- Arrêt of January 28, 2013

28/01/2013 - 2011AR707

Case law

Summary

Samenvatting 1

De betwisting tussen de partijen betreft in essentie de vraag of de appellante al dan niet zelf de opschortende voorwaarde van het bekomen van de toelating van OVAM met de versnelde overdracht van het terrein heeft verhinderd.

Overeenkomsten waarbij de partijen verbintenissen onder een opschortende voorwaarde zijn aangegaan, bestaan hangende de voorwaarde, ook al is de uitvoering van de verbintenissen geschorst. Dergelijke overeenkomsten doen derhalve rechten en verplichtingen voor de partijen ontstaan. Zij moeten te goeder trouw worden uitgevoerd (artikel 1134, derde lid B.W.). Zo mag de schuldenaar door zijn fout of onzorgvuldigheid de vervulling van de bedongen opschortende voorwaarde niet verhinderen. Hij moet ze wel integendeel met alle redelijke middelen nastreven. Het gaat hier evenwel niet om een resultaatsverbintenis, doch wel om een middelenverbintenis.

Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert (artikel 870 Ger. W.). Bijgevolg is het aan de geïntimeerde om een afdoende bewijsvoering te doen van de beweerde contractuele wanprestatie van de appellante bestaande in het gebrek aan inspanningen om de beoogde toelating van OVAM te bekomen of in de foutieve verhindering van de realisatie van deze opschortende voorwaarde.

De bewering van de geïntimeerde dat de appellante verantwoordelijk is voor de tekortkomingen aan de motivatienota kan het hof niet aanvaarden

Het hof besluit dat vaststaat dat de geïntimeerde faalde om, vóór het verstrijken van de termijn bepaald in de overeenkomst, tegenover OVAM de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht aan te tonen en dat de geïntimeerde en zij alleen hiervoor verantwoordelijk is.


Arrêt - Integral text

2011/AR/707

de opdrachthoudende vereniging INTERCOMMUNALE MAATSCHAPPIJ VOOR ENERGIEVOORZIENING ANTWERPEN, afgekort IMEA, met vennootschapszetel gevestigd te 2100 Deurne-Antwerpen, Merksemse-steenweg 233 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0204.647.234;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Dominique Devos, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 106;

tegen het vonnis van de 13e B kamer van de rechtbank van eerste aan-leg te Antwerpen van 20 december 2010, aldaar gekend onder nr. A.R. 07/2016/A;

tegen:

NV SKYLINE PROJECTS, met vennootschapszetel gevestigd te 1160 Oudergem, Vorstlaan 292 en ingeschreven in de kruispuntbank der on-dernemingen onder nr. 0451.845.103;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Marc Van Passel in eigen naam en tevens

loco mr. Griet Cnudde, beiden advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelse-steenweg 64 bus 101;

* * * * *

1. De feiten

De feiten die ten grondslag liggen aan de vordering van de geïntimeerde kunnen als volgt worden samengevat:

- De appellante was eigenaar van een terrein met bijhorende gebouwen van een voormalige gasfabriek, gelegen te Antwerpen, ... en eveneens palende aan de ..., de ..., de ... en de ... met een totale oppervlakte van 66.779 m² (6,5 ha).

- Op 18 maart 2005 werd een Ministerieel Besluit uitgevaardigd hou-dende toepassing van artikel 48 van het Bodemsaneringsdecreet tot afwijking van de toepassing van de artikelen 37, 38 en 39 van het

decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering "gasfabrieksgroep". Het M.B. laat toe dat een limitatief aantal opgesomde terreinen worden verkocht, zonder voorafgaande toepassing van de gemeenrechtelijke regeling van het Bodemsaneringsdecreet.

- Het M.B. van 18 maart 2005 bepaalt dat de gronden opgenomen in artikel 1 slechts kunnen overgedragen worden indien:

"- de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht middels een schrijven aangetoond worden;

- door middel van een risico-evaluatie, uitgevoerd door een erkend bodemsaneringsdeskundige, aangetoond wordt dat het voorziene terreingebruik na overdracht geen ernstige bedreiging oplevert voor de toekomstige terreingebruikers. Deze risico-evaluatie be-paalt welke beperkingen - omwille van de verontreinigingstoestand - op het terrein rusten;

- door de verwerver een verklaring tot naleven van beperkingen op het gebruik van het desbetreffende terrein aan de OVAM heeft be-zorgd. De verwerver zal de bodemsaneringswerken op geen enkele manier belemmeren;

- een oriënterend bodemonderzoek van het terrein werd uitgevoerd. Dit oriënterend bodemonderzoek dient de situatie van bodem- en grondwaterkwaliteit op het ogenblik van de overdracht weer te geven.

- Het M.B. bepaalt verder dat alle bovengenoemde documenten voorafgaand aan de overdracht aan OVAM dienen te worden bezorgd.

- Op 29 september 2005 sloten de appellante, toen IGAO, en de NV Antwerpse Bouwwerken de volgende overeenkomst:

"Optie tot het bekomen van een call-optie tot aankoop met eraan

gekoppelde put-optie tot verkoop" inzake de verkoop van het terrein

en bijhorende gebouwen van een voormalige gasfabriek, gelegen te Antwerpen, ... en eveneens palende aan de ..., de ..., de ... en de ... met een totale oppervlakte van 66.779 m² (6,5 ha) voor de prijs van 12.420.894 EUR.

- Aan deze overeenkomst werd op 29 september 2005 een aanvulling gevoegd waarin de NV Antwerpse Bouwwerken de optie tot het

verkrijgen van de call-optie tot aankoop met aan deze call-optie ge-koppelde optie tot verkoop licht in naam en voor rekening van de NV Skyline Projects, de geïntimeerde.

De geïntimeerde kwam tussen in deze aanvulling en bevestigde zich in de plaats te stellen van de NV Antwerpse Bouwwerken in al haar rechten en plichten voortvloeiende uit voormelde optie.

De geïntimeerde bekrachtigde de lichting van de optie tot het verkrijgen van de call-optie tot aankoop met de aan deze call-optie gekop-pelde optie tot verkoop.

- Volgens de bepalingen van de overeenkomst diende de optie tot aankoop te worden gelicht uiterlijk binnen de maand na het vervullen van een aantal opschortende voorwaarden, en alleszins uiterlijk op 31 juli 2006, om 18 uur. De opschortende voorwaarden dienden vervuld te zijn vóór de datum "vastgesteld vóór het verlijden van de notariële akte" en uiterlijk op 30 juni 2006.

- De opschortende voorwaarden in de overeenkomst hadden betrekking op de verplichtingen die werden opgelegd in het op 18 maart 2005 uitgevaardigd Ministerieel Besluit houdende toepassing van artikel 48 van het Bodemsaneringsdecreet aangaande de versnelde overdracht van gasfabrieksterreinen en op het akkoord van eventuele schuldeisers van de kandidaat-verkopers.

- In de optie-overeenkomst van 29 september 2005 wordt aangaande de verplichtingen die werden opgelegd in het Ministerieel Besluit van 18 maart 2005 het volgende bepaald:

"Geen van beide partijen kan de optie van de wederpartij lichten vóórdat de wederpartij kennis gekregen heeft van de bevestiging van OVAM dat alle formaliteiten (met betrekking tot het bodemsaneringsdecreet om tot overdracht van grond te kunnen overgaan) vervuld zijn, alle nodige financiële zekerheden gesteld zijn, alle nodige verbintenissen aangegaan zijn, alle nodige documenten en attesten be-schikbaar zijn met het oog op een rechtsgeldige overdracht van het goed in de zin van de Vlaamse bodemsaneringsregelgeving.

Dit behelst onder meer, en zonder dat deze opsomming limitatief is, het bekomen van:

"- een Ministerieel Besluit dat de toepassing toestaat van artikel achtenveertig (48) tot afwijking van de toepassing van de artikelen zevenendertig, achtendertig en negenendertig (37, 38 en 39) van het Decreet van tweeëntwintig februari negentienhonderd vijfennegentig betreffende de bodemsanering voor de overdracht van voorbeschreven goed;

- de aanvaarding door OVAM van de door de kandidaat-verkopers gestelde financiële zekerheden.

- de nodige bodemattesten., Deze voorwaarde dient vervuld te zijn vóór de datum vastgesteld voor het verlijden van de notariële akte en uiterlijk op 30 juni 2006.

(...)

Daartoe gaan de partijen daarenboven nog de volgende verbintenissen aan:

1. Uiterlijk op 31 december 2005 zullen de kandidaat-kopers de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de voorgenomen overdracht aantonen middels een schrijven gericht tot OVAM en tot de kandidaat-verkopers.

2. De kandidaat-verkopers zullen, op hun kosten, door middel van een risico-evaluatie, uitgevoerd door een erkend bodemsaneringsdeskundige, aantonen dat het voorziene terreingebruik na overdracht geen ernstige bedreiging oplevert voor de toekomstige terreingebruikers. Deze risico-evaluatie zal bepalen welke beperkingen - omwille van de verontreinigingstoestand - op het goed rusten.

3. Op eerste verzoek van de kandidaat-verkopers, zullen de kandidaat-kopers een verklaring tot het naleven van de (eventuele) opgelegde beperkingen op het gebruik van het goed aan OVAM bezorgen.

4. De kandidaat-verkopers zullen, op hun kosten, een oriënterend bodemonderzoek laten uitvoeren dat de situatie van de bodem- en grondwaterkwaliteit weergeeft op het ogenblik van de overdracht.

5. De kandidaat-verkopers zullen financiële zekerheden stellen voor een bedrag van EEN MILJOEN NEGENHONDERD ZESTIG DUIZEND EURO (1.960.00 euro) voor de volledige duurtijd van de bodemsanering en de nazorg van de historische bodemverontreiniging gerelateerd aan de activiteiten van de voormalige gasfabriek op het goed.

6. De hiervoor sub 2. tot en met 5. opgesomde documenten dienen vóór het verlijden van de authentieke akte en uiterlijk op 30 juni 2006 aan OVAM bezorgd te worden en door OVAM te worden aanvaard.

7. Voorzover de kandidaat-kopers de hen hiervoor sub 1. en 3. opgelegde verbintenissen tijdig naleven, zullen de kandidaat-verkopers, op hun kosten, de voor de overdracht nodige bodemattesten bekomen uiterlijk op 30 juni 2006.

Deze opschortende voorwaarde kan ingeroepen worden door elk van

beide partijen voorzover deze partij de vervulling van de opschortende voorwaarde zelf niet op enige wijze verhindert."

- De opschortende voorwaarde werd niet vervuld binnen de overeen-gekomen termijn. Op 15 juni 2006 berichtte OVAM dat ze de versnelde overdracht in het kader van het M.B. van 18 maart 2005 niet kon toestaan.

- Bij brief van haar raadsman van 20 juni 2006 verzocht de geïntimeer-de de appellante om een termijnverlening om alsnog de vereiste toelating van OVAM te bekomen.

- Bij brief van 3 juli 2012 liet de appellante de geïntimeerde weten dat de opschortende voorwaarde niet binnen de overeengekomen termijn werd vervuld. Op het verzoek tot termijnverlenging werd niet ingegaan. De appellante besloot dat door de geïntimeerde geen beroep kan worden gedaan op de call-optie.

- Bij brief van 10 juli 2006 stelde de geïntimeerde de appellante in gebreke om haar verbintenissen na te komen, bij gebreke waaraan zij er zal "van uit gaan dat u geen verdere uitvoering wenst te geven aan de overeenkomst onder de overeengekomen voorwaarden". Verder vroeg ze vrijgave van de door haar betaalde waarborg indien de geïntimeerde geen positief gevolg zou geven aan haar brief.

- De geïntimeerde reageerde bij brief van 20 juli 2006. Zij herhaalde dat de opschortende voorwaarde niet werd vervuld en dat door haar raad van bestuur werd beslist de termijn niet te verlengen. Ze stelde dat er bijgevolg van uitvoering van de overeenkomst geen sprake kon zijn en bevestigde de vrijgave van de waarborg.

- Bij brief van haar raadsman van 23 augustus 2006 stelde de geïntimeerde de appellante in gebreke om de contractueel bedongen schadevergoeding van 10% van de verkoopprijs te betalen. Zij was van oordeel dat de appellante de overeenkomst niet te goeder trouw en naar behoren had vervuld.

- De appellante reageerde bij brief van 5 september 2006 stellende dat ze haar verplichtingen voortspruitend uit de overeenkomst was nagekomen en dat bijgevolg de voorwaarde voor de toepassing van de forfaitaire schadeloosstelling niet was vervuld.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 21 maart 2007 dagvaardt de geïntimeerde de appel-lante. Ze vordert dat de appellante wordt veroordeeld tot betaling van de contractueel bedongen forfaitaire schadevergoeding van 1.242.089,40 EUR, vermeerderd met de verwijlinteresten sinds de ingebrekestelling van 10 juli 2006, de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding en de kosten van haar raadsman.

2.2. Het niet-bestreden vonnis van rechtbank van eerste aanleg te

Antwerpen van 5 mei 2008:

- verklaart de vordering van de geïntimeerde toelaatbaar;

- benoemt E. D. van de NV Asset Ingenieursbureau als gerechtsdeskundige met als opdracht:

"(...) de rechtbank de adviseren over de vraag of het voor een erkende bodemsaneringsdeskundige op last van verweerster mogelijk was om, op grond van de door eiseres aan verweerster en OVAM overgemaakte inlichtingen, plannen, documenten en nota's, tijdig de door de overeenkomst van 29 september 2005 vereiste risico-evaluatie en het vereiste oriënterend onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwali-teit van de betrokken gronden op te stellen.

(...)";

- houdt de beslissing over de gedingkosten aan.

2.3. Het niet-bestreden vonnis van rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 29 september 2009:

- zegt voor recht dat de opdracht van de deskundige niet enkel omvat wat uitdrukkelijk door de rechtbank werd bepaald, maar ook alle vragen die op bijkomstige of natuurlijke wijze voortvloeien uit de door de rechtbank opgestelde opdracht;

- zegt voor recht dat de termijn voor het indienen van het eindverslag verlengd wordt tot 31 oktober 2009;

- houdt de beslissing over de gedingkosten aan.

2.4. De gerechtsdeskundige legt op 4 november 2009 zijn definitief deskundigenverslag neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

2.5. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 december 2010:

- verklaart de vordering van de geïntimeerde gegrond;

- veroordeelt de appellante om 1.242.089,40 EUR te betalen aan de geintimeerde, te vermeerderen met de verwijlintresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf 10 juli 2006 tot aan de datum van de gedinginleidende dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tegen dezelfde rentevoet tot 31 maart 2010 en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tegen dezelfde rentevoet op de hoofdsom en de gekapitaliseerde intresten tot aan de datum van de algehele betaling;

- veroordeelt de appellante tot de gerechtskosten.

2.6. De appellante tekent tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 december 2010 hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 4 maart 2011.

3. De standpunten in hoger beroep

Voorafgaand

0.1. Ter terechtzitting van 13 november 2012 vordert de raadsman van de appellante de wering uit de debatten van:

- de conclusies van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het hof op 30 mei 2011, die buiten de termijn bepaald in de beschikking van het hof van 4 april 2011 aan haar zouden zijn meegedeeld, hetgeen door de geïntimeerde niet wordt betwist;

- de conclusies van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het hof op 3 oktober 2011, die buiten de termijn bepaald in de beschikking van het hof van 4 april 2011 zouden zijn neergelegd en aan haar meegedeeld, hetgeen door de geïntimeerde niet wordt betwist;

- de conclusies van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het hof op 25 mei 2012, die weliswaar tijdig werden neergelegd en meegedeeld, wegens deloyale proceshouding van de geïntimeerde gelet op de laattijdige mededeling van al haar conclusies;

- al de stukken van de geïntimeerde wegens laattijdige kennisgeving van de inventaris of de afwezigheid van kennisgeving wat stuk 21bis betreft, hetgeen door de geïntimeerde wordt betwist.

De geïntimeerde heeft over de vordering tot wering ter terechtzitting standpunt ingenomen.

0.2. Het hof stelt vast dat de beschikking van het hof van 4 april 2011 aan de geïntimeerde de volgende conclusietermijnen toekent:

- uiterlijk op 28 mei 2011;

- uiterlijk op 28 september 2011;

- uiterlijk op 28 januari 2012;

- uiterlijk op 28 mei 2012.

0.3. Uit het voorgaande volgt dat:

- de conclusies met inventaris van de stukken neergelegd door de geïn-timeerde ter griffie van het hof op 30 mei 2011, tijdig werden meegedeeld aan de appellante in het licht van de tweede conclusietermijn van de geïntimeerde tot 28 september 2011;

- de conclusies met inventaris van de stukken van de geïntimeerde neergelegd door de geïntimeerde ter griffie van het hof op 3 oktober 2011, tijdig werden meegedeeld aan de appellante en tijdig werden neergelegd in het licht van de derde conclusietermijn van de geïntimeerde tot 28 januari 2012;

- zodat er geen reden is om deze conclusies, noch de tijdig door de geintimeerde op 25 mei 2012 ter griffie neergelegde en aan de appellante meegedeelde conclusies uit de debatten te weren in toepassing van artikel 748 laatste lid Ger. W.

Anders is het wat de stukken 21bis en de stukken 58 en 59 van de geïn-timeerde betreft. Van deze stukken wordt geen melding gemaakt op haar inventaris gehecht aan de conclusies neergelegd ter griffie. Deze worden bijgevolg in toepassing van de artikelen 738 en 740 Ger. W. uit de debatten geweerd.

De stukken 1 tot 57 worden wel vermeld op de inventaris gehecht aan de conclusies van de geïntimeerde en werden aan de appellante meegedeeld. Er is geen reden om deze stukken uit de debatten te weren.

0.4. Krachtens artikel 748bis Ger. W. neemt de laatste conclusie van een partij de vorm aan van een syntheseconclusie en vervangt ze door de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° Ger. W., alle vorige conclusies.

3.1. De appellante vordert in haar laatste op 28 maart 2012 ter griffie neergelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen en te hervormen in de mate dat het de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaart;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen;

- in ondergeschikte orde, voor recht te zeggen dat het schadebeding tussen partijen niet van toepassing is, minstens het bedrag van het schadebeding te matigen en dienvolgens het bedrag van de schadevergoeding te herleiden tot een bedrag dat het hof met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak passend acht.

3.2. De geïntimeerde vordert in haar laatste op 25 mei 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellante te veroordelen om aan de geïntimeerde de contractueel voorziene forfaitaire schadevergoeding van 1.242.089,40 EUR te be-talen, vermeerderd met de verwijlintrest sinds de ingebrekestelling van 10 juli 2006, de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding, de kapitalisatie van de intrest tot op de datum van het vonnis en de kapitalisatie van de tot op 30 mei 2011 gelopen intresten;

- de appellante te veroordelen tot de gerechtskosten.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtuk-ken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij haar op 4 maart 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. Het staat vast dat OVAM de versnelde overdracht in het kader van het M.B. van 18 maart 2005 niet heeft toegestaan vóór 1 juli 2006 zodat geen van de partijen de optie van de wederpartij kon lichten.

4.2.2. De betwisting tussen de partijen betreft in essentie de vraag of de appellante al dan niet zelf de opschortende voorwaarde van het bekomen van de toelating van OVAM met de versnelde overdracht van het terrein heeft verhinderd.

4.2.3. Overeenkomsten waarbij de partijen verbintenissen onder een op-schortende voorwaarde zijn aangegaan, bestaan hangende de voorwaar-de, ook al is de uitvoering van de verbintenissen geschorst (vgl. Cass. 5 juni 1981, Arr. Cass. 1980-81, 1157). Dergelijke overeenkomsten doen derhalve rechten en verplichtingen voor de partijen ontstaan. Zij moeten te goeder trouw worden uitgevoerd (artikel 1134, derde lid B.W.). Zo mag de schuldenaar door zijn fout of onzorgvuldigheid de vervulling van de bedongen opschortende voorwaarde niet verhinderen. Hij moet ze wel integendeel met alle redelijke middelen nastreven. Het gaat hier evenwel niet om een resultaatsverbintenis, doch wel om een middelenverbintenis.

4.2.4. Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert (artikel 870 Ger. W.). Bijgevolg is het aan de geïntimeerde om een afdoende bewijsvoering te doen van de beweerde contractuele wanpresta-tie van de appellante bestaande in het gebrek aan inspanningen om de beoogde toelating van OVAM te bekomen of in de foutieve verhindering van de realisatie van deze opschortende voorwaarde.

4.2.5. Met de appellante is het hof van oordeel dat dit bewijs niet voor-ligt.

De appellante wijst er terecht op dat op de geïntimeerde krachtens de inhoud van de overeenkomst met het oog op het bekomen van de toelating van OVAM, de verbintenis rustte uiterlijk op 31 december 2005 in een brief aan OVAM en aan haar gericht, de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de voorgenomen overdracht aan te tonen (de zogeheten motivatienota).

In haar brief motiveert OVAM haar afwijzing van de versnelde overdracht als volgt:

"Door het ontbreken van een concreet plan van de verwerver waarin

tevens de hoogdringendheid van de overdracht is gemotiveerd, rekening houdend met de aanbevelingen van de bodemsaneringsdeskundige, en het feit dat de verontreiniging onvoldoende in kaart is gebracht om de mogelijke risico's in te schatten, kan de OVAM in het kader van het mi-nisterieel besluit van 18 maart 2005 niet toestaan dat de overdracht plaatsvindt."

Het hof oordeelt dat deze brief van OVAM bewijst dat de motivatienota van de geïntimeerde naar het oordeel van OVAM niet voldeed (een concreet plan van de geïntimeerde met het betrokken terrein ontbrak, net zoals de motivering van de hoogdringendheid van de overdracht) en dat, anders dan de geïntimeerde aanvoert, deze nota wel degelijk haar belang had, nu OVAM de gebreken aan de motivatienota opgeeft als een motief tot weigering van de versnelde overdracht.

Het belang van de motivatienota volgt trouwens evenzeer uit het M.B. van 18 maart 2005 dat uitdrukkelijk bepaalt dat de betrokken gronden slechts konden overgedragen worden indien:

"de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de over-dracht middels een schrijven aangetoond worden;

(...)".

Dat het decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming van 27 oktober 2006 de voorwaarde van "de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht" niet opneemt in haar artikel 115 dat sedert de inwerkingtreding van het decreet de versnelde overdrachtsprocedure van risicogronden regelt, kan aan het voorgaande niets veranderen. Het artikel 115 van het decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming van 27 oktober 2006 trad pas in werking op 1 juni 2008, dit is drie jaar na het verstrijken van de opschorten-de voorwaarde en wijkt totaal af van de versnelde overdrachtsprocedure van artikel 48 van het decreet betreffende de bodemsanering van 22 februari 1995 dat in deze zaak van toepassing is.

De bewering van de geïntimeerde dat de appellante verantwoordelijk is voor de tekortkomingen aan de motivatienota kan het hof niet aanvaarden. Zoals gezegd nam de geïntimeerde in de overeenkomst de verbintenis om de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de voorgenomen overdracht aan te tonen op zich en dit zonder enig voor-behoud.

De geïntimeerde heeft in de overeenkomst niet bedongen dat de appel-lante haar zou bijstaan bij de opmaak van de nota, noch haar de verbintenis opgelegd haar standpunt aangaande de inhoud ervan ter kennis te brengen na de ontvangst ervan. Dat de appellante voordien de versnelde overdrachtsprocedure zou hebben toegepast bij andere terreinen, hetgeen door de appellante wordt betwist, maakt haar niet tot specialist ter zake in de opmaak van de door het Bodemsaneringsdecreet vereiste mo-tivatienota en kan, zelfs indien bewezen, niet tot gevolg hebben dat de contractuele verplichting in hoofde van de geïntimeerde wordt afgewenteld op de appellante.

Er is bovendien geen reden om aan te nemen dat de geïntimeerde, pro-fessioneel projectontwikkelaar in vastgoed, op het vlak van kennis van het decreet betreffende de bodemsanering van 22 februari 1995 in de contractuele relatie tot de appellante, beheerder van de distributienetten voor aardgas en elektriciteit voor zes gemeenten in het Antwerpse, een minderwaardige positie zou innemen. Dit kan alvast niet afgeleid worden uit de door de geïntimeerde overgelegde stukken.

De bewering van de geïntimeerde dat de appellante en/of haar raadsman haar geadviseerd zouden hebben aangaande de vereiste inhoud van de nota, hetgeen door de appellante ten stelligste wordt betwist, bewijst ze niet. De door de geïntimeerde aan het hof overgelegde stukken tonen weliswaar aan dat een confrater van het Antwerpse kantoor van de raadsman van de appellante tussenkwam bij de redactie van de nota, maar niet dat dit gebeurde op het verzoek van de appellante.

De geïntimeerde blijft eveneens in gebreke haar bewering dat de appel-lante haar bewust zou hebben misleid omtrent de inhoud van de motivatienota te bewijzen.

Hetzelfde wat de bewering van de geïntimeerde betreft dat de door haar opgestelde tweede motivatienota door OVAM niet in overweging werd genomen omwille van de weigerachtige houding van de appellante: dit blijkt uit niets. Op het ogenblik van de indiening van de tweede motiva-tienota was overigens de contractuele termijn binnen dewelke de geïntimeerde tegenover OVAM de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht moest aantonen (uiterlijk op 31 december 2005) reeds verstreken.

4.2.6. Het hof besluit dat vaststaat dat de geïntimeerde faalde om, vóór het verstrijken van de termijn bepaald in de overeenkomst, tegenover OVAM de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht aan te tonen en dat de geïntimeerde en zij alleen hiervoor verantwoordelijk is.

Op de beweerde tekortkomingen van de appellante aan de verbintenissen die zij diende uit te voeren met het oog op het bekomen van de toelating van OVAM gaat het hof niet verder in. Ze moesten pas worden uitgevoerd tegen uiterlijk 30 juni 2006 en stonden er de geïntimeerde niet aan in de weg haar verbintenis om de noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht tegenover OVAM aan te tonen uiterlijk op 31 december 2005, uit te voeren. Bovendien moest aan alle voorwaarden van het M.B. van 18 maart 2005 om tot versnelde overdracht te kunnen overgaan, cumulatief worden voldaan, zodat de niet-naleving van één ervan (zoals het aantonen van de socio-economische noodzaak en de hoogdringendheid van de overdracht, verbintenis die contractueel bij de geïntimeerde werd gelegd) de toelating van OVAM met de versnelde overdracht (de opschortende voorwaarde uit de overeenkomst) uitsloot.

4.2.7. Uit het voorgaande volgt dat de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond is. Het hoger beroep van de appellante is gegrond.

4.3. De gedingkosten

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt de geïntimeerde veroordeeld tot de aan de zijde van de appellante gevallen kosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

De rechtsplegingsvergoeding wordt in eerste aanleg vereffend op het

basistarief van 15.000,00 EUR en in hoger beroep op het (geïndexeerde) basistarief van 16.500,00 EUR.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- weert de stukken 21bis en de stukken 58 en 59 van de geïntimeerde uit de debatten;

- verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

- hervormt het bestreden vonnis;

- doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de geïntimeerde tegen de appellante ongegrond;

- veroordeelt de geïntimeerde tot de gedingkosten van de appellante in eerste aanleg en in hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- dagvaardingskosten: 248,75 EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 15.000,00 EUR

- kosten deskundigenonderzoek: 16.677,75 EUR

- verzoekschrift hoger beroep: 186,00 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 16.500,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ACHTEN-

TWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Verbintenis

  • Opschortende voorwaarde

  • goede trouw

  • middelenverbintenis

  • bewijs