- Arrêt of January 7, 2014

07/01/2014 - 2010AR357

Case law

Summary

Samenvatting 1

Krachtens artikel 1153, derde lid, B.W. is de intrest wegens de laattijdige betaling van een geldschuld in beginsel slechts verschuldigd na de aanmaning van de schuldenaar.

Luidens artikel 1378 B.W. moet hij die te kwader trouw heeft ontvangen, niet enkel het kapitaal teruggeven, maar ook de intrest of de vruchten, te rekenen vanaf de dag van de betaling.

Uit deze bepalingen volgt dat diegene die te goeder trouw een betaling heeft ontvangen en deze als onverschuldigd moet terugbetalen, in de regel slechts intrest verschuldigd is vanaf het tijdstip dat hij tot de terugbetaling werd aangemaand. (zie ook Cass., 12 november 2012, www.cass.be)

Is diegene die een niet-verschuldigde betaling ontving te kwader trouw, dan is hij ook intrest verschuldigd vanaf de onverschuldigde betaling of vanaf het ogenblik dat hij te kwader trouw werd.

Het hof besluit dat de geïntimeerden bij toepassing van artikel 1378 B.W. vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet verschuldigd zijn vanaf de datum van de betaling van de onteigeningsvergoeding bij de deposito- en consignatiekas tot de dag van de betaling van de bedragen waartoe ze werden veroordeeld bij het tussenarrest.


Arrêt - Integral text

2010/AR/357

1. NV GROEP KNIPPENBERG, met vennootschapszetel gevestigd te 3680 Maaseik, Industrie-

terrein Jagersborg 1007 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0418.204.810;

2. NV BOUWWERKEN WILLY KNIPPENBERG, met vennootschapszetel gevestigd te 3680 Maaseik, Industrieterrein Jagersborg 1007 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0412.379.860;

appellanten,

beide vertegenwoordigd door mr. Steven Menten loco mr. Leo Panis, advocaat te 3600 Genk, Grotestraat 122;

tegen het vonnis van de derde B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van

23 oktober 2009, aldaar gekend onder nr. A.R. 07/800/A;

tegen:

1. M. D., notaris, geboren te ... en wonende te ...;

2. P. D., bediende, geboren te ... en wonende te ...;

3. C. D., bediende, geboren te ... en wonende te ...;

geïntimeerden,

allen vertegenwoordigd door mr. Kurt Willems loco mr. Geert Hayen, advocaat te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 en tevens loco mrs. Sibylle Taillieu & Patrick Hofströssler, advo-caten te 1050 Brussel, Louizalaan 99;

* * * * *

1. Voorafgaande feiten en procedure

Voor de uiteenzetting van de feiten en de voorafgaande procedure verwijst het hof naar het tus-senarrest van 20 juni 2011.

2. Het tussenarrest

2.1. In het tussenarrest heropent het hof de debatten om standpunt in te nemen over de volgende vraag:

"De vraag rijst of de appellanten geen aanspraak kunnen maken op intrest bij toepassing van artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek."

2.2. De partijen hebben over deze vraag standpunt ingenomen in conclusies.

3. De vorderingen na het tussenarrest

3.1. De appellanten vorderen in hun op 14 oktober 2011 ter griffie neergelegde conclusies:

- hun vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- de eerste geïntimeerde te veroordelen om aan hen de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet te betalen op 320.803,39 EUR vanaf 29 juni 2006 (de datum van de betaling van de onteigeningsvergoeding op de deposito- en consignatiekas) tot 19 maart 2007 (datum van eerste ingebrekestelling) en de intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 19 maart 2007 tot de datum dagvaarding en de gerechtelijke intrest aan dezelfde intrestvoet vanaf datum dagvaarding tot de dag van de volledige betaling;

- de tweede en de derde geïntimeerde te veroordelen om aan hen de vergoedende intrest aan de wettelijke rentevoet te betalen op 87.491,93 EUR vanaf 29 juni 2006 (de datum van de betaling van de onteigeningsvergoeding op de deposito- en consignatiekas) tot 19 maart 2007 (datum van eerste ingebrekestelling) en de intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 19 maart 2007 tot de datum dagvaarding en de gerechtelijke intrest aan dezelfde intrestvoet vanaf datum dagvaarding tot de dag van de volledige betaling;

- de geïntimeerden te veroordelen tot betaling van de kosten van beide aanleggen.

3.2. Blijkens hun op 11 januari 2012 ter griffie neergelegde conclusies vorderen de geïntimeerden:

- de vordering van de appellanten toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- bijgevolg te oordelen dat ze slechts intrest verschuldigd zijn aan de wettelijke intrestvoet vanaf het tussenarrest van 20 juni 2011;

- in ondergeschikte orde te oordelen dat ze slechts moratoire intrest verschuldigd zijn aan de wet-telijke intrestvoet vanaf de datum van de inleidende dagvaarding;

- de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op het basisbedrag van 7.700,00 EUR per aanleg en de gerechtskosten tussen partijen om te slaan.

4. Beoordeling na het tussenarrest

4.1. In het tussenarrest oordeelt het hof aangaande de door de appellanten gevorderde hoofd-sommen als volgt:

"De ontbinding werkt ex nunc, maar staat er niet aan in de weg dat de geïntimeerden worden ver-oordeeld tot teruggave van de vergoeding die ze voordien ontvingen van de appellanten.

De vergoeding die de appellanten betaalden, betaalden ze volgens de overeenkomst"als vergoeding voor het verlenen van voormelde optie tot aankoop en eventueel afstand van recht van natrekking met verlof tot bouwen". De vergoeding zou als voorschot op de prijs van de grond gelden in geval "van het verlenen van de afstand van recht van natrekking en/of het lichten van de optie". "In het tegengestelde geval", zou dit bedrag "van rechtswege ten forfaitair titel verworven blijven" door de geïntimeerden (artikel 3 van de overeenkomst). Er ligt geen bewijs voor dat de overeenkomst wat

deze bepaling betreft werd gewijzigd na 28.02.2005.

Uit de samenhang van de bepalingen van artikel 3 van de overeenkomst volgt dat enkel op het con-tractueel bepaalde einde van de overeenkomst zou kunnen uitgemaakt worden of de door de appel-lanten betaalde vergoeding een voorschot uitmaakte op de prijs, dan wel een tegenprestatie voor het ter beschikking houden van de grondaandelen. Anders dan de geïntimeerden menen was de vergoe-ding bijgevolg niet definitief, zelfs niet gedeeltelijk, door hen verworven op 11.05.2005.

De geïntimeerden dienen het door hen ontvangen bedrag aan de appellanten terug te betalen."

4.2. Krachtens artikel 1153, derde lid, B.W. is de intrest wegens de laattijdige betaling van een geld-schuld in beginsel slechts verschuldigd na de aanmaning van de schuldenaar.

Luidens artikel 1378 B.W. moet hij die te kwader trouw heeft ontvangen, niet enkel het kapitaal

teruggeven, maar ook de intrest of de vruchten, te rekenen vanaf de dag van de betaling.

Uit deze bepalingen volgt dat diegene die te goeder trouw een betaling heeft ontvangen en deze als onverschuldigd moet terugbetalen, in de regel slechts intrest verschuldigd is vanaf het tijdstip dat hij tot de terugbetaling werd aangemaand. (zie ook Cass., 12 november 2012, www.cass.be)

Is diegene die een niet-verschuldigde betaling ontving te kwader trouw, dan is hij ook intrest ver-schuldigd vanaf de onverschuldigde betaling of vanaf het ogenblik dat hij te kwader trouw werd.

4.3. De appellanten voeren aan dat de geïntimeerden op de datum van de ontvangst van de betaling weliswaar niet te kwader trouw waren, maar te kwader trouw werden op de datum dat ze "werden onteigend en de onteigeningsvergoeding aan hen werd uitgekeerd". De appellanten menen dat de geïntimeerden toen "zeer goed op de hoogte waren van het feit dat de overeenkomst zonder voor-werp was geworden en dat zij geen enkel recht meer hadden op de voorschotten die werden betaald door concluanten (lees: de appellanten)".

De geïntimeerden bestrijden dat ze te kwader trouw werden. Volgens hen mochten ze redelijker-wijze veronderstellen dat de betaling die ze ontvingen een verschuldigde betaling was.

4.4. Het hof oordeelt dat de geïntimeerden vanaf de betaling van de onteigeningsvergoeding op hun rekening, wisten of behoorden te weten dat zij de van de appellanten ontvangen bedragen op grond van de overeenkomst van 28 februari 2005 met betrekking tot het onteigende goed, aan de appel-lanten dienden terug te betalen en dat zij geen grond hadden om die teruggave uit te stellen of te weigeren.

Het hof oordeelt dat het in die omstandigheden onder zich houden van de gelden kwade trouw zoals bepaald in artikel 1378 B.W. uitmaakt in hoofde van de geïntimeerden.

Het feit dat de eerste rechter in zijn vonnis het verweer van de geïntimeerden op de vordering van de appellanten aannam, kan aan het voorgaande niets veranderen.

4.5. Het hof besluit dat de geïntimeerden bij toepassing van artikel 1378 B.W. vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet verschuldigd zijn vanaf de datum van de betaling van de onteigenings-vergoeding bij de deposito- en consignatiekas, te weten vanaf 29 juni 2006, tot de dag van de be-taling van de bedragen waartoe ze werden veroordeeld bij het tussenarrest.

5. De gedingkosten

Als de in het ongelijk gestelde partij worden de geïntimeerden veroordeeld tot de kosten van de bei-de aanleggen (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld op het geïndexeerde basisbedrag van 7.700,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 250.000,01 EUR tot 500.000,00 EUR).

Er is geen reden om over te gaan tot afwijking van dat basistarief (minimum- of maximumtarief).

Er wordt niet aangetoond dat zou zijn voldaan aan één van de criteria van artikel 1022, derde lid

Ger. W.

6. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, na herneming van de zaak gelet op de gewijzigde samen-stelling van de zetel.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- werkt het tussenarrest van 20 juni 2011 verder uit als volgt:

- veroordeelt de eerste geïntimeerde om aan de appellanten vergoedende intrest aan de wette-lijke intrestvoet te betalen op 320.803,39 EUR vanaf 29 juni 2006 tot de dag van de betaling van de bedragen waartoe hij werd veroordeeld bij het tussenarrest;

- veroordeelt zowel de tweede als de derde geïntimeerde om aan de appellanten vergoedende intrest aan de wettelijke intrestvoet te betalen op 87.491,93 EUR vanaf 29 juni 2006 tot de dag van de betaling van de bedragen waartoe ze werden veroordeeld bij het tussenarrest;

- veroordeelt de geïntimeerden tot de gedingkosten in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van de appellanten vastgesteld als volgt:

- dagvaarding en rolzetting: 427,38 EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 7.700,00 EUR

- rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.700,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVEN JANUARI TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Geldschuld

  • onverschuldigde betaling

  • artikel 1378 BW

  • vergoedende intrest -wettelijke intrestvoet