- Arrêt of September 11, 2012

11/09/2012 - 2009AR2312

Case law

Summary

Samenvatting 1

De aansprakelijkheid van de architect en de aannemer op grond van artikelen 1792 en 2270 BW veronderstelt dat de stevigheid van het gebouw of van een belangrijk deel ervan in het gevaar wordt gebracht.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/2312

INZAKE VAN :

1) De heer I. D., en zijn echtgenote

2) Mevrouw K. D.,

samenwonende te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 juni 2009,

vertegenwoordigd door Meester A. VANDAM loco Meester Werner VAN PARIJS, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 50 bus 3,

1ste kamer

TEGEN :

1) De C.V.B.A. GEWESTELIJKE MAATSCHAPPIJ VOOR VOLKSHUISVESTING, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Bezemstraat 83 bus 131, Ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0403.304.026,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester D. BOURGUIGNON, advocaat te 17410 TERNAT, Stationsstraat 38,

2) Mevrouw L. D.,

3) De heer D. R., , Ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0748.143.569,

tweede en derde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester F. BOSMANS loco Meester C. BOSMANS-BROECKX, advocaat te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Volsemstraat 17,

4) De naamloze vennootschap ELPERS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1785 MERCHTEM, Kleistraat 65, Ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0425.207.022,

vierde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VANGINDERACHTER loco Meester Eddy CONRUYT, advocaat te 1730 ASSE, Broekeweg 32-34,

De aansprakelijkheid van de architect en de aannemer op grond van artikelen 1792 en 2270 BW veronderstelt dat de stevigheid van het gebouw of van een belangrijk deel ervan in het gevaar wordt gebracht.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer), na tegenspraak uitgesproken op 26 juni 2009, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 21 augustus 2009 ter griffie neergelegd;

- de akte van gedinghervatting op 18 september 2009 door de CVBA Gewestelijke Maatschappij voor Volkshuisvesting, eerste geïntimeerde, neergelegd;

- de conclusie van appellanten, op 28 mei 2010 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van eerste geïntimeerde, op 1 juli 2010 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van tweede en derde geïntimeerden, op 31 augustus 2010 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van vierde geïntimeerde, op 23 september 2010 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 11 juni 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis waarbij de eerste rechter:

- voor recht zegt dat er geen reden is om een aanvullend deskundigenonderzoek te bevelen;

- vatstelt dat huidige appellanten op heden geen vordering stellen tegen de heer M. D., niet meer in zaak voor het hof, en appellanten veroordeelt tot de gerechtskosten in hoofde van deze partij;

- de hoofd- en tussenvordering van huidige appellanten tegen eerste geïntimeerde (toen CVBA Brabantse Huisvestingsmaatschappij), tweede, derde en vierde geïntimeerden onontvankelijk verklaart in zoverre gegrond op de verborgen gebreken en artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, en ongegrond voor het overige;

- huidige appellanten veroordeelt tot de gerechtskosten in hoofde van eerste tot vierde geïntimeerden;

- de vordering in tussenkomst en vrijwaring van eerste geïntimeerde tegen tweede tot vierde geïntimeerden zonder voorwerp verklaart en de kosten van deze vordering ten laste legt van eerste geïntimeerde.

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering in te willigen, om dienvolgens voor zover nodig een "onderzoeksmaatregel" te bevelen, te weten de persoonlijke verschijning van appellanten en van de vertegenwoordigers van de eerste geïntimeerde.

Appellanten vragen dienvolgens geïntimeerden "in solidum, solidairlijk en de ene bij gebreke aan de andere" te veroordelen om aan hen 11.870 euro te betalen, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 12 augustus 1996, datum van het schadegeval en met de gerechtelijke rente, evenals 1.093,95 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest en alle gerechtskosten.

Appellanten vragen hen verder voorbehoud te verlenen voor een bijkomende schadevergoeding, en dit voor het geval de werken meer dan één maand in beslag zouden nemen, en tevens voor de post "opzoeken van het waterdichtingsmembraan + afkappen pleisterwerk", p.m., alsmede m.b.t. het te vervallen mingenot vanaf oktober 2006.

Appellanten vragen in ondergeschikte orde een bijkomende onderzoeksmaatregel te bevelen betreffende de omvang van het schadebedrag en aldus gerechtsdeskundige R. aan te stellen met de bijkomende opdracht advies uit te brengen aangaande de opmerkingen van technisch raadsman L. inzake de herstelkosten en -methode van de waterdichting, alsmede aangaande het door appellanten geleden mingenot, post die door de deskundige niet werd becijferd. In geval van aanstelling van gerechtsdeskundige R. vorderen appellanten reeds de veroordeling van geïntimeerden "solidairlijk, in solidum en de ene bij gebreke aan de andere" tot betaling van een provisie van 10.000 euro.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van de hogere beroepen, met veroordeling van appellanten tot betaling van de gerechtskosten. Er wordt geen incidenteel beroep ingesteld.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de omstandige uiteenzetting van de feiten en vorderingen in het bestreden vonnis, p. 3-7.

III. Bespreking

5. De eerste rechter oordeelde in de eerste plaats dat de door appellanten aangehaalde afwezigheid van cementering of intering van de buitengevel door appellanten gekend was op het ogenblik van de levering en de ingebruikname van de woning en in hoofde van appellanten zichtbare gebreken waren. Het wordt niet aangetoond dat de appellanten het herstel van deze zichtbare gebreken vόόr de levering hebben geëist nu de mededeling aan de BHM, thans de Gewestelijke Maatschappij voor Volkshuisvesting, van het verslag L. van oktober 1995 niet bewezen wordt.

De deskundige R. heeft tevens verborgen gebreken vastgesteld, o.m. het gebrek aan drainage aan de voet van de grondmuren en de gebrekkige isolatie van de binnenmuren in de niveauverschillen maar de vordering van appellanten desbetreffend is onontvankelijk nu zij niet binnen een korte termijn werd ingesteld. Alle vorderingen in vrijwaring van BHM tegen de aannemer en de architect zijn bijgevolg zonder voorwerp.

Verder verklaarde de eerste rechter de vordering van appellanten tegen de aannemer (vierde geïntimeerde) en de architecten (tweede en derde geïntimeerden) op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek onontvankelijk wegens verjaring, gelet op artikel 2262bis § 1, tweede alinea, van het Burgerlijk Wetboek.

Ten slotte werd de vordering tegen de aannemer en de architecten op grond van de tienjarige aansprakelijkheid ongegrond verklaard bij gebrek aan bewijs van enige aantasting van de stabiliteit van de constructie. In zover appellanten hun vordering zouden steunen op lichte verborgen gebreken, dan werd hun vordering kennelijk niet binnen een redelijke en nuttige termijn ingesteld. De aannemer en de architecten zijn, na de voorlopige en definitieve oplevering, niet gehouden wat zichtbare gebreken betreft.

1°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

6. Vierde geïntimeerde besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep in zover tegen haar gericht, bij gebrek aan motivering van de akte van hoger beroep.

Appellanten hebben in hun conclusie geen antwoord gegeven op deze exceptie en vragen gewoon hun hoger beroep ontvankelijk te verklaren.

7. De akte van hoger beroep verwijst naar de verslagen van deskundige L., technische raadsman van appellanten, waaruit zou blijken dat het litigieuze gebouw met zware constructieve gebreken behept is en dat geïntimeerden hiervoor dienen in te staan.

In die mate voldoet de akte van hoger beroep aan de voorwaarde dat zij, ook al op summiere wijze, de uiteenzetting van de grieven vermeldt, zoals gesteld bij artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk. De exceptie van vierde geïntimeerde is ongegrond.

2°. Ten gronde - Vordering tegen de verkoper

8. Appellanten beroepen zich in de eerste plaats op het bedrog dat door geïntimeerden zou zijn gepleegd bij het verlenen op 16 oktober 1995 van de voorlopige oplevering en op 16 oktober 1996 van de definitieve oplevering. Beide opleveringen vermelden immers geen enkele opmerking of voorbehoud dan wanneer geïntimeerden op de hoogte waren van precieze technische opmerkingen overgenomen in de verslagen van architect L. en ondanks de aanwezigheid van "onbetwistbare voor een professioneel in het oog springende, zichtbare constructieve gebreken" .

Appellanten besluiten dat deze opleveringen nietig zijn en alleszins in hun hoofde geen enkel verval van recht voor gevolg hebben kunnen hebben, o.m. wat de tienjarige aansprakelijkheid van aannemer en architecten betreft.

9. Het ingeroepen bedrog is, zoals door de eerste rechter terecht geoordeeld, op zich irrelevant in het onderzoek naar de toelaatbaarheid van de vordering van appellanten tegen de verkoper op grond van verborgen gebreken.

De verkoop werd afgesloten na ondertekening op 4 augustus 1995 van een "belofte van aankoop met uitgestelde betaling", op 1 november 1995 van een overeenkomst met machtiging (aan BHM) tot het woonklaar maken van het onroerend goed en, op 26 april 1996, van de authentieke akte van "verkoop met lening", verleden voor notaris Van den Moortel te Overijse.

Appellanten, kopers, verklaren dat zij al bij het verslag van architect L. van 24 oktober 1995 attent werden gemaakt op een reeks zichtbare gebreken en dat de woning in augustus 1996 zware schade leed wegens waterinfiltraties die opnieuw het voorwerp uitmaakten van een verslag d.d. 13 augustus 1996 van architect L., van briefwisseling met eerste geïntimeerde en van herstelwerken door de aannemer in oktober en november 1996 uitgevoerd.

Finaal hebben appellanten slechts vijf jaar later hun vordering ingesteld bij exploot van 3 mei 2001 en de eerste rechter heeft terecht vastgesteld dat de rechtsvordering niet werd ingesteld binnen een korte tijd zoals bij artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek bepaald, en zulks rekening houdende met alle concrete omstandigheden van de zaak. Het verlenen van de voorlopige en definitieve opleveringen heeft geen invloed op het instellen van de vordering tegen de verkoper op grond van koopvernietigende gebreken.

Appellanten betwisten niet op ernstige wijze de overschrijding van de korte termijn om hun rechtsvordering in te stellen.

10. Het is niet duidelijk of appellanten hun vordering tegen eerste geïntimeerde op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek blijven steunen.

In, zover appellanten een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in hoofde van BHM, thans eerste geïntimeerde, zouden ten laste leggen wegens bedrieglijk gedrag naar aanleiding van het verlenen op 16 oktober 1995 van de voorlopige oplevering en op 16 oktober 1996 van de definitieve oplevering, dan zou alleszins deze vordering verjaard zijn met toepassing van artikel 2262bis, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, meer bepaald na verloop van vijf jaar nadat appellanten kennis hadden van de schade en de identiteit van de daarvoor (mogelijke) aansprakelijke personen.

11. De vaststelling door de eerste rechter dat appellanten hun vordering, voor zover gesteund op lichte verborgen gebreken, niet binnen een redelijke termijn hebben ingesteld, kan gelet op de verlopen termijn van meer dan vijf jaar, niet ernstig worden betwist.

12. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zover het de oorspronkelijke vordering van appellanten tegen eerste geïntimeerde afwijst als onontvankelijk, respectievelijk ongegrond.

3°. Vordering tegen aannemer en architecten

13. Appellanten blijven nogal onduidelijk wat de rechtsgrond van hun vordering tegen de aannemer en de architecten betreft. Zij halen het bedrog aan dat de verleende opleveringen nietig zou maken. Zij verklaren hun tussenvordering tegen de architecten "te kunnen laten gelden op basis van artikel 1382 B.W., 1792 B.W. gelet op de onweerlegbare conceptiefouten en tekortkomingen bij deontologische toezicht- en controletaken" en tegen de aannemer "op basis van artikel 1382, 1792 B.W. wegens de ernstige tekortkomingen en schadeverwekkende gebreken bij uitvoering of niet-correcte uitvoering van waterkering en van de aan -aarding van de omliggende aarde van de woning bestaande uit verschillende niveaus".

14. De eerste rechter heeft terecht de verjaring vastgesteld van de vordering van appellanten tegen de aannemer en de architecten in zover gesteund op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Deze vordering verjaart immers door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (artikel 2262bis, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Zoals hierboven uiteengezet, heeft het verslag van architect L. van 24 oktober 1995 appellanten al attent gemaakt op een reeks zichtbare gebreken en heeft de woning in augustus 1996 schade geleden wegens waterinfiltraties die het voorwerp uitmaakten van een tweede verslag d.d. 13 augustus 1996 van architect L., van briefwisseling met eerste geïntimeerde en van herstelwerken door de aannemer in oktober en november 1996 uitgevoerd.

Appellanten hebben slechts bij exploot van 3 mei 2001 de eerste geïntimeerde gedagvaard in aanstelling van een gerechtsdeskundige en hebben pas bij hun conclusie voor de rechtbank neergelegd op 7 september 2006 een tussenvordering ingesteld tegen de aannemer en de architecten. Deze vordering is in zover gesteund op de quasi-delictuele aansprakelijkheid van deze partijen duidelijk verjaard.

Een beweerdelijk bedrieglijk gedrag van de aannemer en de architecten naar aanleiding van het verlenen op 16 oktober 1995 van de voorlopige oplevering en op 16 oktober 1996 van de definitieve oplevering kan, evenmin als de beweerde nietigheid van de opleveringen, enige invloed hebben op de verjaring van deze vordering. Er is te dezen geen sprake van bedrog in de uitvoering van de werken, gepleegd met de bedoeling te schaden .

15. Appellanten beroepen zich dan op de tienjarige aansprakelijkheid van de aannemer en de architecten.

In zover deze vordering betrekking heeft op lichte verborgen gebreken, die de stevigheid van het gebouw niet aantasten, heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat de vordering manifest niet was ingesteld binnen een redelijke termijn na ontdekking van de gebreken ; het hof verwijst naar de uiteenzetting in vorig randnummer over het verloop van de feiten.

16. Zoals hierboven aangestipt maken de werken het voorwerp uit van een voorlopige oplevering op 16 oktober 1995 en van een definitieve oplevering op 16 oktober 1996.

De vordering van appellanten tegen de aannemer en architecten werd op 7 september 2006 ingesteld, zijnde na het verstrijken van de tienjarige waarborgtermijn. Artikel 41, lid 2, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden, dat bij het bijzonder bestek VM B 93 toepasselijk wordt verklaard, bepaalt immers dat de aannemer aansprakelijk blijft gedurende tien jaar vanaf de voorlopige oplevering.

17. De stelling van appellanten dat de voorlopige oplevering wegens bedrog nietig moet worden verklaard kan niet worden bijgetreden.

Vooreerst vereist het bedrog dat de appellanten bedrieglijke manoeuvres in hoofde van de tegenpartijen bewijzen, en te dezen wordt dit bewijs niet geleverd. Appellanten halen ook ten onrechte de kennis aan in hoofde van aannemer en architecten van de inhoud van het eerste verslag van architect L. maar dit verslag werd slechts op 24 oktober 1995 opgesteld, anders gezegd acht dagen na de voorlopige oplevering. De aanwezigheid van appellanten of van hun vertegenwoordiger op deze voorlopige oplevering was niet vereist. De oplevering tussen geïntimeerden is regelmatig geschied.

De tienjarige vervaltermijn is dus op 16 oktober 1995 ingegaan en de vordering, op 7 september 2006 ingesteld tegen de aannemer en architecten, is laattijdig.

18. Ten overvloede: de aansprakelijkheid van de architect en de aannemer op grond van artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek veronderstelt dat de stevigheid van het gebouw of van een belangrijk deel ervan in het gevaar wordt gebracht.

Te dezen brengen appellanten geen enkel bewijs voor van een dergelijke situatie, vooral bijna 16 jaar na hun eerste klachten. Het hof verwijst naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter op dit punt.

Het hoger beroep is ongegrond.

19. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellanten, zijnde de in het ongelijk gestelde partijen.

De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.210 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellanten in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van henzelf op euro 1.396 (186 rolrecht + 1.210 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding. en

- in hoofde van tweede en derde geïntimeerden samen op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van vierde geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/09/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

Free keywords

  • Aannemer. Architect. Tienjarige aansprakelijkheid. Voorwaarden. Art. 1792 BW