- Arrêt of January 24, 2012

24/01/2012 - 2008AR3093

Case law

Summary

Samenvatting 1

De lasthebber is in beginsel gehouden rekenschap af te leggen van de uitvoering van zijn opdracht (artikel 1993 BW), ook ten aanzien van de rechtverkrijgenden van de lastgever

________________________________________________________________


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/AR/3093

INZAKE VAN :

De heer D. R., wonende te 3300 TIENEN, Aandorenstraat 82,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 30 september 2008,

vertegenwoordigd door Meester HEUSDENS loco Meester Ludo DEPRE, advocaat te 3300 TIENEN, Grote Bergstraat 10,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw S. P., wonende te 3300 TIENEN, Vissenakestraat 35,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester SCHOENSETTERS loco Meester Johan DEWIL, advocaat te 3300 TIENEN, Veemarkt 2,

De lasthebber is in beginsel gehouden rekenschap af te leggen van de uitvoering van zijn opdracht (artikel 1993 BW), ook ten aanzien van de rechtverkrijgenden van de lastgever

________________________________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 30 september 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

Op de zitting van 31 oktober 2011 vraagt geïntimeerde de wering uit het beraad van de stukken 14 en 15 van appellant, omdat die pas de week voordien zijn meegedeeld. Appellant betwist dit niet. Het hof weert de stukken als laattijdig meegedeeld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Eiseres [geïntimeerde] is de halfzus en enige erfgename van wijlen mevrouw S. H., geboren te Tienen op 27 april 1931 en overleden te Tienen op 30 mei 2006.

Op 6 augustus 2002 gaf mevrouw H. een volmacht op haar Fortis spaar- en zichtrekeningen aan verweerder [appellant].

Volgens eiseres was mevrouw H. sinds 2001 in behandeling wegens ernstig mentaal verval, was zij in augustus 2002 reeds dement en verdween er van augustus 2003 tot augustus 2006, zonder verantwoording, 14.250 EUR van haar spaarrekening en 11.410 EUR van haar zichtrekening.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde geïntimeerde de veroordeling van appellant tot de betaling aan haar van 25.660 EUR plus "de wettelijke interesten" vanaf 30 mei 2006, datum van het openvallen van de nalatenschap, en de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

Appellant concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde appellant tot betaling aan geïntimeerde van 25.660 EUR plus intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 mei 2006, en de gerechtskosten.

3.3

In zijn verzoekschrift tot hoger beroep (hij heeft geen conclusie genomen) herneemt appellant zijn oorspronkelijk verweer.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

Geïntimeerde voert aan dat de toestemming van mevrouw H. bij het verlenen van de volmacht aangetast was door wilsgebrek.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat geïntimeerde het bewijs moet leveren van wat zij aanvoert (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Geïntimeerde stelt dat mevrouw H. sinds 2001 in ernstig mentaal verval verkeerde en vanaf augustus 2002 dementeerde. Dit vindt bevestiging in een attest van de huisarts van mevrouw H. , maar wordt weerlegd door een verklaring van het OCMW van Tienen. Geïntimeerde stelt dat de voorzitter en de secretaris van het OCMW niet uit eigen waarneming getuigen, maar het stuk verwijst naar getuigenissen van de personeelsleden van het OCMW. Het getuigenis van twee verzorgende personeelsleden van het OCMW suggereert eveneens dat een normaal contact mogelijk was met mevrouw H. . Uit de voorgelegde verklaringen kan niet met zekerheid worden afgeleid dat mevrouw niet meer gezond van geest was bij het sluiten van de overeenkomst waarbij zij appellant aanstelde. De eerste rechter merkt terecht op dat niemand tussen 2001, beweerde aanvang van het mentaal verval en 30 mei 2006, het overlijden, het nodig heeft geacht een procedure te voeren tot bescherming van de persoon en de goederen van mevrouw H. , hoewel zij al die tijd werd gevolgd door medici en verzorgers die in staat waren de daarvoor relevante vaststellingen te doen.

Geïntimeerde stelt dat appellant een grote morele dwang heeft uitgeoefend op mevrouw H. , maar zij levert daarvan geen bewijs. Dat de volmacht werd verleend kort na de opname van mevrouw H. in een ziekenhuis volstaat daartoe niet.

Appellant is als lasthebber in beginsel gehouden rekenschap af te leggen van de uitvoering van zijn opdracht (artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek), ook ten aanzien van de rechtverkrijgenden van de lastgever zoals geïntimeerde.

Geïntimeerde vraagt rekenschap over 14.250 EUR die zouden zijn afgehaald van de spaarrekening van mevrouw H. . Appellante erkent dat hij van 18 juni 2004 tot en met 18 mei 2006 5.500,00 EUR heeft afgehaald, maar stelt dat de overige gelden van die rekening zijn afgehaald door mevrouw H. zelf. Het wordt inderdaad niet bewezen dat mevrouw H. niet zelf nog geldafhalingen kon doen, zodat dit niet kan uitgesloten worden. Het kan niet van de lasthebber verwacht worden dat hij rekenschap geeft over wat de lastgever zelf heeft verricht.

Met betrekking tot de 5.500,00 EUR voert appellant aan dat hij die in opdracht van mevrouw H. heeft besteed aan uitgaven voor zijn zoon. Geïntimeerde werpt terecht op dat appellant niet het bewijs levert van een animus donandi, zodat moet besloten worden dat deze uitgaven niet zijn gebeurd in uitvoering van de lastgeving. Appellant is dus gehouden tot teruggave.

Met betrekking tot de 11.410,00 EUR van de zichtrekening van mevrouw H. stelt appellant dat die voor 510,00 EUR zijn gebruikt voor de gsm van zijn zoon, overeenkomstig de wens van mevrouw H. . Ook hiervoor wordt de animus donandi echter niet bewezen.

De rest van de 11.410,00 EUR is volgens appellant enerzijds aangewend voor aankopen in warenhuizen en winkels voor mevrouw H. , en anderzijds afgehaald voor kleine en dagelijkse uitgaven van mevrouw H. . Dat appellant en zijn gezin vaak uitstappen maakten met mevrouw H. en alle inkopen deden voor haar, wordt inderdaad bevestigd door het OCMW en door verzorgend personeel. Appellant heeft hierover anderzijds bijzonder laattijdig stukken neergelegd (die geweerd worden zoals vermeld), en hij beperkt de verantwoording van zijn optreden in zijn akte van beroep tot de vermelding van een aantal uitgaven en bedragen waarvan hij zelfs niet de som maakt. Appellant is nochtans reeds in oktober 2007 gedagvaard om rekenschap te geven van zijn opdracht en heeft dus te gelegenertijd zijn concreet verweer kunnen voeren. In die omstandigheden is het niet nuttig om verder onderzoek te (laten) voeren naar bedragen en bestedingen. Het hof acht een maandelijkse uitgave van 50,00 EUR voor de bijkomende behoeften van mevrouw H. als verantwoord en geloofwaardig. Dat maakt van augustus 2002 tot en met mei 2006 46 x 50,00= 2.300,00 EUR. Appellant is dus gehouden tot teruggave van 11.410,00 EUR - 2.300,00 EUR of 9.110,00 EUR.

Appellant moet dus in totaal terug aan de lastgever, nu de erfgenaam geïntimeerde, 5.500,00 EUR + 9.110,00 EUR = 14.610,00 EUR.

Over de intresten wordt geen betwisting gevoerd.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 2.200,00 EUR.

Gelet op de mate waarin partijen onderscheidenlijk in het gelijk en het ongelijk werden gesteld, worden de kosten omgeslagen zoals hieronder bepaald (art. 1017, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis behalve voor zover het de vordering ontvankelijk verklaart en de kosten begroot, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond en veroordeelt appellant tot de betaling aan geïntimeerde van VEERTIENDUIZEND ZESHONDERD EN TIEN EURO (14.610,00 EUR), plus de verwijlintresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 mei 2006 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet

Het veroordeelt appellant tot de betaling van 4/5den van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot

- in hoofde van appellant op euro 2.386 (186 rolrecht + 2.200 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.200 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/01/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Free keywords

  • Lastgeving. Verplictingen van de lasthebber. Rekenschap geven (art. 1993 BW). Rekenschap aan de lastgever of aan diens rechthebbenden