- Arrêt of November 9, 2012

09/11/2012 - 2010-AR-2992

Case law

Summary

Samenvatting 1

"Een bij overeenkomst verboden overdracht van schuldvordering verhindert niet dat een derde te goeder trouw de geldigheid en tegenstelbaarheid van de cessie inroept tegenover de gecedeerde schuldenaar. Een gecedeerde schuldenaar kan wel de excepties en verweermiddelen tegenwerpen die hij tegenover de overdrager, zijn oorspronkelijke schuldeiser, kon doen gelden voor zover deze inherent zijn aan de schuldvordering of verband houden met haar totstandkoming, in casu de onderliggende aannemingsovereenkomst."


Arrêt - Integral text

Hof van beroep

te Gent

16 Kamer

________

Terechtzitting

van

09 november 2012

________

2010/AR/2992 - In de zaak van:

CORDEEL ZETEL TEMSE N.V., met zetel te 9140 TEMSE, Eurolaan 7, ingeschreven in de KBO onder nummer 0405.013.602,

appellante,

hebbende als raadsman mr. IVENS Anne-Marie, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, De Meulenaerstraat 29

tegen:

D-CENTER B.V.B.A., voorheen met maatschappelijke zetel te 2830 WILLEBROEK, De Veert 13 Unit 007, thans gevestigd te 1731 Relegem, Poverstraat 90/A1.1 en ingeschreven in de KBO ondernummer 0453.843.994,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. KOSLOWSKI Emmanuel, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Breedstraat 1bus 22

wordt het volgend arrest gewezen:

Het hof heeft kennis genomen van het vonnis gewezen op 18 mei 2010 door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, derde kamer.

Tegen dit vonnis werd tijdig en geldig hoger beroep en incidenteel beroep ingesteld.

De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands.

Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.

1.

Op 15 februari 2008 werd een onderaannemingsovereenkomst afgesloten tussen n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE als hoofdaannemer en b.v.b.a. BOUWBEDRIJF FADERI als onderaannemer en dit betreffende een werf (GALLINZGO) gelegen te Gent, Poelsnepstraat (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 1).

In voornoemde overeenkomst was onder ART. Q de hiernavolgende onoverdraagbaarheidsclausule opgenomen:

" De contractant, leverancier of onderaannemer kan onder geen enkel beding zijn vordering t.o.v. de nv Cordeel-Zetel Temse, ontstaan uit levering van goederen, diensten en/of werken, overdragen, verpanden, verdisconteren, enz.

In het kader van de handelspandwet (art. 1690 lid 2 B.W.- 5 mei 1872) zal er dus nooit tegenstelbaarheid kunnen ontstaan t.o.v. een derde, buiten contractuele, pandhoudende schuldeiser, naar de nv Cordeel-Zetel Temse."

Op 10 februari 2009 droeg n.v. FADERI drie facturen over aan b.v.b.a. D-CENTER, facturen opgemaakt lastens n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE (dossier/b.v.B.a. D-CENTER, stukken onder 1 en 2).

Bij schrijven van 10 februari 2009, ontvangen op 11 februari 2009, werd n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE in kennis gesteld door b.v.b.a. D-CENTER van het feit dat er ten hare gunste een overdracht van schuldvordering had plaatsgevonden voor onbetaald gebleven facturen, groot 399.113,41 EUR:

" Wij zijn schuldeisers van de NV Faderi, met vennootschapszetel gevestigd te 9031 Drongen, industriepark 5 en dit uit hoofde van diverse onbetaalde facturen voor een totaal bedrag van euro 399.113,41.

Conform artikel 1689 en volgende van het burgerlijk wetboek werd de schuldvordering van de NV Faderi op uw vennootschap NV Cordeel aan ons overgedragen.

Volgende facturen maken het voorwerp van deze overdracht :

 factuurnr. 800190 d.d. 15 december 2008 ten bedrage van euro 67.147,16

 factuurnr. 900004 d.d. 12 januari 2009 ten bedrage van euro 38.895,93

 factuurnr. 900031 d.d. 30 januari 2009 ten bedrage van euro 73.607,24

De overdracht van schuldvordering geldt voor het bedrag van euro 179.650,33-honderdnegenenzeventigduizend zeshonderdvijftig Euro drieëndertig Eurocent.

Wij verzoeken u deze bedragen op de respectievelijke vervaldagen over te schrijven op onze rekening nr. 435-8037771-43 met vermelding van het factuurnummer. "(dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 3).

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, eerste kamer, d.d. 20 februari 2009 werd het faillissement van n.v. BOUWBEDRIJF FADERI vastgesteld, de publicatie hiervan geschiedde in het Belgisch Staatsblad van 2 maart 2009 (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 2).

Op 18 maart 2009, dus na het vaststellen van het faillissement van b.v.b.a. FADERI, werd deze laatste niettemin nog aangetekend in gebreke gesteld door n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE met als reden de opmaak van een schuldvordering :

"- Volgens contract tssn BH en AA dienden de gemeenschappelijke delen opleverbaar te zijn op datum van 16/02/2009. Door toedoen van uw firma hebben wij niet kunnen overgaan tot een VO, dit heeft als gevolg dat BH ons een boete toekent van 250,00 euro/kalenderdag/wooneenheid. De VO van de gemeenschappelijke delen is momenteel gepland op datum van 24 april 2009. Maw er is een vertraging van 68 kalenderdagen.

- De overgedragen facturen naar uw leverancier zijn incl. de stelling. Door deze nalatigheid zijn de eventuele kosten van uw leverancier gedekt doch dienen wij 2 keer de stelling te betalen, kostenraming voor het herplaatsen van de stelling bedraagt voor CLUSTERS B-C-D =)2219,81 m² x 5,00 euro/m²(dit volgens de contractuele overeenkomst tssn FADERI/CORDEEL) = 11.099,05 euro excl BTW

- Volgens de genotuleerde opmerkingen (cfr verslagen van SCICON)- waarvan FADERI steeds een copij heeft mogen ontvangen-blijkt, dat er vrij zware gebreken werden vermeld qua uitvoering waarbij FADERI blijkbaar niet de intentie had/heeft om deze gebreken op te lossen. Door deze gebrekkige uitvoering van uwentwege zijn er extra kosten die wij noodzakelijker wijs dienen door te sturen naar FADERI/CURATOR mr. J......... Kostenraming voor wat betreft de clusters C en D bedraagt: 27.730,44 euro excl BTW.

- De door u opgemaakte facturen zijn niet conform de contractuele voorwaarden, in onze overeenkomst, dit volgens artikel E, wordt er duidelijk overeengekomen dat alle facturen gelinkt dienen te worden aan een goedgekeurde vorderingsstaat. Volgens uw laatste factuur die wij met de post mochten ontvangen op datum van 12/02/2009 tbv 73.607,24 is naar ons inziens geen correcte weergave van de feiten gezien de hierboven vermelde punten, maw de overgedragen facturen zijn naar ons inziens ten onrechte gecedeerd. " (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 5).

N.v. CORDEEL ZETEL TEMSE ging niet over tot betaling van de gecedeerde facturen waarop b.v.b.a. D-CENTER tot dagvaarding overging in invordering van deze nog openstaande facturen.

2.

Primordiale en blijvende betwisting tussen partijen betreft nog steeds de mogelijkheid tot overdracht van schuldvordering, haar tegenwerpelijkheid en de daaruit voortvloeiende afrekening tussen partijen.

2.1.

In de regel is het zo dat voortaan uit artikel 1690, lid 1 B.W. blijkt dat de cessie vanaf haar totstandkoming en zonder naleving van vormvoorschriften aan derden kan worden tegengeworpen. De tegenwerpelijkheid aan derden is dus in de regel vormvrij gemaakt en indien er conflicten zouden rijzen tussen de overdrager of de overnemer enerzijds en derden anderzijds zal in de regel de datum van overdracht beslissend zijn.

Krachtens de bepaling van artikel 1690, lid 2 B.W. kan de overdracht slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. De kennisgeving of erkenning van cessie volstaat dus, een betekening is niet langer vereist.

Het begrip "kennisgeving" aan de gecedeerde schuldenaar moet worden begrepen als "het mededelen aan de schuldenaar", wat overeenstemt met de gebruikelijke betekenis van kennisgeving of mededeling.

In beginsel zijn alle schuldvorderingen vatbaar voor overdracht maar de onoverdraagbaarheid kan echter voortvloeien uit de wet, de overeenkomst of de aard zelf van de schuldvordering.

Een conventioneel cessieverbod is dus steeds mogelijk : partijen kunnen steeds overeenkomen of bedingen dat een schuldvordering die tussen hen ontstaat niet vatbaar zal zijn voor overdracht aan een derde, wat in onderhavige zaak duidelijk het geval was in de overeenkomst aangegaan tussen hoofdaannemer n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE enerzijds en n.v. FADERI anderzijds : " De contractant, leverancier of onderaannemer kan onder geen enkel beding zijn vordering t.o.v. de nv Cordeel-Zetel Temse, ontstaan uit levering van goederen, diensten en/of werken, overdragen, verpanden, verdisconteren, enz...."

Een dergelijk conventioneel verbod van overdracht van schuldvordering geldt echter enkel tussen de partijen en kan de positie van een derde-overnemer te goeder trouw niet aantasten.

Uit niets blijkt immers dat b.v.b.a. D-CENTER dit cessieverbod kende of behoorde te kennen en er worden geen elementen aangereikt door n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE die haar goede trouw zou kunnen in twijfel trekken.

N.v. CORDEEL ZETEL TEMSE kan het conventioneel verbod van overdracht in haar contractuele relatie met n.v. FADERI niet tegenwerpen aan b.v.b.a. D-CENTER zodat, nu aan de vereiste van de kennisgeving is voldaan, de overdracht of cessie haar wel degelijk tegenstelbaar is.

Belangrijk hierbij is, dat waar partijen in hun besluiten argumenteren over de al dan niet "erkenning" van de overdracht door de gecedeerde schuldenaar, dit terzake van geen belang is vermits artikel 1690, lid 2 B.W. voor de tegenwerpelijkheid van de cessie enkel vereist dat de overdracht ter kennis wordt gebracht aan de gecedeerde schuldenaar OF door deze laatste (impliciet of uitdrukkelijk) wordt erkend.

Bovendien heeft n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE de oudste factuur voorbehoudloos aan b.v.b.a. D-CENTER betaald zodat, minstens stilzwijgend, zij mag geacht worden afstand te hebben gedaan van deze onoverdraagbaarheidsclausule.

De schuldoverdracht is in onderhavig geding geldig en tegenstelbaar en kan als feitelijk gegeven door de gecedeerde schuldenaar, n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, niet worden betwist.

2.2.

De overdracht van schuldvordering heeft tot gevolg dat in de rechtsband tussen overdrager en schuldenaar de plaats van de overdrager wordt ingenomen door de overnemer. De rechtsband bestaat nu tussen overnemer en schuldenaar, maar blijft verder onaangeroerd door de cessie.

Dit alles betekent dat de gecedeerde schuldenaar aan de overnemer alle excepties en verweermiddelen kan tegenwerpen die hij tegen de overdrager, zijn oorspronkelijke schuldeiser, kon doen gelden. Nu de schuldenaar zich ten aanzien van een bepaalde schuldeiser heeft verbonden mag hij (behoudens akkoord) niet in een slechtere positie worden geplaatst wanneer zijn schuldeiser, ingevolge een cessie buiten de schuldenaar om, vervangen wordt door een nieuwe schuldeiser.

Deze tegenwerpelijkheid van excepties geldt enkel voor de excepties die inherent zijn aan de schuldvordering of die verband houden met haar totstandkoming.

Zo stoelen het recht op ontbinding, het recht op het inroepen van de exceptie van niet-uitvoering op de onderlinge afhankelijkheid van de wederkerige verbintenissen van partijen, zijn ze eigen aan het wezen zelf van de wederkerige overeenkomst zodat ze al voor de niet-uitvoering en voor de overdracht van schuldvordering bestaan, los van het ogenblik waarop de wanprestatie kan worden ingeroepen.

In dat verband stelt het hof vooreerst vast dat de oudste gecedeerde factuur nr. 800910 d.d. 15/12/08 ten bedrage van 67.147,16 EUR voorbehoudloos door n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE werd betaald zodat zij naderhand geen excepties meer kan opwerpen of verweer voeren met betrekking tot deze door haar betaalde factuur.

Waar haar hoger beroep strekt tot terugbetaling van dit bedrag , is dit ongegrond. Wat de inhoudingsplicht betreft (waardoor zij meent minstens de helft van dit bedrag te kunnen recupereren) betreft dit een verplichting in haar hoofde waaromtrent het hof geen uitspraak dient te doen en komt het desgevallend aan n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE toe om dienaangaande de bij wet vereiste handelingen te stellen.

Haar oorspronkelijke vordering tot teruggave van dit bedrag, zelfs voor de helft, is dan ook ongegrond.

2.3.

In tegenstelling tot wat b.v.b.a. D-CENTER voorhoudt, is het feit van de betaling van deze oudste factuur geen argument om te stellen dat de andere facturen dan ook mogen worden geacht als te zijn aanvaard temeer nu, zeker in een dynamisch gebeuren als het aannemingsrecht, zich verschillende ontwikkelingen en evoluties kunnen voordoen die maken dat de ene factuur, slaande op bepaalde werken, wel gegrond is en de andere, betrekking hebbende op andere werken, dan weer niet gegrond is.

Zoals hiervoor gesteld dient het hof wel degelijk de tegen deze facturen ingeroepen excepties en verweer te onderzoeken, uiteraard voor zover ze onlosmakelijk zijn verbonden met het wezen en bestaan van de onderliggende aannemingsovereenkomst, en deze in dat geval dus wel degelijk ten aanzien van b.v.b.a. D-CENTER kunnen worden ingeroepen. De cessie kan immers nooit veroorzaken dat de toestand of positie van de gecedeerde schuldenaar wordt gewijzigd en de rechten en plichten die oorspronkelijk in hoofde van de overlater berustten, zouden anders komen te vervallen door het gegeven van deze overdracht an sich.

N.v. CORDEEL ZETEL TEMSE verwijst naar haar protest van 18 maart 2009 dat zij richtte aan b.v.b.a. FADERI, dit ondanks de ondertussen gerealiseerde overdracht, en dit dus niet richtte aan b.v.b.a. D-CENTER (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 5). Het protest had wel betrekking op de drie gecedeerde facturen maar kan bij onderzoek naar de gegrondheid ervan uiteraard enkel en alleen betrekking hebben op de facturen van 12 en 30 januari 2009 vermits de oudste factuur, zoals hiervoor werd uiteengezet, integraal werd voldaan.

Het protest komt hierop neer:

 b.v.b.a. FADERI zou voor vertraging in uitvoering hebben gezorgd met alle schade tot gevolg;

 het tweemaal betalen van de stelling;

 zware gebreken ingevolge gebrekkige uitvoering met schade tot gevolg;

 het feit dat er geen vorderingsstaten werden opgemaakt zoals contractueel voorzien;

Wat deze laatste grief betreft, stelt het hof vast dat deze niet werd geformuleerd bij de voorbehoudloze betaling van de oudste factuur zodat mag worden aangenomen dat n.V. CORDEEL ZETEL TEMSE, minstens impliciet, aan deze contractuele verplichting van haar onderaannemer had verzaakt.

N.v. CORDEEL ZETEL TEMSE stelt wel dat zij door toedoen van de werken uitgevoerd door b.v.b.a. FADERI schade zou hebben geleden maar bewijst dit niet.

Het volstaat niet om te verwijzen naar haar onderliggende overeenkomst met de bouwheer of naar tussentijdse verslagen nu zij, op het einde van de rit, niet aantoont dat er alsdan wel degelijk vertraging werd opgelopen die door de bouwheer ook effectief in rekening werd gebracht.

Onder haar stuk 12 legt zij processen-verbaal van voorlopige oplevering voor maar buiten het gegeven dat blijkbaar de verschillende woonblokken afzonderlijk en op verschillende tijdstippen werden opgeleverd, bewijst dit op zich niet dat er een duidelijke aan b.v.b.a. FADERI toerekenbare vertraging kan worden verweten die achteraf door de bouwheer lastens n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE werd bestraft (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stukken onder 12).

Onder haar stuk 8 brengt n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE werfverslagen voor van 31 december 2008, 10 februari 2009 en 16 maart 2009 waaruit inderdaad blijkt dat er naar aanleiding van de gedane rondgangen tekortkomingen/gebreken werden weerhouden. Deze verslagen zijn tegensprekelijk vermits ook de werkenemers van b.v.b.a. FADERI telkens aanwezig waren.

Het betreft hier eerder evenwel een kwaliteitscontrole uitgevoerd door b.v.b.a. SCICON WORLDWIDE, een vennootschap aangesteld door b.v.b.a. D-CENTER omdat die verantwoordelijk was voor de keuze van het materiaal en de wijze waarop hiermee

werd gewerkt, deze kwaliteitsonderzoeker rapporteerde ook rechtsreeks aan b.v.ba. D-CENTER.

In deze verslagen gaat het telkens over kwaliteitspunten, aandachtspunten, zaken die moeten verbeterd worden, slordige uitvoering, esthetische overwegingen en raadgevingen naar uitvoering toe.

Ook hier betreft het dus telkens opmerkingen lopende de uitvoering van de bouwwerken maar noch uit de voorlopige oplevering noch uit een ander stuk kan worden afgeleid dat uiteindelijk met deze aandachtspunten geen rekening werd gehouden. Méér zelfs de processen-verbaal van voorlopige oplevering waarvan hiervoor sprake bevatten geen enkele opmerking en werden telkens ondertekend door de betrokken bouwactoren onder de vermelding : " zich ter plaatse begeven en vastgesteld dat alle werkzaamheden waarop dit PV van VOORLOPIGE OPLEVERING betrekking heeft, in die mate zijn uitgevoerd dat kan overgegaan worden tot de VOORLOPIGE OPLEVERING DER WERKEN. De werken zijn uitgevoerd conform het verkoopslastenboek en de contractuele voorwaarden. Deze oplevering heeft tot doel het overdragen van de gemeenschappelijke delen. " (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 12).

Deze argumentatie kan dan ook niet worden weerhouden om niet tot betaling van de facturen te moeten overgaan.

3.

Ondergeschikt meent n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE dat indien de openstaande facturen toch zouden zijn verschuldigd, deze alleszins dienen te worden verminderd met de hiernavolgende bedragen.

3.1.

Vooreerst wijst zij op de in artikel L voorziene contractuele schadevergoeding ingevolge faillissement die zij begrootte op 51.935,00 EUR en waarvoor de rechter een bedrag van 500,00 EUR toekende.

Deze bepaling luidt als volgt :

" 1. De aannemer heeft het recht de overeenkomst op te zeggen of te verbreken zonder dat de onderaannemer hiervoor enige vergoeding kan vragen in volgende gevallen :

a. bij laattijdigheid zoals voorzien in art G

b. bij onvakkundige uitvoering zoals voorzien in art. H

c. wanneer over de onderaannemer onloochenbare berichten in omloop zijn in verband met de kwaliteit van zijn werk, zijn solvabiliteit, snelheid van uitvoering e.d.

2. De onderaannemer heeft nooit het recht de onderaannemingsovereenkomst op te zeggen of te verbreken. Ingeval de onderaannemer toch de overeenkomst niet volledig zou nakomen zal deze aan de hoofdaannemer een vergoeding dienen te betalen van 15 % van de globale contractprijs, onverminderd de clausules die van toepassing zijn op de uitvoeringstermijn. (zie art G)" (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 1).

Het hof merkt op dat waar voornoemd schadebeding weliswaar geoorloofd is, zij in haar uitvoering of uitoefening tot rechtsmisbruik kan aanleiding geven. Bij een strikte toepassing van deze bepaling zou dit immers betekenen dat wanneer een werk bijna voltooid is, er misschien nog voor enkele euro's werken dienen te worden uitgevoerd, de bedinger steeds de volle schadevergoeding zou kunnen eisen.

N.v. CORDEEL ZETEL TEMSE blijft overigens vaag en onduidelijk over de stand van werken op het ogenblik dat b.v.b.a. FADERI in faling is gegaan.

Overeenkomstig artikel 1231 §1 B.W. kan de rechter ambtshalve, of op verzoek van de schuldenaar, de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden, het betreft hier het matigingsrecht waarvan de eerste rechter toepassing heeft gemaakt door het bedrag te herleiden van 620.400,00 EUR naar 500,00 EUR.

Het hof is daarentegen de mening toegedaan dat n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE door op nogal arbitraire wijze, zonder enige nadere motivering, toepassing te maken van het op zich geoorloofd contractueel schadebeding, zich aan een abusievelijke uitoefening van haar recht schuldig maakt.

De sanctie van het misbruik bij de uitoefening van contractuele rechten bestaat in het opleggen van de normale uitoefening ervan of in het herstel van de schade ten gevolge van dat misbruik en wanneer de abusieve rechtsuitoefening betrekking heeft op de toepassing van een contractueel beding, het herstel erin kan bestaan dat aan de schuldeiser het recht wordt ontzegd om op dat beding een beroep te doen.

Op dit punt is het hoger beroep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond nu het hof van oordeel is dat deze door n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE gevorderde schadepost ongegrond is.

3.2.

N.v. CORDEEL ZETEL TEMSE beroept zich tenslotte op facturen van een andere aannemer om een herstelkost te vorderen van 97.343,54 EUR, zijnde een samengesteld bedrag van de herstellingen van de blokken B,C en D (24.889,84 EUR + 22.470,20 EUR + 39.600,00 EUR).

De eerste factuur van V........., ten bedrage van 99.058,48 EUR, vermeldt enkel "uitgevoerde isolatiewerken en pleisterwerken" aan de blokken B,C en D zodat de daarin opgenomen bedrage van 24.889,84 EUR, 22.474,20 EUR en 39.600,00 EUR niet onmiddellijk te relateren zijn aan "herstelkosten" maar eerder verwijzen naar nog uit te voeren of verder te zetten werken (dossier/n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE, stuk 9).

Op de tweede factuur zijn wel herstelkosten opgenomen voor een bedrag van 3.630,00 EUR + 4.230,00 EUR + 2.519,00 EUR of samen 10.379,50 EUR die ook te relateren zijn aan de reeds hiervoor aangehaalde kwaliteitsrapporten van b.v.b.a. SCICON zodat dit bedrag kan worden weerhouden en het hoger beroep wat deze grief betreft, gegrond is.

Het hof kan zich verder aansluiten bij de motivering van de eerste rechter dat de overige herstellingen slechts correcties betroffen en hiervoor in billijkheid een vergoeding van 2.500,00 EUR kan worden toegekend.

Tenslotte, wat de aangerekende bedragen betreft voor de stellingen, is in de onderaannemingsovereenkomst destijds afgesloten tussen n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE en b.v.b.a. FADERI inderdaad onder artikel 4 voorzien dat de bovenstaande prijzen INCLUSIEF de materialen en stellingen waren zodat deze niet als EXTRA konden en mochten in rekening worden gebracht.

Het bij factuur d.d. 15 december 2008 aangerekend bedrag van 900,00 EUR en de bij factuur d.d. 30 januari 2009 aangerekende bedragen van 3.600,00 EUR zijn dan ook ongegrond (dossier/b.v.b.a. D-CENTER, stukken 1 en 5).

Op dit punt is het hoger beroep gegrond.

4.

Op incidenteel beroep vraagt b.v.b.a. D-CENTER dat haar oorspronkelijke vordering zou worden toegekend, dus zonder de bedragen in mindering te brengen zoals weerhouden door de eerste rechter.

Buiten het bedrag van 500,00 EUR waarvoor het incidenteel beroep gegrond is, zijn er wel degelijk in mindering te brengen bedragen zoals ook hiervoor en hierna gerecapituleerd uiteengezet.

Waar b.v.b.a. D-CENTER enerzijds de toekenning van haar oorspronkelijke vordering vraagt, dus met inbegrip van schadebeding en intresten zoals oorspronkelijk gevorderd, vordert zij in haar synthesebesluiten de intresten zoals toegekend door de eerste rechter (met 1 dag verschil) wat maakt dat haar incidenteel beroep op dat punt een tegenstrijdigheid omvat.

Hoe dan ook, zoals terecht door de eerste rechter opgemerkt, bevat de onderaannemingsovereenkomst geen enkele bepaling die voorziet in de toekenning van conventionele intresten en/of een conventioneel schadebeding.

Voor zover het incidenteel beroep ook deze posten betrof, is het ongegrond.

5.

In acht genomen vorenstaande overwegingen doet de afrekening tussen partijen zich in hoofdsom voor als volgt:

38.895,93 EUR + 73.607,24 EUR - 10.379,50 EUR - 2.500 EUR - 4.500 EUR = 95.123,67 EUR.

6.

Beide partijen vragen de basisrechtsplegingsvergoeding waarbij het hof niet is gebonden door de cijfermatige begroting ervan en onder meer dient rekening te houden met ondertussen doorgevoerde indexaties.

Nu het hoger beroep en het incidenteel beroep slechts beperkt gegrond zijn, komt het hof passend voor om beide partijen te verwijzen in hun eigen kosten hoger beroep.

Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Met inachtneming van art. 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep van n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE ontvankelijk doch slechts beperkt gegrond in de hiernavolgende mate;

Verklaart het incidenteel beroep van b.v.b.a. D-CENTER ontvankelijk doch slechts beperkt gegrond in de hiernavolgende mate;

Bevestigt het beroepen vonnis d.d. 18 mei 2010 in de mate dat het werd bestreden met dien verstande dat n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE wordt veroordeeld in betaling aan b.v.b.a. D-CENTER de som van 95.123,67 EUR, méér de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 15 juni 2009 tot dag van algehele betaling;

Verwijst n.v. CORDEEL ZETEL TEMSE en b.v.b.a. D-CENTER in de eigen kosten hoger beroep, hierna niet nader nuttig te begroten;

Aldus gewezen door de ZESTIENDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

Luc Thabert, raadsheer wn. voorzitter,

Kristin Vandenberghe, raadsheer,

Peter Marcoen, raadsheer,

en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 9 NOVEMBER 2012, bijgestaan door An Van Wesemael, griffier.

Free keywords

  • overeenkomst verboden overdracht van schuldvordering