- Arrêt of September 3, 2013

03/09/2013 - 2010AR1553

Case law

Summary

Samenvatting 1

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1553

INZAKE VAN :

1) De heer A. W., wonende

2) De B.V. A.C.J. W., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 maart 2010,

vertegenwoordigd door Meester Stephan DOUKHOPELNIKOFF, advocaat te 3800 SINT-TRUIDEN, Tiensesteenweg 62,

1ste kamer

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stefaan VERBOUWE, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270,

Aansprakelijkheid van de overheid. Fouten van een magistraat.

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

__________________________________________________

De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

W. A. (hierna W.) en ACJ W. BV (hierna W. BV) hebben op 17 maart 2008 de BELGISCHE STAAT gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Zij verwezen, samengevat, naar:

- een gerechtelijk onderzoek door de BELGISCHE STAAT ten laste van eisers en anderen;

- een verklaring van W. op 3 december 2001 (PV 383401);

- twee overschrijvingen door W. vanuit Nederland op een rekening bij de FORTIS BANK te Maasmechelen op 2 augustus 2001 ten bedrage van 400.000 Nederlandse Gulden (NLG) en 125.000 NLG,

o met als oorsprong: een kredietovereenkomst van 21 februari 2001, toegestaan om aandelen van de moeder van W. in W. BV over te nemen;

o en met als reden: het beleggen van die gelden omdat die overname niet onmiddellijk werd gerealiseerd;

- het overmaken van de gelden, op aanraden van zijn persoonlijk adviseur, aan MASTERS BV met de bedoeling dat zij terugbetaald zouden worden met winst door wederverkoop van een onroerend goed;

- het beslag op die gelden op 21 september 2001 door de Belgische Justitie op grond van een vermoeden van een witwasmisdrijf;

- verscheidene verzoekschriften op grond van artikel 28 sexies § 4 van het Wetboek van Strafvordering, aan het parket van Tongeren met telkens een negatieve beslissing tot vrijgave;

- het oplopen van het negatief tot 38.856,21 euro op 10 februari 2004;

- de mededeling met een verzoekschrift van 10 januari 2004 dat de situatie onhoudbaar werd, vermits W. en W. BV niet de middelen hadden om aan te zuiveren;

- de standpunten ingenomen door de procureur des Konings te Tongeren, de Kamer van Inbeschuldigingstelling en de procureur-generaal dwars tegen de feiten van het dossier in;

- de beslissing van de procureur des Konings te Tongeren om na jaren aandringen het onderzoek af te ronden en over te gaan tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank te Tongeren;

- de inleiding ten gronde op 12 oktober 2006, zonder dagvaarding van W. en W. BV;

- een verzoekschrift op die zitting door W. en W. BV om de geblokkeerde gelden vrij te geven;

- de vrijspraak en de beslissing van de correctionele rechtbank van Tongeren dat het verzoek van de tussenkomende partij om opheffing te bevelen van het gelegde beslag gegrond is;

- een ten onrechte strafrechtelijk beslag gedurende meer dan vijf jaar;

- de grove fouten begaan door de BELGISCHE STAAT:

o het onterecht beslag;

o het handhaven zonder grond gedurende meer dan vijf jaar;

o het niet vervolgen van W. en W. BV wat duidt op willekeur;

o de vrijspraak en de afwezigheid van hoger beroep door het parket;

- de gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT om de onherstelbaar geworden schade te vergoeden op grond van artikelen 1382 en volgende van het burgerlijk wetboek;

- de schade die gelijk is aan de gederfde winst die bij de aanwending van de gelden het doel was en die zeker 30 % zou bedragen, minstens de intresten;

- niet alle gelden konden worden gerecupereerd omdat andere schuldeisers op hun gelden wachtten;

- de gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT tot terugbetaling van de intresten op 238.234,61 euro vanaf 2 augustus 2001 tot bij de vrijgave op 17 april 2007, de gederfde winst (30 % of 71.470,383 euro), de intresten daarop vanaf één jaar later dit is vanaf 3 augustus 2002, de intresten op het beslagen bedrag vanaf 2 augustus 2001 tot de terugbetaling ervan op 15 april 2007 op 195.000 euro, het verschil in kapitaal dat terugbetaald werd of 43.234,61 euro, alles meer intresten tot de dag van de terugbetaling.

De rechtbank van eerste aanleg besliste met een vonnis van 24 maart 2010, samengevat:

- de vordering is ontvankelijk;

- het beslag is niet onzorgvuldig gelegd;

- de handhaving van het beslag was niet onrechtmatig;

- er wordt geen fout bewezen;

- het oorzakelijk verband is evenmin bewezen;

- de BELGISCHE STAAT heeft recht op een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 euro.

Dit vonnis werd betekend op 1 juni 2010.

Het hoger beroep

W. en W. BV stelden hoger beroep in met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 4 juni 2010.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Beoordeling

W. en W. BV achten de BELGISCHE STAAT aansprakelijk omdat haar aangestelden fouten hebben begaan die schade hebben veroorzaakt. Zij menen dat het beslag op de rekening van MASTERS BV onrechtmatig is gelegd en onrechtmatig is gehandhaafd, en dat het onderzoek te lang heeft geduurd.

Het beslag werd gelegd op 10 augustus 2001.

De BELGISCHE STAAT houdt terecht voor - met verwijzing naar artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit - dat de vordering in aansprakelijkheid die gesteund wordt op een fout begaan in 2001, verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de fout is begaan, dit is, in dit geval, per 31 december 2005. W. en W. BV hebben gedagvaard op 17 maart 2008, dit is na 31 december 2005.

De wet kent enkel verjaringstuitende werking toe aan een gerechtsdeurwaardersexploot en aan een schulderkenning door de STAAT. Verzoeken tot opheffing in de zin van artikel 28 sexies § 4 W. Sv. beantwoorden daaraan niet en hebben dus geen verjaringstuitende werking.

De vordering van W. en W. BV is verjaard in de mate dat zij steunt op een beweerd onrechtmatig beslag.

Het handhaven van het beslag blijkt uit beslissingen van de procureur des Konings en van de Kamer van Inbeschuldigingstelling in antwoord op verzoeken tot opheffing van het beslag vanaf februari 2004, en het onderzoek is afgesloten met een vonnis van 8 december 2006. In de mate dat bij het handhaven onrechtmatig zou zijn gehandeld en dat het onderzoek te lang heeft geduurd, is tijdig gedagvaard op 17 maart 2008, en schorst het instellen van de rechtsvordering de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen.

De vordering van W. en W. BV is niet verjaard in de mate dat zij steunt op het beweerd onrechtmatig handhaven van het beslag en op de duur van het onderzoek.

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

De procureur des Konings wees de verzoeken tot opheffing van het beslag af omdat zijn ambt van oordeel was dat de noodwendigheden van het onderzoek het beslag vereisen en de wet in de teruggave of verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet. De Kamer van Inbeschuldigingstelling wees het hoger beroep tegen die beslissing af omdat het verzoek uitging van verzoekers die geen belang hadden omdat niet zij maar MASTERS BV de titularis was van de gelden op de bankrekening ("Dat in casu dient vastgesteld te worden dat de gelden door [W. en W. BV] overgeschreven werden op rekening van BV Masters N.N.P.C. ten einde deze aan te wenden voor de aankoop van onroerend goed en deze gelden derhalve, vanaf de overdracht ervan, tot het patrimonium van deze laatste behoren; dat zodoende verzoekers hun belang niet aantonen met betrekking tot de gevraagde maatregel vermits zij geen titularis van kwestieuze rekening zijn").

W. en W. BV tonen niet aan dat de procureur des Konings en/of de Kamer van Inbeschuldigingstelling met het afwijzen van de verzoeken tot opheffing van het beslag onrechtmatig hebben gehandeld in de aangegeven zin.

Abstractie gemaakt van de verjaring van de vordering in de mate dat zij steunt op de onrechtmatigheid van het leggen van het beslag, dient te worden vastgesteld dat het verzoek van de CFI aan de procureur des Konings gestaafd werd aan de hand van een verslag waarin op uitvoerige wijze de verdachte verrichtingen, de buitenlandse inlichtingen en de aanwijzingen van witwassen via de heer ROKS en MASTERS BV werden beschreven.

Uit het verslag van onderzoek betreffende ROKS Marcus blijkt immers dat ROKS bestuurder is van MASTERS BV, dat begin juli 2001 een persoon namens ROKS in een kantoor van FORTIS BANK in het gerechtelijk arrondissement Tongeren informeerde naar de modaliteiten en de mogelijkheden van het openen van een rekening met de melding dat enkele dagen later op deze rekening een bedrag van 50 miljoen US Dollars zou toekomen vanuit de VSA via een Zwitserse bank, afkomstig van een oliemaatschappij die beleggingen doet in onroerend goed, dat ROKS in het kantoor op 10 juli 2001 op naam van MASTERS BV een rekening opende en verklaarde de rekening te willen openen in België aangezien hij zich weldra zou vestigen in Brussel, dat ROKS op 20 juli 2001 vertelde dat een bedrag van ongeveer 500.000 NLG zou toekomen in het kader van een project in aanbouw in Kerkrade (warenhuis met drie appartementen) zich voorstellende als een projectontwikkelaar voor middelgrote projecten, dat op 3 augustus 2001 twee betalingen toekomen met in beide gevallen als opdrachtgever W. BV, zijnde, volgens ROKS, een eerste gedeelte van een globaal bedrag van 900.000 NLG, dat ROKS aanvankelijk verklaarde deze fondsen nodig te hebben voor de uitgifte van bankcheques aan verschillende notarissen waarvan hij de naam nog niet kon mededelen, dat hij na enkele dagen zijn instructies aan de bank veranderde nadat op 10 augustus 2001 een bedrag van 385.000 NLG is toegekomen via een overschrijving in opdracht van een rekening bij een Luxemburgse bank met als opdrachtgever "un de nos clients", en dat ROKS op 10 augustus 2001 wenste te beschikken over een bankcheque ten bedrage van 910.000 NLG aan order van de vennootschap BOEKHORST INVEST BV, zijnde een immobiliënagentschap met Bastiaan VAN GENT als enige aandeelhouder. Uit het verslag blijkt ook dat lastens ROKS Marcus een politioneel onderzoek loopt wegens onder meer onwettig openbaar aantrekken van spaargelden, economische delicten, oplichting, verduistering ... bij de Regiopolitie Limburg-Noord en Fiod Roermond; betrokkene zou via een niet-bestaand beleggingsfonds beleggers hebben aangetrokken en naderhand opgelicht en benadeeld voor een totaal bedrag van 30 miljoen NLG; dat onderzoek blijkt ook gelieerd aan een ander onderzoek met ernstige aanwijzingen van het witwassen van geld.

Een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou dezelfde beslissing tot het leggen van het beslag genomen hebben. De beslissing is in overeenstemming met de nationaalrechtelijke norm vervat in artikel 28 sexies § 4 W. Sv. en is niet strijdig met enige internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking. Hetzelfde geldt voor het handhaven van het beslag dat bleek uit de beslissingen van de procureur des Konings tot afwijzing van de verzoeken tot opheffing. Voor het overige moet worden vastgesteld dat geen enkele beslissing met betrekking tot het afwijzen van de verzoeken tot opheffing bij een beslissing met kracht van gewijsde werd ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Het volstaat niet, zoals W. en W. BV voorhouden, dat het handhaven van het beslag onrechtmatig is omdat W. in zijn verklaring van 3 december 2001 uitlegde dat de gelden op de rekening van MASTERS BV wat hen betrof een legale oorsprong hadden, met name een kredietopening bij ABN AMRO op 21 februari 2001, en dat de overschrijving van die gelden naar de rekening van MASTERS BV een legale bestemming had, met name de voorgenomen aankoop en wederverkoop van een onroerend goed. Het onderzoek betrof immers de activiteiten van MASTERS BV en haar bestuurder ROKS ten aanzien waarvan ernstige aanwijzingen van witwassen voorhanden waren, zodat in het kader daarvan, in overeenstemming met artikel 28 sexies § 4 W. Sv., gelden die voorkwamen op de rekening van MASTERS BV in beslag konden worden genomen met mogelijkheid tot verbeurdverklaring in geval van veroordeling. De magistraat die dit beslag beveelt en handhaaft begaat te dezen geen fout, en die fout kan en mag ook niet afgeleid worden uit de loutere vaststelling dat, na onderzoek van het dossier door de rechtbank, vrijspraak volgt en opheffing van het beslag. Ook de vaststelling dat W. en W. BV zelf niet vervolgd werden, levert op zich niet het bewijs dat het leggen en het handhaven van het beslag onrechtmatig moeten zijn geweest, nu het beslag is gelegd op gelden van MASTERS BV omwille van ernstige aanwijzingen van witwassen door MASTERS BV en betrokken personen (ROKS, COENEN, VERWER).

Ten overvloede moet worden vastgesteld dat uit de verklaring van W. van 3 december 2001 blijkt dat de kredietopening voor 525.000 NLG werd toegestaan om aandelen van zijn moeder uit te kopen, maar dat deze intentie werd verlaten en dat op dat ogenblik, op aanraden van een persoonlijk adviseur, beslist werd iets te doen met het geld (sic) door het te beleggen, zonder dat W. wist om welke belegging het ging (sic), en zonder dat geschriften voorlagen met betrekking tot die belegging (sic) ("Op uw vraag moet ik U zeggen dat COENEN Marcel mij nooit verteld heeft welke belegging hij precies ging doen met mijn geld. Ik heb het echter ook nooit gevraagd. Ik weet tot op heden nog steeds niet welke belegging Marcel COENEN op het oog had. Op uw vraag moet ik U verder zeggen dat er nooit stukken zijn getekend inzake de belegging. Ik vond dit ook niet nodig. Ik bezit immers het bewijs, via mijn bank, dat ik mijn geld overgeschreven had en voor de rest vertrouwde ik volledig op Marcel COENEN, zoals reeds herhaaldelijk aangehaald. Ik hoorde niets meer van mijn investering tot ik plots een telefoontje kreeg van de politie, met de melding dat er blijkbaar problemen waren met de investering die ik gedaan had. Ik nam vervolgens contact op met Marcel COENEN en deze vertelde mij dat hij het zou proberen te regelen via een raadsman."). Een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou tot beslag zijn overgegaan en zou het beslag hebben gehandhaafd tot afsluiting van het onderzoek.

Ook de bewering dat het onderzoek te lang heeft geduurd wordt niet aangetoond, hoewel de bewijslast ligt bij W. en W. BV.

W. en W. BV bewijzen dus geen fout in hoofde van de BELGISCHE STAAT. Vermits de fout een constitutief bestanddeel is van de aansprakelijkheid, dienen, bij gebrek aan fout, de andere constitutieve bestanddelen van de aansprakelijkheid (de schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade) niet te worden beoordeeld.

De vordering van W. en W. BV is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. W. en W. BV worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep. Gelet op het bedrag van de vordering, wordt de rechtsplegingsvergoeding bepaald op 5.000 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten tot de kosten en begroot die in hoger beroep op 186 euro rolrechten en 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding toekomende aan geïntimeerde.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

03/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Koenraad MOENS, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS K. MOENS

Free keywords

  • Overheidsaansprakelijkheid. Voowaarden. Beweerde fout van een magistraat.