- Arrêt of October 25, 2012

25/10/2012 - 2011-AR-3071

Case law

Summary

Samenvatting 1

Arrêt - Integral text

Hof van beroep

te Gent

11ter Kamer

________

Terechtzitting

van

25 oktober 2012

________

2011/AR/3071 - In de zaak van:

V............ M...................,

wonende te .......................................

appellante,

hebbende als raadsman mr. VANLERBERGHE Kurt, advocaat te 8600 DIKSMUIDE, Woumenweg 109

tegen:

V............... A..............,

wonende te ................................,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VAN DEN NOORTGATE Jan, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22

velt het hof het volgend arrest:

I. PROCESGANG

Bij appèlakte van 09 november 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 7 oktober 2011 werd verleend door de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, derde kamer.

De zaak werd voor het hof behandeld in openbare terechtzitting van 20 september 2012. Beide partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden.

De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien.

De laatste conclusies van de partijen, meer bepaald de conclusie van de appellante neergelegd ter griffie op 1 december 2011 en de conclusie van de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 15 februari 2012, nemen de vorm aan van syntheseconclusies.

Voor de toepassing van art. 780, 1ste lid, 3°, Ger.W. vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en tevens het verzoekschrift hoger beroep van de appellante (art. 748bis Ger.W.).

Het onderwerp van de vordering wordt uitsluitend bepaald door de syntheseconclusies (zie en vgl. Cass. 29.03.2012, http://jure.juridat.just.fgov.be , N-20120329).

De appellante legde ter terechtzitting een dossier neer volgens een inventaris, die 2 stukken vermeldt.

De geïntimeerde legde ter terechtzitting een dossier neer volgens een inventaris, die 3 stukken vermeldt.

II. RELEVANTE RETROACTA EN OMSCHRIJVING VAN DE VORDERINGEN

1.

Bepaalde voorgaanden zijn omstandig vermeld in het bestreden vonnis.

Bij vonnis van 15 januari 2010 deed de eerste rechter reeds uitspraak over de homologatie van de staat van vereffening en verdeling zoals opgesteld op 22 november 2005, mits enkele nader bepaalde aanpassingen. De partijen werden terug verwezen naar de boedelnotaris, namelijk notaris W.......... C................. met standplaats te L.............., voor de verdere afhandeling van de verrichtingen van vereffening en verdeling.

De appellante houdt voor dat dit vonnis op 19 maart 2010 werd betekend en in kracht van gewijsde is getreden. Zij wordt hierin niet tegengesproken door de geïntimeerde.

Resterende geschilpunten werden (opnieuw) aanhangig gemaakt door neerlegging ter griffie op 23 maart 2011 door voormeld notaris van zijn "Advies inzake vereffening-verdeling" van 28 februari 2011, samen met de preliminaria (voorgaanden).

2.

Bij het bestreden vonnis werd daarover als volgt beslist:

- de "zwarigheid" van de geïntimeerde werd ontvankelijk, toelaatbaar en deels gegrond verklaard;

- er werd bepaald dat de staat van vereffening-verdeling dient geactualiseerd te worden met de woonstvergoeding zoals voorzien in het proces-verbaal van advies van de notaris d.d. 28 februari 2011;

- de partijen werden terug verwezen naar de instrumenterende notaris voor de verdere afhandeling van de verrichtingen van de vereffening-verdeling;

- de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen werden gecompenseerd over de partijen.

3.

De appellante vordert voor het hof:

- de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ontoelaatbaar, minstens als onontvankelijk of als ongegrond;

- de staat van vereffening en verdeling van 22 november 2005 te homologeren, enkel voor zover deze aangepast werd aan het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper van 15 januari 2010;

- de aanvullende vorderingen over de woonstvergoeding en de intresten op deze woonstvergoeding integraal af te wijzen als onontvankelijk en ongegrond, minstens als ontoelaatbaar.

4.

De geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

De geïntimeerde vordert de veroordeling van de appellante tot een vergoeding van 1.500 EUR wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

De geïntimeerde vraagt de verwijzing van de appellante in de kosten van het geding in beide instanties,die hij begroot op telkens 1.320 EUR rechtsplegingsvergoeding, 139,62 EUR betekeningskosten en 19,95 EUR kosten uitgifte vonnis. Dit komt neer op een impliciet incidenteel beroep.

III. BEOORDELING

de ontvankelijkheid van de onderscheiden vorderingen in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. De geïntimeerde faalt in zijn overwegingen dat de akte van hoger beroep geen grieven zou vermelden. Enige schending van art. 1057, 7° Ger.W. is niet aangetoond.

Het impliciet incidenteel beroep van de geïntimeerde is eveneens regelmatig naar de vorm.

De hogere beroepen van beide partijen zijn ontvankelijk.

De tussenvordering van de geïntimeerde wegens tergend en roekeloos beroep is dit eveneens.

de ontvankelijkheid van de vorderingen van de geïntimeerde in eerste aanleg

De geïntimeerde stelde geen incidenteel beroep in tegen de afwijzing van zijn "zwarigheid" met betrekking tot de intresten op de woonstvergoeding, die werd afgewezen als ongegrond.

De appellante beoogt evenwel deze vordering, zoals ook deze met betrekking tot de actualisering van de woonstvergoeding, in hoger beroep als ontoelaatbaar en onontvankelijk te doen afwijzen, dit evenwel tevergeefs.

Het hof verwijst mutatis mutandis naar dezelfde redengeving als deze die wordt weerhouden voor de toelaatbaarheid, ontvankelijkheid van de vordering tot actualisering van de woonstvergoeding, zoals hierna uiteengezet. Dezelfde redengeving wordt hernomen (in het bijzonder deze sub punt 5).

de actualisering van de woonstvergoeding

1.

De appellante houdt voor dat het vonnis van 15 januari 2010 niet beroepen is en dat erin is berust. Nadien konden, volgens haar argumentatie, door de notaris geen (nieuwe) "zwarigheden", vorderingen meer worden geformuleerd, meer bepaald in dit geval wat de actualisering van de woonstvergoeding betreft.

De woonstvergoeding is de vergoeding die de (ex-)echtgenoot, die exclusief in de woning verblijft, verschuldigd is tot aan de vereffening en verdeling.

In genoemd vonnis stelde de eerste rechter vast dat de begroting van de door de appellante verschuldigde woonstvergoeding met akkoord van de partijen door de notaris ex aequo et bono werd geraamd. In de staat van vereffening en verdeling van 22 november 2005 weerhield de notaris in clausule 10 het bedrag van gemiddeld (zoals van Belgische frank omgezet in EUR) 371,84 EUR, verschuldigd vanaf 14 juni 1999. Tot en met 31 december 2005 werd deze vergoeding toen begroot op 29.189,46 EUR en aldus in het te verdelen actief opgenomen.

Beide partijen formuleerden bezwaar. De appellante wenste de afwijzing van deze post en de geïntimeerde aanvaardde het bedrag niet en wenste een schatting door een deskundige.

De appellante steunde haar vraag tot afwijzing van de woonstvergoeding op de overwegingen dat in de procedures waarin haar onderhoudsvordering werd behandeld (voor de vrederechter en nadien in kort geding) reeds rekening zou gehouden zijn met de omstandigheid dat zij in de echtelijke woning verbleef.

2.

De eerste rechter heeft deze bezwaren in het vonnis van 15 januari 2010 niet gegrond verklaard. Met betrekking tot de redengeving van de appellante stelde hij vast dat uit de bewoordingen van de gerechtelijke uitspraken niet kan worden afgeleid in welke mate effectief rekening werd gehouden met het voordeel van de exclusieve bewoning bij de begroting van het verschuldigde onderhoudsgeld. Tevens stelde de eerste rechter vast dat de notaris het niet ernstig vond dat werd teruggekomen op de afspraak tussen de partijen om hem de woonstvergoeding ex aequo et bono te laten begroten.

3.

Dit vonnis van 15 januari 2010 "homologeert" de vereffeningsstaat van 22 november 2005 mits aanpassingen en verwijst de partijen terug naar de boedelnotaris voor de verdere afhandeling van de verrichtingen van vereffening en verdeling.

Overeenkomstig art. 1223 Ger.W. heeft de rechter echter maar twee opties. Hij homologeert zonder meer de staat of hij verzendt hem naar de notaris voor aanpassingen. De verzending van de staat naar de notaris voor aanpassingen is eigenlijk niet verenigbaar met een homologatie.

Desalniettemin is het hof gebonden door het gezag van gewijsde van desbetreffend vonnis. De appèlvordering van de appellante is derhalve alvast ongegrond in zoverre zij ertoe strekt de staat van vereffening-verdeling van 23 november 2005 (andermaal) te "homologeren", zij het enkel voor zover deze aangepast werd aan het vonnis van 15 januari 2010. De "homologatie" van desbetreffende staat werd immers reeds uitgesproken (ongeacht de niet meer relevante vaststelling in rechte dat dit eigenlijk niet mogelijk was).

De vereffeningsstaat van 22 november 2005 berekende de woonstvergoeding tot 31 december 2005 en bepaalde in fine (als algemene slotoverweging) dat de goedkeuring of de homologatie ervan volledige afstand en ontlasting meebrengt.

Wegens het tijdsverloop na 31 december 2005 (ingevolge de duur van de vereffeningsprocedure) vroeg de geïntimeerde echter bijkomend een woonstvergoeding, wat volgens hem niet meer dan logisch is.

De boedelnotaris huldigt (bij brief van 7 december 2010) zelf het standpunt dat het bedrag van de woonstvergoeding dient "geactualiseerd" te worden en verwijst daarvoor naar gezaghebbende rechtsleer (V.........S.............., T, Handboek gerechtelijke verdeling, L............. 2010, p. 268-269, welk extract hij toevoegde aan zijn advies van 28 februari 2011). Deze actualisatie beperkt zich in dit geval tot het verder aanrekenen van de woonstvergoeding tot aan de effectieve afwikkeling van de vereffening en verdeling.

4.

In het bestreden vonnis gaat de eerste rechter terecht deze economische en juridische werkelijkheid niet uit de weg. 31 december 2005 was een virtuele datum voor de vereffening, die echter niet werd gerealiseerd. De woonstvergoeding is in principe verschuldigd zolang de bezetting duurt of tot aan de effectieve afsluiting van de vereffening en verdeling en de kwijting van de oplegsom.

De appellante geeft concreet geen bijzondere reden op waarom zij na 31 december 2005 geen woonstvergoeding meer verschuldigd zou zijn terwijl de vereffening en verdeling nog niet was afgerond en zij de woning bewoonde. De appellante voert aldus geen argumenten ten gronde aan tegen een actualisatie van de woonstvergoeding.

5.

De partijen bereikten geen overeenstemming over de (verdere) aanrekening van de woonstvergoeding. De notaris heeft derhalve correct gehandeld door op 28 december 2010 een "Akte van vaststelling van geschilpunten" op te maken (met in bijlage een geactualiseerde eindafrekening) en op 24 januari 2011 een "Proces-verbaal van opmerkingen" van de partijen op te maken. Bij akte van 28 februari 2011 formuleerde de notaris tenslotte zijn "Advies inzake vereffening-verdeling" ten behoeve van de rechtbank en legde zijn volledig dossier op 23 maart 2011 neer ter griffie.

Onder verwijzing naar het proces-verbaal van zwarigheden van 14 maart 2006 aangaande de staat van vereffening en verdeling van 22 november 2005 is de appellante van mening dat de actualisatie van de woonstvergoeding niet meer door de geïntimeerde op een ontvankelijke wijze kan/kon worden voorgelegd als een nieuwe vordering.

De berekening door de notaris van de woonstvergoeding tot 31 december 2005 stond enkel in functie van de virtuele datum van de afhandeling van de staat van 22 november 2005. Deze hypothetische berekening kan niet beschouwd worden als bindend. Wat onbetwistbaar vastligt is louter het basisbedrag van de woonstvergoeding per maand.

Het verder berekenen van de woonstvergoeding in een toekomstige eindstaat van vereffening en verdeling is geen omstandigheid die door de geïntimeerde anticipatief als zwarigheid had moeten meegenomen worden in het proces-verbaal van zwarigheden van 14 maart 2006.

De loutere aanpassing door de notaris van de berekening naar een nieuwe einddatum is een geoorloofde handeling van administratieve aard. Aan de reeds vastgelegde begroting van de woonstvergoeding per maand werd niets gewijzigd.

In de uitvoeringsfase van de vereffening-verdeling dienen de partijen bovendien nog de kans krijgen om hun resterende discussies -ter zake in het bijzonder over de actualisering van de woonstvergoeding- nog voor te leggen aan de rechtbank, c.q. het hof.

6.

De eerste rechter verklaarde terecht de vordering tot actualisering van de woonstvergoeding -die geen nieuwe "zwarigheid" in de strikte zin is in casu (in onderhavige zaak)- ontvankelijk, toelaatbaar en (deels) gegrond.

De terugverwijzing van de partijen naar de notaris houdt in dat deze andermaal de berekening van de woonstvergoeding kan verlengen tot aan de definitieve uitbetaling.

de tussenvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep

De redenen die de geïntimeerde aanhaalt om van een tergend en roekeloos hoger gewag te maken hebben voornamelijk betrekking op nevengebeurtenissen, meer in het bijzonder zijn gezondheidstoestand en de afrekening van het onderhoudsgeld waardoor de appellante de afhandeling zou rekken. Deze omstandigheden zijn niet het voorwerp van huidig geding.

Het is niet omdat de appellante naar recht faalt dat het tergend en/of roekeloos karakter zou blijken van haar handelwijze.

Het instellen van hoger beroep is de uitoefening van een recht dat slechts een ongeoorloofde daad wordt en aldus recht geeft op schadevergoeding indien dit gebeurt met roekeloosheid, boosaardigheid of kwade trouw die niet wordt vermoed doch bewezen moet worden.

Dergelijk bewijs ligt niet voor zodat de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep als niet gegrond moet worden afgewezen. De geïntimeerde bewijst niet dat de appellante te kwader trouw hoger beroep aantekende en zich omtrent de draagwijdte van haar hoger beroep niet kon vergissen. Het hoger beroep gaat om een juridisch-technisch incident dat de appellante beslist aan het oordeel van het hof mocht onderwerpen.

de gedingkosten

De eerste rechter heeft passend geoordeeld.

De kosten van deze instantie blijven ten laste van de partij die ze heeft uitgezet, gelet op het wederzijds ongelijk.

Om dezelfde reden kunnen de rechtsplegingsvergoedingen over de partijen ook in hoger beroep worden omgeslagen.

Het hof wijst de andersluidende conclusies van de hand als overbodig of ter zake niet dienstig of ontoereikend.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;

verklaart het principaal en incidenteel beroep ontvankelijk;

verklaart het principaal beroep zoals hierna volgt gegrond;

wijst het incidenteel beroep af als niet gegrond;

doet het bestreden vonnis teniet in zoverre de "zwarigheid" van de geïntimeerde met betrekking tot de intresten op de woonstvergoeding ontvankelijk en toelaatbaar werd verklaard;

doet het bestreden vonnis teniet in zoverre de "zwarigheid" van de geïntimeerde met betrekking tot de actualisering van de woonstvergoeding ontvankelijk, toelaatbaar en deels gegrond werd verklaard;

wijst desbetreffend opnieuw als volgt;

verklaart de vordering van de geïntimeerde tot toekenning van interesten op de woonstvergoeding toelaatbaar en ontvankelijk;

verklaart de vordering van de geïntimeerde tot actualisering wat betreft de woonstvergoeding toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond;

bevestigt voor het overige het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep;

verstaat derhalve dat de staat van vereffening enkel mag geactualiseerd worden wat betreft de woonstvergoeding (zonder interesten) zoals voorzien in het proces-verbaal van advies van de boedelnotaris van 28 februari 2011;

verstaat ook dat de boedelnotaris in die zin de verdere uitvoering van de vereffeningsstaat zal verrichten;

verklaart de tussenvordering van de geïntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk;

wijst deze tussenvordering af als niet gegrond;

verwijst elke partij in de eigen kosten in hoger beroep en slaat de rechtsplegingsvergoedingen in deze aanleg om over de partijen, één en ander niet nuttig te begroten;

zegt voor recht dat art. 1024 Ger.W. onverminderd geldt.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ELFDE TER KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 25 oktober 2012.

Aanwezig:

Sabine De Bauw, kamervoorzitter

Stefaan De Backer, griffier

Free keywords

  • Vereffening-verdeling