- Arrêt of September 24, 2013

24/09/2013 - 2009AR2156

Case law

Summary

Samenvatting 1

De griffier mag geen consult verschaffen aan de partijen (art. 297 Ger.)


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2009/AR/2156

INZAKE VAN :

De SAMENWERKENDE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ CDA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1080 BRUSSEL, Jubelfeestlaan 86,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 22 januari 2009,

vertegenwoordigd door Meester Yves ROSENOER, advocaat te 1050 BRUSSEL, J.B. Colynsstraat 98,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw C. B.,

2) De heer A. B.,

samenwonende te,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester DELAUNOY loco Meester Jena-Luc FAGNART, advocaat te 1050 BRUSSEL, Bolwerksquare 1 A,

3) Mevrouw A. D.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester ESSELENS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 150,

4) De naamloze vennootschap ALLIANZ BELGIUM BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 150,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VERHAEGHE loco Meester Paul DEPUYDT, advocaat te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 41 F

GRIFFIERS. ONVERENIGBAARHEDEN. CONSULT GEVEN

De griffier mag geen consult verschaffen aan de partijen (art. 297 Ger.) W.).

__________________________________________

___________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 22 januari 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 30 juni 2009; de partijen B. en B. leggen kopie voor van de akte van betekening.

CDA heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 30 juli 2009. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Mevrouw C. B. had in 1996 een polis "burgerlijke aansprakelijkheid gezin" onderschreven bij CDA, eerste verweerster. Deze polis dekt eveneens de leden van haar familie en inzonderheid de heer A. B., haar echtgenoot, en hun kinderen. Bovendien omvat de polis een waarborg rechtsbijstand.

In het voorjaar 1999 werden Mevrouw B. en de Heer B. aangesproken door verschillende burgerlijke partijen in een zaak die vastgesteld was voor de Jeugdrechtbank, en waarin hun zoon Z. vervolgd was om verschillende misdrijven te hebben gepleegd.

Zij werden vertegenwoordigd en bijgestaan door Mevrouw A. D., toen advocaat aan de Nederlandse Orde van de Balie te Brussel.

Mevrouw B. vroeg dekking aan C.D.A. voor de mogelijke veroordelingen die zij en haar echtgenoot in het kader van dat geschil konden oplopen, en C.D.A. meldde ontvangst van deze aanvraag in een brief van 4 februari 1999.

De zaak werd gepleit op 17 februari 1999. Meester D. had aan de Rechtbank gevraagd om de weerlegging van het vermoeden van aansprakelijkheid van de ouders van art. 1384 B.W. te aanvaarden.

Op dezelfde dag stuurde C.D.A. een brief aan Mevrouw B. waarin zij stelde:

"Nonobstant les réserves exprimées dans notre courrier du 4 février, nous avons décidé d'octroyer couverture pour le présent sinistre et ceci bien entendu dans les conditions et limites fixées par les conditions générales de la police. ( ... )

Vous avez en principe le libre choix de l' avocat qui assurera la défense de vos intérêts mais nous devons être régulièrement tenus au courant de l' état de l' affaire et de toute initiative qui serait prise dans le cadre de votre défense. (...)„

De vrije vertaling die Mevrouw D. van deze brief maakte,

wordt niet betwist door de overige partijen:

"Ondanks het voorbehoud dat wij in ons bericht van 4 februari hebben vermeld, hebben wij beslist om dekking te verlenen voor huidig schadegeval, en dit wellicht binnen de door de algemene voorwaarden van de polls gestelde voorwaarden en beperkingen. (...)

U mag in beginsel de raadsman die uw belangen zal verdedigen, vrij kiezen, doch wij moeten regelmatig worden ingelicht van de stand van de zaak en van elke stap die zou worden gesteld in het kader van uw verweer."

Op 20 februari 1999 schreef Meester D. aan C.D.A.: "Pourriez-vous me faire savoir si vous couvrez également dans le cadre de l' assurance familiale les éventuelles demandes des parties civiles.

L'affaire est passée le 17/02/99 et le jugement est prévu pour le 17/03/99. J'ai demandé de décliner la responsabilité parentale.

Je vous joins pour votre information les citations.

Entre-temps je vous remercie de bien vouloir créditer mon compte d'une provision de 10.000 fr. vu les devoirs déjà accomplis dans ce dossier et ce par versement sur mon compte (...). "

Vrije vertaling:

"Kunt u mij laten weten of U in het kader van de gezinsverzekering ook de gebeurlijke vorderingen van de burgerlijke partijen dekken.

De zaak werd behandeld op 17/02/99 en het vonnis is voorzien voor 17/03/1999. Ik heb gevraagd om de ouderlijke aansprakelijkheid te laten afwijzen. Ik voeg voor uw informatie de vorderingen bij. Inmiddels dank ik u een voorschot van 10.000 fr. op mijn rekening te storten, gelet op de reeds gestelde handelingen in dit dossier (...)"

Op 3 maart antwoordde CDA aan Meester D.;

"Il est bien entendu qu'aucune garantie (ni couverture R.C.- ni défense pénale) n'est acquise à titre personnel en faveur du mineur, auteur des délits, s'agissant d'un sinistre intentionnel. D' autre part, nous couvrons dans le cadre de l'assurance, la responsabilité civile des parents (intérêts civils uniquement) à l'exclusion de la défense pénale en protection juridique. (...)

Étant donné la couverture que nous fournissons, nous avons décidé de confier la défense de nos intérêts à notre conseil habituel Me ROSENOER (défense au niveau des intérêt civils).

Celui-ci assurera la défense de nos intérêts suite a la prise de connaissance du jugement à intervenir le 17.03.99. (...)

En ce qui concerne la prise en charge de vos honoraires, elle ne vaut pas pour la partie défense pénale de Mme B. mais uniquement pour la partie défense des intérêts civils accomplie à ce stade de la procédure"

De vrije vertaling die Mevrouw B. van deze brief maakte,

wordt niet betwist door de overige partijen:

"Het is duidelijk dat geen enkele dekking (noch B.A., noch verdediging op strafrechtelijk vlak) verworven is ten gunste van de minderjarige, daar hij dader is van de misdrijven, en het hier gaat om een opzettelijk schadegeval. Anderzijds dekken we, in het kader van de verzekering, de burgerlijke aansprakelijkheid van de ouders (enkel de burgerlijke belangen), met uitzondering van de verdediging op strafrechtelijk vlak (in het kader van de rechtsbijstandsverzekering).

( ... )

Gezien de dekking die we verlenen, vertrouwen we de verdediging van onze belangen aan onze gebruikelijke raadsman, Mter ROSENOER (verdediging op het vlak van de burgerlijke belangen).

Laatstgenoemde zal onze belangen verdedigen vanaf de kennisname van het op 17.03.99 tussen te komen vonnis. (...)

Wat de ten laste neming van uw erelonen betreft, geldt die niet voor het deel dat betrekking heeft op de strafrechtelijke verdediging van Mevrouw B., doch enkel voor het deel verdediging van de burgerlijke belangen die tot nu toe werd gevoerd. "

Op 18 maart stuurde Mevrouw B. een bericht aan Meester D., blijkbaar per fax, waarin zij stelde:

"J'ai assisté hier à la lecture du jugement de Z. à l'audience publique.

(...)

Aujourd'hui je suis allée au greffe demander une copie du jugement et je peux aller la chercher demain 19 mars 1999. J'ai également fait appel du jugement en ce qui concerne la cause civile. "

Vrije vertaling door Mevrouw D.:

"Ik heb gisteren de uitspraak van het vonnis van Z. ter zitting bijgewoond.

Vandaag ben ik ter griffie geweest om een kopie van het vonnis te vragen en ik kan ze morgen 19 maart 1999 gaan afhalen.

Ik heb eveneens beroep aangetekend wat de burgerlijke zaak betreft. "

Op 24 maart schreef Mevrouw B. een brief aan CDA waarin zij stelde dat zij hoger beroep had aangetekend, voor haar en in naam van haar echtgenoot.

Op 25 maart 1999 stuurde Meester ROSENOER een brief aan Meester D. waarin hij stelde dat hij zelf kennis van het vonnis ter griffie had genomen, dat er grond was om hoger beroep aan te tekenen, dat hij er nota van nam dat de cliënten van Meester D. reeds hoger beroep hadden aangetekend, en dat Meester D. had aangekondigd dat zij langs de griffie zou gaan om te zien of het beroep regelmatig was.

Later is het gebleken dat Mevrouw B. geldig hoger beroep had aangetekend voor zichzelf, doch niet voor haar echtgenoot.

In graad van beroep bekwam zij de hervorming van het eerste vonnis wat de burgerlijke belangen betreft en werden de [veroordelingen] die in eerste aanleg lastens haar werden uitgesproken, teniet gedaan, doch de veroordelingen die lastens de Heer B. waren uitgesproken bleven van kracht.

C.D.A. heeft echter geweigerd om de Heer B. te vergoeden voor de veroordelingen die lastens hem waren uitgesproken, op grond van de volgende motieven, vermeld in haar brief van 15 juni 2000 aan Mevrouw B.:

"Nous nous devons de vous notifier que suite à une faute ou négligence de votre part, consistant dans le fait de n'avoir pas pris toutes les mesures raisonnables pour atténuer les conséquences du sinistre, nous estimons pouvoir prétendre à une réduction de notre prestation, à concurrence du préjudice subi. Ceci est prévu tant par les stipulations légales que par les articles 27 et 29 des conditions générales de la police. En conséquence, nous refusons notre intervention pour I' indemnisation des parties civiles mise à charge de Monsieur B.. "

Vrije vertaling door Mevrouw D.:

"Wij zien ons verplicht u te melden dat, ingevolge een fout of nalatigheid van u, dat uit het feit bestaat niet alle maatregelen te hebben genomen teneinde de gevolgen van het schadegeval te verminderen, wij menen dat wij onze prestatie kunnen verminderen in de mate van de geleden schade. Dit wordt zowel door de wet als door de artikelen 27 en 29 van de algemene voorwaarden van de polls voorzien. Bijgevolg weigeren wij onze tussenkomst voor de schadeloosstelling van de burgerlijke partijen die ten laste van de Heer B. werd gesteld. "

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderden mevrouw B. en de heer B.:

- de veroordeling van CDA tot de betaling aan hen van 7.436,81 EUR provisioneel in het kader van de dekking in rechtsbijstand,

- de veroordeling van CDA, D. en ALLIANZ BELGIUM, in solidum of de ene bij gebrek aan de andere om gt2 te dekken of te vergoeden tot beloop van de veroordeling bij vonnis van de jeugdrechtbank van 17 maart 1999 bevestigd bij arrest van dit hof van 3 april 2000;

- de veroordeling van CDA, D. en ALLIANZ BELGIUM, in solidum of de ene bij gebrek aan de andere tot betaling van de verwijlintresten vanaf 17 maart 1999, de gerechtelijke intresten en de kosten;

- de veroordeling van CDA, D. en ALLIANZ BELGIUM, in solidum of de ene bij gebrek aan de andere tot betaling aan zowel mevrouw B. als aan de heer B. van een schadevergoeding van 1.239,47 EUR.

CDA concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

Mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroegen zij de aansprakelijkheid van mevrouw D. te beperken tot maximum 1/3de.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vorderingen van mevrouw B. en de heer B. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde CDA tot de betaling aan hen van 1,00 EUR provisioneel in het kader van de dekking in rechtsbijstand, en veroordeelde CDA, D. en ALLIANZ BELGIUM in solidum tot de betaling aan hen van 1,00 EUR provisioneel. Hij hield de behandeling van de zaak voor het overige aan en zond de zaak naar de bijzondere rol.

3.3

In hoger beroep herneemt CDA haar oorspronkelijk verweer. Bij tegeneis vraagt zij de veroordeling van mevrouw B. en de heer B. tot de betaling aan haar van 2.500,00 EUR, plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 juli 2009, minstens de verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 2.500,00 EUR toe te kennen.

Zij concludeert tot de ongegrondheid van de incidentele hogere beroepen van mevrouw B. en de heer B., mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM.

Mevrouw B. en de heer B. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep van CDA.

Bij incidenteel hoger beroep hernemen ze hun vordering tot veroordeling van CDA in het kader van de dekking in rechtsbijstand tot de betaling aan hen van nu 7.123,95 EUR, plus de gerechtelijke intresten, en 1,00 EUR provisioneel voor de kosten en advocatenkosten in huidige procedure.

Ze vragen ook de veroordeling van CDA tot dekking in het kader van de waarborg burgerlijke aansprakelijkheid.

Zij hernemen hun vordering tot veroordeling van CDA, mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM, in solidum, hoofdelijk of de ene bij gebrek aan de andere tot de betaling aan hen van 4.938,03 EUR met voorbehoud voor 3.074,08 EUR, plus de wettelijke intresten op 2.950,00 EUR vanaf 5 september 2007 en op 1.988,03 EUR vanaf 8 december 2004 en de gerechtelijke intresten.

Zij hernemen hun vordering tot de veroordeling van CDA, mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM, in solidum of de ene bij gebrek aan de andere tot betaling aan elk van mevrouw B. en de heer B. van een schadevergoeding van 1.239,47 EUR.

Mevrouw D. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt ze haar oorspronkelijk verweer tegen de vordering van mevrouw B. en de heer B.. Ondergeschikt vraagt zij haar aansprakelijkheid en de tegen haar gerichte vorderingen te beperken tot maximum 1/3de.

ALLIANZ BELGIUM concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt ze haar oorspronkelijk verweer tegen de vordering van mevrouw B. en de heer B.. Ondergeschikt vraagt zij de aansprakelijkheid van mevrouw D. en de tegen haar gerichte vorderingen te beperken tot maximum 1/3de.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De wering van conclusies en de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van mevrouw B. en de heer B.

CDA vraagt de wering van de conclusie voor mevrouw B. en de heer B. neergelegd op 4 maart 2010, nu zij volgens de beschikking met toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek conclusie konden nemen tot 26 februari 2010. Deze conclusie wordt met toepassing van artikel 747 §2 uit de debatten geweerd.

Ten onrechte houdt CDA voor dat dan ook de conclusie van mevrouw B. en de heer B. van 15 oktober 2010 moet geweerd worden omdat zij daarin pas hun incidenteel hoger beroep instellen (met de conclusie van 4 maart 2010 wordt voor het instellen van hun incidenteel hoger beroep geen rekening gehouden). CDA heeft immers nog kunnen antwoorden op de conclusie van 15 oktober 2010, waarna mevrouw B. en de heer B. ook nog een conclusietermijn hadden tot 15 februari 2011, waarvan zij geen gebruik gemaakt hebben. In die omstandigheden kan de conclusie van 15 oktober 2010 niet beschouwd worden als een uiting van deloyaal procesgedrag.

Hieruit volgt dat er geen reden is om het incidenteel hoger beroep van mevrouw B. en de heer B. als onbestaand of niet ontvankelijk te beschouwen

4.2 De grond van het hoger beroep

Terecht oordeelde de eerste rechter dat CDA geen fout heeft begaan door niet zelf hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis van de jeugdrechtbank van 17 maart 1999. CDA kon dit niet doen in eigen naam, want zij was geen partij; zij is pas na het hoger beroep vrijwillig tussengekomen. Zij kon dit ook niet laten doen door meester ROSENOER, die haar raadsman was en niet die van mevrouw B. en de heer B.. Dat CDA de leiding had van de procedure liet haar niet toe op te treden in naam van mevrouw B. en de heer B., die een eigen raadsman hadden aangesteld, en nu CDA dekking weigerde voor de strafrechtelijke verdediging van de minderjarige, en er dus een gedeeltelijke belangentegenstelling was. Anders dan ALLIANZ BELGIUM voorhoudt, stelt of suggereert de brief van CDA van 3 maart 1999 ook niet dat zij meester ROSENOER aanstelde als advocaat ter behartiging van de belangen van mevrouw B. en de heer B.. Ook meester D. blijkt overigens daaruit niet te hebben begrepen dat meester ROSENOER haar opvolgde.

CDA heeft integendeel wel, bij monde van meester ROSENOER in zijn brief van 25 maart 1999, aangedrongen op het aantekenen van hoger beroep. In de brief noteert meester ROSENOER in een PS na contact met meester D. dat zij zich bovendien op de griffie zal verzekeren van de regelmatigheid van het hoger beroep.

CDA heeft op dit punt dus geen contractuele wanprestatie begaan en heeft uitgevoerd wat zij vermocht. Het incidenteel hoger beroep van mevrouw B. en de heer B. en ALLIANZ BELGIUM op dit punt is ongegrond.

Ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat mevrouw B. en de heer B. alle redelijke maatregelen hebben genomen om de gevolgen van het schadegeval te verminderen. Zij hebben immers geen geldig hoger beroep ingesteld voor de heer B. tegen het vonnis van de jeugdrechtbank. Dat mevrouw B. dat heeft geprobeerd en dat de heer B. in de waan was dat dit in orde was, doet daaraan niets af: er was geen regelmatig hoger beroep voor de heer B.. Haar goede bedoelingen en zijn waan konden het hoger beroep voor haar hem niet ontvankelijk maken. Mevrouw B. en de heer B. kunnen zich niet beroepen op hun beperkte kennis van de procedure; de dwaling in rechte kan niet aangenomen worden. Het feit dat de griffie geen bezwaar zou hebben gemaakt of hebben gereageerd op het hoger beroep van mevrouw B. voor meneer B. doet daaraan niets af; overigens kon de griffier ook geen consult verschaffen (artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het optreden van meester D. als raadsman van mevrouw B. en de heer B. op dit punt ontlast hen evenmin; de handelingen van hun lasthebber zijn hen toerekenbaar.

Gelet op artikel 20 van de landverzekeringsovereenkomstenwet en artikelen 27 en 29 van de polis kan CDA haar uitbetaling verminderen naargelang van de door haar geleden schade. Anders dan mevrouw B. en de heer B. opwerpen, vormt dit geen reactie op een verzwaring van risico; er was immers reeds een schadegeval. Nu uit het niet instellen van het hoger beroep van de heer B. volgt dat hij veroordeeld bleef ten aanzien van de burgerlijke partijen en CDA hem daarvoor in beginsel dekking moest verlenen, bestond de schade voor haar uit die dekking, en kon zij die dus weigeren. CDA had hiervoor overigens gewaarschuwd in de brief van meester ROSENOER van 25 maart 1999 .

Uit het bovenstaande volgt dat CDA niet gehouden is tot dekking van de heer B. in burgerlijke aansprakelijkheid en in rechtsbijstand. Zij is wel gehouden in dekking in rechtsbijstand voor de procedure voor de jeugdrechtbank, beperkt tot de burgerlijke belangen van mevrouw B. en de heer B., waarvoor zij zich ook uitdrukkelijk had verbonden in haar brief van 17 februari 1999. Het blijkt niet dat zij daaraan niet heeft voldaan. Dat mevrouw B. en de heer B. mogelijk dubbelop hebben betaald aan mevrouw D. schept geen verbintenis in hoofde van CDA.

Gelet op het bovenstaande zijn de middelen van mevrouw B. en de heer B. met betrekking tot de uitsluiting van dekking bij strafrechtelijke vervolging zonder belang. Geheel ten overvloede blijkt niet dat CDA die uitsluiting als grond beschouwt voor het weigeren van dekking ten aanzien van mevrouw B. en de heer B. als burgerlijk aansprakelijken of de rechtsbijstand op dat vlak.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat meester D. een fout heeft begaan door niet voor de heer B. een hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de jeugdrechtbank. Mevrouw B. heeft meester D. op 18 maart 1999 geschreven dat zij hoger beroep had aangetekend voor het burgerlijk luik, zonder daarbij te vermelden of haar echtgenoot dat ook had gedaan of dat zij dat ook voor hem had gedaan . Uit de brief van meester ROSENOER van 25 maart 1999 blijkt dat meester D. aan hem had meegedeeld dat mevrouw B. en de heer B. hoger beroep hadden aangetekend; meester D. betwist dit op zich niet. Uit elk van die twee berichten volgt dat meester D. op de hoogte was van de beslissing van mevrouw B. en de heer B., haar cliënten, om hoger beroep in te stellen. Dat bracht voor haar noodzakelijkerwijze de opdracht mee om mevrouw B. en de heer B. niet alleen raad te geven maar ook de regelmatigheid van de door hen zelf verrichte proceshandeling te onderzoeken en de mogelijke onregelmatigheid recht te zetten. Het staat vast dat meester D. in gebreke is gebleven voor elk van die verplichtingen.

Het gevolg van de fout van meester D., het niet aantekenen van een geldig hoger beroep voor de heer B., heeft als gevolg gehad het verlies van een kans op behandeling van de burgerlijke belangen voor hem in hoger beroep en een kans op hervorming. Gelet op het lot van het hoger beroep van mevrouw B., kan de kans op hervorming geschat worden op 100 %; er is geen concrete reden om aan te nemen dat het hof de toepassing van artikel 1384, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van de heer B. anders zou beoordeeld hebben dan het heeft gedaan ten aanzien van mevrouw B.. Zonder de fout van meester D. zou met andere woorden de heer B. niet veroordeeld zijn ten aanzien van de burgerlijke partijen, en zou CDA de kosten van verdediging voor de burgerlijke aansprakelijkheid van mevrouw B. en de heer B. gedragen hebben.

De schade voor mevrouw B. en de heer B. bestaat dus uit de schuld uit de veroordeling in hoger beroep en de kosten van verdediging in burgerlijke aansprakelijkheid.

Mevrouw B. en de heer B. vragen van D. en ALLIANZ BELGIUM echter alleen vergoeding voor de veroordeling in hoger beroep van de heer B. ten aanzien van de burgerlijke partijen, en niet de kosten van verdediging.

De partijen D. en ALLIANZ BELGIUM voeren geen betwisting over de hoofdsommen en intresten van de vordering van mevrouw B. en de heer B. met betrekking tot de door hen aan de burgerlijke partijen betaalde sommen.

Mevrouw B. en de heer B. vragen 1.239,47 EUR per persoon voor de bijkomende ongemakken die werden veroorzaakt door de fout van mevrouw D.. De schade die zij leden, is echter in wezen financieel, en het kan niet worden aangenomen dat de psychische belasting die een schuld steeds meebrengt in dit bijzondere geval een afzonderlijk te vergoeden schade vormt.

Het valt niet in te zien waarom de betekening door mevrouw B. en de heer B. van het vonnis waartegen hoger beroep aan CDA foutief zou zijn, tergend of roekeloos. Dat CDA zich verplicht zag hoger beroep in te stellen kan niet als een schade uit een fout van mevrouw B. en de heer B. beschouwd worden. De tegenvordering van CDA tegen mevrouw B. en de heer B. is ongegrond.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Zoals vermeld kan de betekening door mevrouw B. en de heer B. van het vonnis waartegen hoger beroep niet beschouwd worden als foutief of tergend of roekeloos; een toekenning van een ander bedrag dan het basisbedrag voor de rechtsplegingsvergoeding kan niet op dat enkele feit gesteund worden.

Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag 990,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van CDA ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vorderingen, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vorderingen van mevrouw B. en de heer B. tegen CDA ongegrond;

Verklaart de tegenvordering van CDA tegen mevrouw B. en de heer B. ongegrond.

Verklaart het incidenteel hoger beroep van mevrouw B. en de heer B. tegen CDA ontvankelijk maar ongegrond.

Verklaart het incidenteel hoger beroep van mevrouw B. en de heer B. tegen mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt.

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vorderingen, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Veroordeelt mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM hoofdelijk tot de betaling aan mevrouw B. en de heer B. van VIERDUIZEND NEGENHONDERD ACHTENDERTIG EURO DRIE CENT (4.938,03 EUR), plus de intresten aan de wettelijke rentevoet op 2.950,00 EUR vanaf 5 september 2007 en op 1.988,03 EUR vanaf 8 december 2004;

Verleent aan mevrouw B. en de heer B. voorbehoud voor een bijkomende schadevergoeding ten laste van mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM van in hoofdsom 3.074,08 EUR,

Veroordeelt mevrouw B. en de heer B. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep van CDA, begroot op euro 1.176 (186 rolrecht + 990 rechtsplegingsvergoeding).

Veroordeelt mevrouw D. en ALLIANZ BELGIUM hoofdelijk tot de betaling van de kosten van beide aanleggen gemaakt door mevrouw B. en de heer B., die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot op euro 990 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Free keywords

  • Griffier. Onverenigbaarheden. Consult geven aan de partijen. Hoger beroep. Niet-vertrouwd zijn van de partijen met het procesrecht. Hoger beroep. Beroepsfout van een advocaat.