- Arrêt of April 3, 2012

03/04/2012 - 2008AR2681

Case law

Summary

Samenvatting 1

Artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep "ten allen tijde" incidenteel hoger beroep kan instellen, "zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft". A fortiori kan de gedaagde in hoger beroep incidenteel hoger beroep instellen indien niet hij maar de appellant het vonnis heeft betekend.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2008/AR/2681

INZAKE VAN :

De heer W. V., wonende te

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 september 2008,

vertegenwoordigd door Meester Jan DE BRABANTER, advocaat te 1730 ASSE, Stationsstraat 69,

1ste kamer

TEGEN :

De heer A. F., wonende te

geïntimeerde, niet verschijnende, noch iemand voor hem;

Artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep "ten allen tijde" incidenteel hoger beroep kan instellen, "zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft". A fortiori kan de gedaagde in hoger beroep incidenteel hoger beroep instellen indien niet hij maar de appellant het vonnis heeft betekend.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over hogere beroepen tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 19 september 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Geïntimeerde is niet verschenen op de zitting van 12 december 2011 waarvoor hij regelmatig opgeroepen was. Hij is wel verschenen op de inleidingszitting en heeft conclusie neergelegd zodat de rechtspleging op tegenspraak is (artikel 804, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Appellant verklaart dat het vonnis werd betekend op 21 oktober 2008. Hij heeft dezelfde dag hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 Het onderwerp van de vordering

2.1

Voor de eerste rechter vorderde appellant de veroordeling van geïntimeerde tot de betaling aan hem van:

- 2.025.000 BEF (50.198,44 EUR) op grond van een overdracht van aandelen plus de gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaarding,

- 2.951.017 BEF (73.153,80 EUR) op grond van een schulderkenning van 29 april 1994, plus "de bedongen interesten aan 8 % vanaf 29 april 1996".

Geïntimeerde concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroeg hij de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen, minstens appellant te bevelen neerlegging te doen van "diens boekhouding als notaris in de jaren 1990,1991 en 1992 en verder eiser alsook te horen veroordelen in bijbrengen van alle notariële dokumenten betrekkelijk de overdracht van het onroerend goed eigendom van de nv RENOVIMA en waarvan destijds akte werd verleden en gekend als gelegen en gestaan te BRUSSEL , Leopold II laan 218 en 220 , respektievelijk gekadastreerd wijk B nr. 454/A voor 40 are en wijk B nummer 453/A voor 1 are 7 ca."

2.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van appellant gedeeltelijk gegrond en veroordeelde geïntimeerde tot betaling aan appellant van 73.153,80 EUR uit hoofde van een schulderkenning van 29 april 1994, plus "de bedongen interesten aan 8 % vanaf 29 april 1996".

2.3

In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijke vordering voor wat betreft de 50.198,44 EUR op grond van een overdracht van aandelen. Hij concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt hij zijn oorspronkelijke verweer met betrekking tot de vordering van appellant voor 73.153,80 EUR op grond van de schulderkenning van 29 april 1994.

3 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

3.1 De ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep

Appellant werpt op dat het incidenteel hoger beroep niet ontvankelijk is, omdat het is ingesteld buiten de beroepstermijn. Artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt nochtans dat de gedaagde in hoger beroep "ten allen tijde" incidenteel hoger beroep kan instellen, "zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft". A fortiori kan de gedaagde in hoger beroep incidenteel hoger beroep instellen indien niet hij maar de appellant het vonnis heeft betekend. Het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk.

3.2 De grond van het hoger beroep

3.2.1 Het hoger beroep: de vordering op grond van de overdracht van aandelen en de cheques.

De eerste rechter heeft terecht en op grond van een pertinente en heldere motivering de vordering van appellant op grond van de overdracht van aandelen en de cheques afgewezen.

Zoals voor de eerste rechter levert appellant geen bewijs van een overeenkomst van overdracht van aandelen tussen partijen. De stukken 1 en 2 van appellant hebben betrekking op een overeenkomst waarbij geïntimeerde partij is en een overeenkomst waarbij appellant partij is, en niet op een overeenkomst tussen hen. Stuk 3 is een eenzijdige verklaring van appellant die geïntimeerde niet bindt. Appellant voert hiertegen geen relevant middel aan.

De drie niet uitbetaalde cheques bewijzen evenmin de schuldvordering van appellant. Een van de cheques is getrokken op de NV RENOVIMA, de vennootschap waarvan aandelen zouden zijn overgedragen; dat kan dus geen verbintenis vormen van geïntimeerde. Met betrekking tot de twee andere cheques is de regresvordering van appellant op geïntimeerde verjaard met toepassing van artikel 52 van de Chequewet. Artikel 52bis bepaalt weliswaar dat in geval van verjaring een rechtsvordering blijft bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, en tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig mocht hebben verrijkt, maar dat is een rechtsvordering die niet onder toepassing van het wisselrecht valt, zodat de uitoefening ervan op de onderliggende rechtsverhouding gegrond moet zijn . Appellant levert echter geen bewijs van de onderliggende rechtsverhouding; de cheques zelf vormen geen nuttig begin van bewijs nu niet blijkt dat er enig verband bestaat met de beweerde overeenkomst van overdracht van aandelen. Noch de data van de cheques en de overeenkomst noch de bedragen van de cheques en de overeenkomst stemmen overeen. Appellant voert hiertegen geen relevant middel aan.

Het hof verwijst voor het overige naar de motivering van de eerste rechter en houdt die voor herhaald.

Het hoger beroep van appellant is ongegrond.

3.2.2 Het incidenteel hoger beroep: de vordering op grond van de onderhandse schulderkenning

Terecht heeft de eerste rechter het stuk van 29 april 1994 beschouwd als een naar vorm regelmatige schuldbekentenis van geïntimeerde voor in hoofdsom 2.951.017 BEF. In een brief van 20 maart 1996 vermeldt geïntimeerde het bestaan van een schuldbekentenis en meldt hij zijn moeilijke financiële situatie en zijn hoop op recuperatie van 3 mio BEF plus intresten over 10 jaar, zijnde een som van dezelfde orde van grootte . Uit het stuk van 29 april 1994 komt voor dat appellant aan geïntimeerde geld heeft geleend dat die zou moeten gebruiken voor een schuldeiser van geïntimeerde.

Zoals voor de eerste rechter laat geïntimeerde gelden dat de schuldbekentenis "kadert binnen de dubieuze afwikkeling van de doorhaling van de oude hypothecaire inschrijving in voordeel van de nv MERCATOR en zulks op last van de curator en Notaris aangesteld in de afwikkeling van de faling van de derde koper en met name Notaris INDEKEU te BRUSSEL in die zin dat dat onder het mom van betreffende onderhandse schuldbekentenis de gelden, noodzakelijk voor doorhaling van de oude en bestaande hypothecaire inschrijving op naam van nv MERCATOR, door te halen dat het geldbedrag van 2.951.017,BEF ter beschikking diende gesteld van Notaris INDEKEU". Uit het middel van geïntimeerde wordt evenwel niet duidelijk op welke wijze de schuldbekentenis niet zou beantwoorden aan een werkelijk uitgevoerde overeenkomst van lening (geïntimeerde ontkent niet dat het geld is uitbetaald), of dat de achtergrond of oorzaak van de overeenkomst zou kunnen leiden tot een nietigheid van de overeenkomst. De suggestie of het feit dat appellant een fout zou hebben begaan als notaris bij een akte van overdracht van een onroerend goed doet op zich niets af van de inhoud van de schuldbekentenis.

De middelen van geïntimeerde weerleggen op geen enkele wijze de motivering van de eerste rechter die het hof hier voor herhaald houdt.

4 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 5.500,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt appellant tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 5.686 (186 rolrecht + 5.500 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op NIHIL.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

3/04/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Free keywords

  • Hoger beroep. Incidenteel beroep. Ontvankelijkheid. Voorwaarden. Artikel 1054, eerste lid Ger. W.