoger onder 4.2.2.1 werd gesteld.

Verder wordt - ten overvloede - vastgesteld dat uit de motivering van de machtigingen tot observatie, c.q. verlengingen, blijkt dat hiervoor ook werd gesteund op andere resultaten dan de nietige telefoontaps (o.a. vorige observaties). Een en ander volgt ook uit het gegeven dat de eerste observaties bevolen werden door de procureur des Konings bij toepassing van artikel 47sexies § 2 Sv., voordat de verschillende (nietige)

beschikkingen tot telefoontap door de onderzoeksrechter werden genomen (proces-verbaal bevattende de resultaten van observatie van 13 juni 2007-stuk 39, kaft 4/10).

Anders dan de beklaagde F. P. voorhoudt (conclusie p. 4) volgt uit de motivering van de machtigingen tot observatie, zoals ze uit de bevestiging van de machtiging van 9 augustus 2007 blijkt, niet dat de onderzoeksrechter zich gesteund heeft op de resultaten van de telefoontap. De onderzoeksrechter verwijst naar "het tot op heden gevoerde onderzoek waaronder observaties". Aldus is er geen verwijzing naar de resultaten van de tapbeschikkingen. Uit de verwijzing naar" het tot heden gevoerde onderzoek" en "recente onderzoeksresultaten", kan niet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter zonder kennis van de inhoud van de telefoontaps niet zou zijn overgegaan tot het bevelen van de bijzondere opsporingsmethode "observatie".

Ook zonder de resultaten van de nietige telefoontap waren er voldoende ernstige aanwijzingen om observaties te bevelen.

Hetzelfde geldt voor de machtiging tot inkijkoperatie in de loods te T. (stuk 15, onderkaft 4, kaft 3/10). De volledige motivering luidt als volgt: "Dat uit het reeds gevoerde onderzoek, met name onder meer de reeds afgeluisterde gesprekken en andere vaststellingen blijkt dat de betrokkenen zich kennelijk inlaten met de handel en aanmaak van verboden stoffen. Dat vastgesteld werd dat betrokkene blijkbaar activiteiten ontplooien in een pand op het hierna vermelde adres. Dat hic en nunc geen andere middelen voorhanden zijn om de waarheid aan het ligt te brengen en dit onderzoek kan leiden tot de identificatie van verdachten die betrokken zijn bij de feiten. ( ... )". De onderzoeksrechter verwijst immers ook naar "andere vaststellingen" en vermeldt de resultaten van "de reeds afgeluisterde gesprekken" slechts als één van de elementen om de observatie te wettigen.

Hieruit kan niet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter zonder kennis van de inhoud van de telefoontaps niet zou zijn overgegaan tot het bevelen van de bijzondere opsporingsmethode "observatie" (inkijkoperatie).

Ook zonder de resultaten van de nietige telefoontap waren er voldoende ernstige aanwijzingen om de inkijkoperatie te bevelen.

4.2.2.6 Wat betreft de huiszoeking ingevolge rechtshulpverzoek bij beklaagde F. P. (...).

Op 19 oktober 2007 maakt de onderzoeksrechter een dringend verzoek tot rechtshulp over aan de bevoegde Officier van Justitie in Nederland met het oog op o.a. verhoor en arrestatie van de beklaagde F. P. en het uitvoeren van huiszoeking in zijn verblijfplaats (onderkaft 6, kaft 3/10).

In het voormelde rechtshulpverzoek wordt onder de hoofding "uiteenzetting der feiten" zoals in conclusie gesteld, naar de analyse van de verschillende telefoontaps verwezen.

Evenwel wordt onder dezelfde hoofding ook verwezen naar de volgende rechtsgeldig verkregen gegevens:

- de uitgevoerde observaties op V. D. B. R. en E. V., waarvan het uitgavenpatroon geenszins te rijmen valt met hun wettelijke inkomsten,

- de resultaten van de op dezelfde dag uitgevoerde huiszoeking in het pand te T., waar "grote hoeveelheden scheikundige producten bestemd voor de aanmaak van verboden stoffen" werden aangetroffen,

- het waarnemen van een witte camionette Mercedes Vito bij een observatie aan het voornoemde pand te T. en de vaststelling dat dit voertuig staat op naam van de Bar B., die gelinkt is aan de beklaagde F. P., daar deze bar eigendom is van de vader van de verdachte,

- het opmerken van de beklaagde F. P. bij een observatie aan de woning van V. D. B. R.

Aldus wordt vastgesteld dat er naast de resultaten van de nietige telefoontaps nog een aantal belangrijke redenen waren voor de onderzoeksrechter om tot het betreffende rechtshulpverzoek over te gaan.

Het voornoemde rechtshulpverzoek en de resultaten ervan zijn aldus niet door enige nietigheid aangetast, wat eveneens geldt voor de erop volgende rechtshulpverzoeken, waarvoor enerzijds dezelfde gegevens weerhouden worden en anderzijds ook gesteund wordt op de resultaten van het rechtshulpverzoek van 19 oktober 2007.

Uit het vermelden van de analyse van de (nietige) telefoontaps als een van de motiveringen, kan niet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter zonder kennis van de inhoud van de telefoontaps niet zou zijn overgegaan tot het versturen van het betreffende rechtshulpverzoek.

Ook zonder de resultaten van de nietige telefoontap waren er voldoende ernstige aanwijzingen om de rechtshulpverzoeken te bevelen.

4.2.2.7 Wat betreft de onderzoeksresultaten met betrekking tot de firma L. C.

De geviseerde onderzoeksresultaten zijn door geen enkele nietigheid aangetast, evenmin als de inkijkoperatie en de betreffende observaties waarvan zij het resultaat zijn (infra).

De betrokkenheid van de nv L. C. en de lokalisatie ervan, konden immers gebeuren :

- doordat tijdens de observatie op 20 september 2009 werd vastgesteld dat de beklaagden E. V. en V. D. B. R. naar de firma L. C. te W. reden (stukken 827,881, kaft 5/10),

- doordat tijdens de observatie op 1 oktober 2007 werd vastgesteld dat de beklaagde E. V. zich samen met een tweede man van uit de loods te T. naar de firma L. C. verplaatsten,

De activiteiten van de firma L. C., zoals deze reeds uit de naam blijkt en zijnde een groothandel in chemische producten, in relatie tot de onderzochte feiten en de voorgaande observaties hebben aldus geleid tot rechtsgeldig onderzoek betreffende deze firma (huiszoeking, verhoor van verantwoordelijken) .

Ook zonder de resultaten van de nietige telefoontap waren er voldoende ernstige aanwijzingen om de verschillende onderzoeksdaden met betrekking tot de NV L. C. te bevelen.

4.2.2.8 Wat betreft de regelmatigheid van de fiscale en bank-onderzoeken.

Anders dan de beklaagden E. V.en V. D. B. R. in conclusies voorhouden (resp. p. 71 e.v., niet genummerde p.) volgen deze onderzoeken niet uit of zijn ze niet gesteund op de nietige telefoontaps. Aldus werd bij kantschrift van 22 mei 2007 van de procureur des Konings, d.i. voorafgaandelijk aan het vorderen van een gerechtelijk onderzoek op 14 juni 2007, opdracht tot een financieel bankonderzoek met consultatie van het fiscaal dossier betreffende O. L. bevolen.

Dat in de in de conclusies qeciteerde processen-verbaal door de verbalisanten ook naar de resultaten van de afgeluisterde gesprekken verwezen wordt om te verwijzen naar het nut van een bank-, fiscaal en financieel onderzoek, doet aan het voorgaande niets af daar:

- deze verwijzingen enkel betrekking hebben op de contacten die men onderhoudt, wat eveneens blijkt uit de observaties,

- de financiële relaties tussen E. V. enerzijds en M. A. en H. H. anderzijds eveneens blijken uit het bankonderzoek dat voorafgaandelijk aan het gerechtelijk onderzoek door de procureur des Konings bevolen was,

- hoe dan ook, de resultaten van het onderzoek betreffende M. A. en H. H. geen enkel bezwarend element voor de beklaagden - integendeel - heeft opgeleverd, daar een aantal stortingen op hun rekening inderdaad van schenkingen - zoals door hen gesteld - afkomstig bleken te zijn.

Derhalve waren er ook zonder de resultaten van de nietige telefoontap voldoende ernstige aanwijzingen om een bankonderzoek te bevelen.

Betreffende de beklaagde J. C. is er evenmin, anders dan in conclusie wordt voorgehouden, enige onregelmatigheid betreffende het gevoerde bankonderzoek.

Op het ogenblik dat de onderzoeksrechter daartoe opdracht gaf (15 juni 2007) waren er voldoende ernstige aanwijzingen betreffende mededaderschap aan de ten laste gelegde feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie, zoals voorzien onder de tenlastelegging B en in de vordering tot gerechtelijk onderzoek. Deze ernstige aanwijzingen volgen uit de politionele informatie, de rechtsgeldige observaties en de vaststelling van de contacten tussen de verschillende beklaagden (bezoeken aan O. L. en V. D. B. R., waarbij het zonder belang is dat het voertuig ingeschreven was op haar echtgenoot E. V., vaststelling dat zij de echtgenote is van E. V.).

Ook zonder de resultaten van de nietige telefoontap waren er derhalve voldoende ernstige aanwijzingen om bankonderzoeken te bevelen.

Dat de beklaagde J. C. niet nominatim is vermeld in de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek doet aan het voorgaande niets af, evenmin als het gegeven dat zij niet voor de in de inleidende vordering vermelde tenlasteleggingen naar de correctionele rechtbank werd verwezen, daar enerzijds de onderzoeksrechter in rem was gelast en anderzijds pas bij de regeling van de rechtspleging beoordeeld werd of er voldoende bezwaren waren, waarvoor het initiatiefrecht bij het openbaar ministerie ligt door het vorderen van de regeling van de rechtspleging overeenkomstig artikel 127 Sv.

Bovendien waren er voldoende ernstige aanwijzingen, volgend uit de informatie betreffende het inkomen en uitgavenpatroon van het echtpaar E. V./J. C., zodat het bevolen bankonderzoek nuttig en noodzakelijk was met betrekking tot beiden. Artikel 46 quater § 1 a) Sv. voorziet de mogelijkheid tot onderzoek betreffende bancaire gegevens en rekeningen, waarvan de verdachte de uiteindelijke gerechtigde is.

Om de hoger vermelde redenen dient eveneens te worden vastgesteld dat de onderzoeksrechter bij zijn beschikking tot bankonderzoek betreffende de rekeningen op naam van de beklaagde J. C. niet buiten zijn saisine handelde.

De beslissingen zelf van de procureur des Konings, c.q.

onderzoeksrechter zijn niet gemotiveerd, zoals voorzien in artikel 46 quater Sv. (conclusies J. C. p. 17, conclusie O. L. p. 11).). Zij dienen echter te worden gelezen is samenhang met enerzijds (procureur des Konings) het aanvankelijk proces-verbaal van 4 mei 2007 betreffende de informatie dat er op haar adres een drugslabo zou actief zijn (stuk 1, kaft 4/10), anderzijds (onderzoeksrechter) het proces-verbaal van 15 juni 2007 (stuk 61, kaft 4/10) waarin verwezen wordt naar de noodzaak van een bankonderzoek, namelijk "teneinde een zicht te krijgen op de eventuele illegale inkomsten".

Bovendien is de motiveringsverplichting voorzien in artikel 46 quater § 3 Sv. betreffende de onderzoeken voorzien in de §§ 1 en 2 van hetzelfde artikel, niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Door de gebrekkige motivering van de opdracht tot bankonderzoek is de betrouwbaarheid van de door het bankonderzoek verkregen gegevens niet aangetast.

Het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel genomen werd niet geschonden.

4.2.2.9 Wat betreft de inkijkoperatie.

Anders dan beklaagden E. V. en V. D. B. R. in conclusies voorhouden is de machtiging tot inkijkoperatie in een loods te T. niet nietig wegens het beweerd proactieve karakter ervan. Uit de vaststelling dat tot op dat ogenblik de juiste locatie van het drugslabo nog niet met zekerheid kon worden vastgesteld, kan niet worden afgeleid dat er in casu onvoldoende ernstige aanwijzingen waren van de ten laste gelegde feiten. Op 20 juli 2007 waren er door observaties en andere rechtsgeldige onderzoeksdaden voldoende elementen die toelieten te vermoeden dat deze strafbare reeds gepleegde feiten (aanmaak, handel en bezit psychotrope stoffen in vereniging en deelname criminele organisatie), geconcretiseerd in een drugslabo, aldaar gepleegd werden.

Dat de onderzoeksrechter om tactische redenen eerder tot een inkijkoperatie in plaats van onmiddellijke huiszoeking overging, is niet aan enige beoordeling door de rechter ten gronde onderworpen.

Bovendien bewijst de motivering van de beschikking van 20 juli 2007 de noodzaak van een "inkijkoperatie" (" ... dat vastgesteld werd dat de betrokkenen echter zeer voorzichtig te werk gaan zodat een inkijkoperatie zich opdringt teneinde zicht te krijgen op de zaak en na te gaan of er inderdaad een labo op het adres gevestigd is ... ")

Aldus is voldaan aan de finaliteit van een inkijkoperatie zoals omschreven in artikel 46 qulnqules § 2 Sv., te weten "de plaats op te nemen en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van zaken die het voorwerp van het misdrijf uitmaken" en "de bewijzen te verzamelen van de aanwezigheid van de zaken bedoeld in 10".

Tevens wordt verwezen naar wat onder 4.2.2.5 wordt gesteld betreffende de motivering van de machtiging tot inkijkoperatie.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat uit het bankonderzoek van V. D. B. R. gebleken was dat hij de loods gelegen te T. huurde sinds 2006 voor 450 euro per maand terwijl zijn beroeps- of andere reguliere activiteiten hiervoor geen noodzaak opleverden.

De onderzoeksrechter had aldus, onafgezien de inhoud van de nietige telefoontaps, alle redenen om aldaar een inkijkoperatie, c.q huiszoeking te bevelen.

4.2.2.10 Wat betreft de schending van het recht van verdediging i.v.m. de

overtuigingsstukken

De beklaagden voeren aan dat hun recht van verdediging geschonden is doordat niet alle bij de huiszoeking in de loods te T. aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen fysiek meer voorhanden zijn. Voor de beklaagden zou het niet mogelijk of toegelaten zijn middels bijstand van een eigen technische raadsman gefundeerde tegenspraak te voeren.

Aldus zou hun recht op tegenspraak, zoals voorzien in artikel 6 EVRM, geschonden zijn en zou de strafvordering "minstens ontoelaatbaar" zijn.

Vooreerst herneemt het hof de motivering van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen van 17 augustus 2010 (p. 17):

"Dat bepaalde overtuigingsstukken, die in beslag werden genomen bij de huiszoeking, inmiddels zouden zijn vernietigd of niet meer ter griffie aanwezig zijn, betekent niet automatisch dat de rechten van inverdenklnggestelde (thans beklaagde) zijn geschonden of zijn mogelijkheid tot tegenspraak hem zijn ontnomen, wat zou leiden tot onontvankelijkheid van de strafvordering. Het dossier bevat een lijvig en duidelijk fotodossier van de in beslag genomen goederen en een deskundig verslag, terwijl de meegenomen stalen os 14321/07 nog aanwezig zijn. Er is dus nog mogelijkheid tot tegenspraak voor en bewijswaardering door de feitenrechter."

De beklaagden voeren ook effectief tegenspraak door prof. Tytgat met de door hem geformuleerde opdracht te belasten. Deze deskundige kon aan de hand van:

- de zeer uitvoerige beschrijving van de huiszoeking (stuk 597, kaft 4/10) en van de aangetroffen voorwerpen (stuk 588, kaft 4/10),

- het zeer uitgebreide fotodossier waarbij fotografisch ieder aangetroffen relevant voorwerp werd vastgelegd (onderkaft C2, kaft 1/10), waarbij een uitgebreid beschrijvend proces-verbaal werd gevoegd, opgesteld door leden van het nationaal georganiseerde LIT (Lab Intervention Team),

- het beschikbaar zijn ter griffie van alle op de plaats van de huiszoeking genomen stalen, waarvan niet wordt betwist dat ze op regelmatige wijze werden genomen,

zijn bevindingen weergeven.

De door de beklaagden aangestelde deskundige stelt dat de in beslag genomen voorwerpen correct werden beschreven (p. 4).

In het bijgebrachte deskundig verslag wordt op de vraag of met de in beslag genomen voorwerpen een volledig labo kan worden opgebouwd door prof. Tytgat geantwoord: "Kijkende naar de opsomming der in beslag genomen goederen uit de loods te T. ( ... ) is het inderdaad mogelijk om (minstens) (sic) één productielaboratorium op te zetten. Naast het juist (geschikt) glaswerk, m.n. rondebodemkolven van 20 liter, thermometers, bekers, schiettrechters en refluxeerkolom, etc., beschikt men eveneens over verwarmingsapparatuur en belangrijker naar onze mening, ook over apparatuur om destillatie bij verminderde druk uit te voeren (o.a. Edwardspomp, V/2" (p, 3).

Dat aan de hand van alle gegevens prof. Tytgat geen antwoord kon geven betreffende het al dan niet operationeel zijn van de aangetroffen en in beslag genomen voorwerpen, is totaal irrelevant vermits door de speurders in de processen-verbaal ook nergens werd aangevoerd dat een operationeel laboratorium in de betreffende loods werd aangetroffen.

In het synthese proces-verbaal wordt desbetreffend gesteld: "De opslagplaats van producten en laboratoriumbenodigdheden bevond zich in België (o.a. T.), de eigenlijke productieplaats bevond zich in Nederland. Tussen deze 2 locaties werd er gedurig heen en weer gependeld met bestelwagens en lichte vrachtwagens" (stuk 2065, kaft 6/10). Het hof voegt hieraan toe dat in feite niet met zekerheid geweten is waar geografisch gezien het drugslabo operationeel was. Er is wel zekerheid dat in een drugslabo op grote schaal synthetische drugs werden aangemaakt o.a. door de vaststelling van de aankoop van grote hoeveelheden chemicaliën (infra).

Het al of niet operationeel zijn van een drugs labo in de loods te T. is dan ook irrelevant om de schuld van de beklaagden aan de ten laste gelegde feiten te beoordelen, te weten of de beklaagden op een strafbare wijze betrokken waren bij de aanmaak van MDNA en lidmaatschap van een criminele organisatie en hierbij strafbare handelingen in België pleegden.

Evenzeer is het irrelevant dat de door de beklaagden aangestelde deskundige aan de hand van het laboratoriummateriaal en het ontbreken van een aantal technische details niet kon vaststellen dat dit geschikt was voor de aanmaak van MDNA of niet. De ter plaatse in allerhande recipiënten en toestellen genomen stalen geven desbetreffend uitsluitsel.

Anders dan de beklaagden voorhouden is een "wetenschappelijk" bewijs van de opstelling en werking van een drugslabo, niet noodzakelijk om de schuld van de beklaagden aan de ten laste gelegde feiten te beoordelen.

De door de beklaagden aangestelde deskundige heeft geen opmerkingen betreffende de door het NICC in opdracht van de onderzoeksrechter uitgevoerde deskundigenonderzoeken.

De technische bemerkingen van Prof. Tytgat betreffende de door Prof. Neels in opdracht van de onderzoeksrechter uitgevoerde expertise wijzen evenmin op enige onvolledigheid van de weergaven van de aangetroffen voorwerpen of op enige beperking van de rechten van de verdediging van beklaagden, te meer daar Prof. Tytgat desbetreffend stelt dat door de weergave van de resultaten door Prof. Neels "de indruk" kan worden gewekt dat het eerder om een amfetaminelabo ging met "MDNA" als nevenactiviteit.

Hieraan dient nog te worden toegevoegd dat een laboratoriumopstelling tot in detail niet noodzakelijk is om vast te stellen voor wat de aangetroffen toestellen gediend hebben, vermits dit eveneens blijkt uit het sporenonderzoek. De betreffende stalen zijn nog steeds neergelegd ter griffie en aan tegenspraak onderworpen.

De beklaagden hebben aldus, zoals uit het voorgaande blijkt, op uitgebreide en grondige wijze tegenspraak kunnen voeren en effectief gevoerd betreffende de bij de huiszoeking in de loods te T. in beslag genomen voorwerpen.

Tot slot dient te worden verwezen naar de reden van het niet langer aanwezig zijn van een aantal bij de betreffende huiszoeking aangetroffen en in beslag genomen goederen en voorwerpen.

Wegens de gevaarlijkheid en milieuschadelijkheid werden de zeer grote hoeveelheid grondstoffen en producten, opgeslagen in bidons en vaten (bijlage 1 bij proces-verbaal 022580/07, stuk 588, kaft 4/10) op vordering van de onderzoeksrechter opgeslagen bij de gespecialiseerde firma SGS. Na staalname (stalen neergelegd ter griffie onder OS 14321/07), waardoor het recht op tegenspraak gevrijwaard bleef, gaf de onderzoeksrechter terecht opdracht aan de gespecialiseerde en over de nodige vergunningen beschikkende firma, om deze gevaarlijke producten te vernietigen.

Een aantal toestellen werd overgedragen aan de federale politie voor didactische doeleinden. Gelet op de restanten en sporen die in een groot aantal van deze toestellen werden aangetroffen, dienden deze toestellen met het oog op het milieugevaar en de volksgezondheid eveneens te worden onttrokken aan situaties waar zij gevaar konden opleveren. Uit de processen-verbaal van 31 juli 2008 en 3 december 2008 en uit de brief van de firma SGS van 14 juli 2008 (stukken 2165, 2207 en 2150, kaft 6/10) blijkt de wijze en noodzaak van vernietiging van het "schroot", verzameld in een 40' container, namelijk de voorafgaande "revalorisatie" (d.i. reiniging) ervan. Uit de lezing van het dossier blijkt dat het verwijderen van een aantal toestellen om didactische forensische doeleinden, met inspraak en akkoord van de onderzoeksrechter gebeurde.

De beperking van het recht op tegenspraak wegens de onmogelijkheid deze toestellen nog langer fysiek te kunnen bezichtigen, wordt volledig ondervangen door de uitgebreide beschrijving ervan en de weergave in een fotodossier als hoger vermeld.

Het recht op tegenspraak is derhalve ook wat deze voorwerpen betreft gewaarborgd.

Ten overvloede dient, zoals hoger gesteld, te worden in aanmerking genomen dat het totaal irrelevant is of in de betreffende loods al dan niet een drugslabo operationeel was, te meer daar de resultaten van de huiszoeking in de loods te T. niet de enige elementen zijn om de schuld van de beklaagden aan de ten laste gelegde feiten af te wegen.

Het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op tegenspraak, dat in globo dient te worden beoordeeld, werd niet geschonden. De beklaagden hebben volledige tegenspraak kunnen voeren met betrekking tot het strafdossier, zoals het is samengesteld.

(...)

Free keywords

  • 1. Strafrecht

  • Beoordeling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden

  • Vonnisgerecht dat kamer van inbeschuldigingstelling gelast met controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden

  • Artikel 189ter Sv.

  • Begrip ‘wettigheidsincident' 2. Strafrecht

  • Pro-actief onderzoek

  • Artikel 28bis §2 Sv.

  • Begrip 3. Strafrecht

  • Eerlijk proces

  • Rechten van verdediging

  • Verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat

  • Gevolg 4. Afluistermaatregel

  • Beschikking onderzoeksrechter

  • Motivering subsidiariteit

  • Gebrek

  • Gevolg

  • Nietig 5. Strafrecht

  • Bijzondere opsporingsmethode

  • Afluistermaatregel

  • Onregelmatig

  • Bewijsuitsluiting

  • Gevolg

  • Overige bewijsmiddelen die verband houden met nietig bevonden bewijs 6. Strafrecht

  • Bewijs

  • Vernietiging bewijsstukken

  • Gevolg

  • Dossier bevat fotodossier en deskundig verslag, stalen blijven beschikbaar

  • Geen schending rechten van verdediging 7. Misdrijven

  • Vervaardiging drugs

  • Beoordeling schuld

  • Labo hoeft niet operationeel te zijn