- Arrêt of September 11, 2012

11/09/2012 - 2010AR553

Case law

Summary

Samenvatting 1

Voor de nakoming van artikel 1057, 7° Ger. W. is vereist - maar ook voldoende - dat de appellant duidelijk maakt waarom en in welke mate hij zich door de beroepen beslissing gegriefd acht, derwijze dat de geïntimeerde zijn conclusie kan voorbereiden en de appelrechter in staat is de draagwijdte van het hoger beroep na te gaan.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2010/AR/ 553

INZAKE VAN :

De heer D. D.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 december 2009,

vertegenwoordigd door Meester T. RUMMENS loco Meester Steven TAMSYN, advocaat te 9880 AALTER, Dries 15,

1ste kamer

TEGEN :

De VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een naamloze vennootschap, afdeling Mestbank, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1060 BRUSSEL, Gulden Vlieslaan 72, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0236.506.685,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester S. MENS loco Meester Bart STAELENS, advocaat te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1,

_________________________________

Voor de nakoming van artikel 1057, 7° Ger. W. is vereist - maar ook voldoende - dat de appellant duidelijk maakt waarom en in welke mate hij zich door de beroepen beslissing gegriefd acht, derwijze dat de geïntimeerde zijn conclusie kan voorbereiden en de appelrechter in staat is de draagwijdte van het hoger beroep na te gaan.

Gelet op de procedurestukken:

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 december 2009, beslissing die betekend werd op 1 februari 2010;

 het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 1 oktober 2009;

 de tweede conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 en 18 november 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 25 juni 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe te zeggen voor recht dat geïntimeerde hem ten onrechte een geldboete heeft opgelegd van 1.140 euro daar hij zich bevond in een geval van overmacht.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijke vordering.

1.4. Geïntimeerde vraagt de beroepsakte te verwerpen als nietig, de vordering ontoelaatbaar te verklaren en minstens het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft terecht de feiten als volgt weergegeven:

1. De heer D. is erkend mestvoerder. Zijn activiteit bestaat er vooral uit dat hij stalmest bij stoeterijen, manèges, paardenfokkerijen en paardenklinieken gaat afhalen, teneinde deze mest dan te leveren aan compostbedrijven. Zij verwerken deze mest tot compost, die op zijn beurt gebruikt wordt in onder meer champignonkwekerijen.

2. Art. 7, § 2 van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 28 februari 1991) (oude Mestdecreet) bepaalt het volgende "Voor elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen moet een mestafzetdocument, waarvan de vorm en het gebruik door de Vlaamse Regering worden bepaald, worden opgemaakt. Het mestafzetdocument dient het transport te vergezellen. Het mestafzetdocument vermeldt ten minste :

1° de soort en de hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen;

2° de naam, het adres en de handtekening van de aanbieder en de afnemer;

3° de naam en het adres en de handtekening van de mestvoerder;

4° de datum van vervoer ;

5° verplichte bestemming.

Elke erkende mestvoerder is ertoe gehouden het in het eerste lid bedoelde mestafzetdocument op te maken en een dubbel ervan binnen de veertig kalenderdagen na de datum van vervoer over te maken aan de Mestbank."

Art. 32, § 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B.S. 15 juli 2000) bepaalt het volgende: "§ 3. Het mestafzetdocument bestaat uit vier luiken. Het luik A dient door de erkende mestvoerder binnen de veertig kalenderdagen na de datum van vervoer aan de Mestbank gezonden te worden. Het luik C dient door de erkende mestvoerder binnen de veertig kalenderdagen na datum van vervoer aan de aanbieder gezonden te worden. Het luik D dient door de erkende mestvoerder binnen de veertig kalenderdagen na datum van vervoer aan de afnemer gezonden te worden. De luiken B, C en D dienen respectievelijk door de erkende mestvoerder, de aanbieder en de afnemer te worden bewaard."

3. De heer D. heeft nagelaten binnen de veertig kalenderdagen 114 luiken A over te maken in de periode van 4 december 2006 tot 15 februari 2007.

Bijgevolg werd aan de heer D. een boete opgelegd van euro 1.140,00 in toepassing van art. 25, § 10 van het Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (B. S. 28 februari 1991), dat luidt als volgt: "Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk Xl, wordt lastens elke erkende mestvoerder een administratieve geldboete opgelegd van 10 euro per mestafzetdocument dat niet binnen de gestelde termijn werd bezorgd aan de Mestbank."

De heer D. werd van deze boete op de hoogte gebracht bij aangetekend schrijven van 9 juli 2007 (zie: stuk nr. 1 bundel van de heer D. en van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ).

4. De raadsman van de heer D. heeft bij schrijven van 11 juli 2007 deze boete betwist en om de kwijtschelding ervan verzocht. De heer DE BAERE ontkent niet dat hij de luiken A niet tijdig heeft ingediend, doch beroept zich op overmacht (zie: stuk nr. 2 bundel van de heer D. en van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ).

5. De VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ heeft bij schrijven van 30 november 2007 het bezwaar van de heer D. afgewezen en hem verzocht de boete te betalen (zie: stuk nr. 3 bundel van de heer D. en van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ).

6. De heer D. is op 27 december 2007 overgegaan tot dagvaarding van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ, ter inleiding van huidig geding.

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerde vraagt de beroepsakte nietig te verklaren bij toepassing van artikel 1057, 7° Ger.W.

Zij is van oordeel dat het verzoekschrift in hoger beroep geen uiteenzetting van de grieven bevat zodat het voor haar onmogelijk was zich hierop te verdedigen.

3.2. Voor de nakoming van artikel 1057, 7° Ger.W. is vereist - maar ook voldoende - dat de appellant duidelijk maakt waarom en in welke mate hij zich door de beroepen beslissing gegriefd acht, derwijze dat de geïntimeerde zijn conclusie kan voorbereiden en de appelrechter in staat is de draagwijdte van het hoger beroep na te gaan.

Uit de tweede conclusie neergelegd door geïntimeerde blijkt afdoend dat zij zich heeft kunnen verweren. Zij weerlegt immers de door appellant ingeroepen overmacht en het feit dat de Mestbank partijdig zou zijn.

Ook voor de beroepsrechter is het duidelijk op welke punten het bestreden vonnis aangevochten wordt door appellant.

3.3. Het beroepsverzoekschrift is bijgevolg niet nietig.

Het hoger beroep werd regelmatig naar tijd en vorm ingesteld en er zijn geen ambtshalve in te roepen middelen voorhanden zodat het hoger beroep ontvankelijk is.

3.4. Appellant houdt voor dat geïntimeerde niet aantoont dat hij van alle transporten het luik A niet heeft ingediend - zij het bij sommigen weliswaar te laat - en verwijt de eerste rechter de stelling van geïntimeerde te hebben gevolgd.

Hij werpt in zijn verzoekschrift in hoger beroep op dit ten gepaste tijde aan te tonen aan de hand van de nodige documenten. Appellant legt echter geen stukken neer.

Hoe dan ook ontkent hij niet bepaalde luiken A minstens niet tijdig te hebben ingediend wat volstaat voor het opleggen van een administratieve boete overeenkomstig artikel 25, §10 van het Mestdecreet.

3.5. Appellant beroept zich verder op overmacht.

Hij houdt voor dat het voor hem onmogelijk was om binnen de 40 kalenderdagen de desbetreffende documenten in te dienen. Hij haalt aan dat wanneer hij 's ochtends rond 5u bij een klant stalmest gaat ophalen nog niemand van de verantwoordelijken aanwezig is of wanneer hij in de loop van de dag mest gaat ophalen er dan enkel stalknechten aanwezig zijn die niet de verantwoordelijkheid op zich nemen/hebben om de nodige documenten af te tekenen. Hij verwijt verder de aanbieders een zekere onzorgvuldigheid bij het ondertekenen en het terug overmaken van de kwestieuze luiken A.

Appellant besluit dat het feit dat bepaalde luiken te laat werden ingediend zijn oorzaak vindt in factoren onafhankelijk van zijn wil.

3.6. Appellant bewijst echter niet datgene wat hij voorhoudt.

Overmacht veronderstelt bovendien een situatie waarbij de betrokkene staat voor een onvoorzienbare en onafwendbare toestand.

Appellant was er van op de hoogte dat hij conform artikel 32 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2000 verplicht was om luik A van de meststoffendocumenten binnen de 40 kalenderdagen over te maken aan de bevoegde instantie.

Hij diende zich daarbij zo te organiseren dat hij aan deze verplichting kon voldoen. Appellant slaagde er trouwens in om bepaalde luiken A wel binnen de wettelijk vastgestelde periode in te dienen wat op zich aantoont dat de door hem ingeroepen feiten geen onvoorzienbare en onafwendbare toestand uitmaken zodat er dan ook geen sprake kan zijn van overmacht in zijne hoofde.

Het feit dat appellant de ontbrekende luiken A later nog zal indienen, is niet terzake dienend.

3.7. In tegenstelling met wat appellant voorhoudt blijkt niet uit de door de eerste rechter aangehaalde nieuwe wetgeving dat de wetgever heeft ingezien dat de oude regeling praktisch niet uitvoerbaar was wat andermaal een bewijs zou uitmaken van overmacht in zijne hoofde.

De eerste rechter heeft integendeel enkel gesteld dat in het Decreet van 22 december 2006 - zijnde de nieuwe wetgeving waarnaar appellant refereert - het bestaande systeem werd aangepast aan de nieuwe technologische mogelijkheden, waardoor de gegevens sneller kunnen verwerkt worden. De mestvoerder blijft echter gehouden het meststofdocument te laten ondertekenen door de aanbieder en de afnemer van de meststoffen.

Uit een dergelijke aanpassing kan bijgevolg geenszins afgeleid worden dat de vroegere regeling niet toepasbaar was en bijgevolg een overmachtsituatie zou hebben uitgemaakt.

3.8. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat er in deze geen overmacht kon aangehouden worden.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

Voor zoveel als nodig wordt terzake verder verwezen naar de pertinente motieven in het bestreden vonnis die als volledig hernomen worden beschouwd.

3.9. Appellant stelt zich verder vragen nopens zijn rechten van verdediging daar geïntimeerde bij haar beoordeling zou optreden als rechter en partij.

De Mestbank is een administratieve overheid die enkel onderzoekt of de betwiste administratieve boete al dan niet terecht werd geheven. De Mestbank oefent hierbij geen rechtsprekende functie uit.

Een door de Mestbank genomen administratieve beslissing kan steeds aangevochten worden voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter - wat het voorwerp is van huidige procedure - en in die procedure kan de indiener van een bezwaar al zijn middelen doen gelden zelfs als hij deze niet aangewend heeft in zijn administratief beroep.

3.10. Ook op dit punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

3.11. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding ad. 400 euro wat het niet - geïndexeerd basisbedrag is gelet op de omvang van het gevorderde.

Na indexatie wordt dit 440 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijke gestelde partij.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, in hun geheel begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 626 (186 rolrecht + 440 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 440 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/09/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Free keywords

  • Art. 1057, 7° Ger. W. Akte van hoger beroep. Vereiste vermeldingen. Uiteenzetting van de grieven: draagwijdte van dit vereiste