- Arrêt of April 14, 2011

14/04/2011 - 2010/AB/00713

Case law

Summary

Samenvatting 1

De omstandigheid dat de werkloze zich slechts in de loop van de procedure, die hij aanhangig maakt bij de arbeidsrechtbank, beroept op zijn arbeidsongeschiktheid, belet niet dat door de Rijksdienst steeds kan onderzocht worden of wel voldaan was aan de voorwaarden waarvan sprake in artikel 59 bis van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 APRIL 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk o.g.v. art. 747, § 2, Ger. W.

heropening van de debatten

kennisgeving art. 580, 2°, Ger. W.

in de zaak:

S. A.M. , wonende te [XXX], appellante, die niet verschijnt, noch wordt vertegenwoordigd.

tegen:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. WELLEMANS L. loco mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek van mevrouw S. A.M. op 28-06-2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 5443/09);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 juli 2010;

- Het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 1 maart 2011 door advocaat-generaal J.-J. André;

- de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 24 februari 2011, waarna de debatten werden gesloten Het openbaar ministerie heeft op 1 maart 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 17 maart 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw S. A.M. genoot in het kader van de werkloosheisreglementering wachtuitkeringen sedert 1 september 2004. Op 26 januari 2006 werd zij uitgenodigd op het werkloosheidsbureau te Brussel met het oog op de evaluatie van de inspanningen die zij geleverd had om zich te integreren in de arbeidsmarkt, dit in het kader van de bepalingen van artikel 59 e.v.van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (verder genoemd het werkloosheidsbesluit).

De directeur van het werkloosheidsbureau stelde toen vast dat mevrouw S. A.M. onvoldoende inspanningen verricht had om zich te integreren in de arbeidsmarkt. Mevrouw S. A.M. werd bij schrijven van 26 januari 2006 schriftelijk in kennis gesteld van haar negatieve evaluatie en uitgenodigd een bijgevoegde schriftelijke overeenkomst te ondertekenen, waarin zij zich verbond concrete acties uit te voeren tijdens de volgende maanden. Zij werd ervan in kennis gesteld dat zij ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 4 maanden, die aanving de dag na de ondertekening van de overeenkomst, opnieuw zou opgeroepen worden. Mevrouw S. A.M. heeft deze overeenkomst ondertekend. De overeenkomst vermeldt dat zij slechts startte op 1 december 2006. Zulks hield blijkbaar verband met het feit dat mevrouw S. A.M. zwanger was op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst.

Op 31 mei 2007 werd mevrouw S. A.M. opgeroepen voor een tweede gesprek. Zij bood zich niet aan (inmiddels was zij op 20 april 2007 bevallen van haar vierde kindje). Op 7 september 2007 werd zij opnieuw uitgenodigd voor 4 oktober 2007. Aangezien zij opnieuw geen gevolg gaf aan deze oproeping werd zij op 24 oktober 2007 uitgesloten van het recht op uitkeringen, en dit vanaf 4 oktober 2007. Nadat mevrouw S. A.M. zich op 5 november 2007 toch aanbood op het werkloosheidsbureau te Vilvoorde, werd deze uitsluitingsbeslissing blijkbaar met terugwerkende kracht herzien.

Op 13 november 2007 vond dan het tweede gesprek plaats op het werkloosheidsbureau in het kader van de evaluatie van haar actief zoekgedrag. Vastgesteld werd dat mevrouw S. A.M. haar verbintenissen, voortvloeiend uit de eerste overeenkomst, niet nageleefd had. Op 13 november 2007 tekende Mevrouw S. A.M. een tweede overeenkomst. De inhoud ervan stemde overeen met deze van de eerste overeenkomst. Bijkomend werd aan mevrouw S. A.M. bovendien de verplichting opgelegd zich aan te bieden bij minstens vier bedrijven of organisaties.

Op 19 november 2007 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau mevrouw S. A.M. uit te sluiten van het recht op wachtuitkeringen gedurende een periode van vier maanden.

2.

Mevrouw S. A.M. heeft tegen deze beslissing oorspronkelijk beroep aangetekend bij de Franstalige kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, die haar verzoekschrift onontvankelijk verklaarde. Bij verzoekschrift van 10 april 2009 heeft mevrouw S. A.M. in het Nederlands beroep aangetekend tegen de beslissing van 19 november 2007.

Bij vonnis van 28 juni 2010, ter kennis gebracht op 5 juli 2010, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van mevrouw S. A.M. als ongegrond afgewezen.

3.

Bij verzoekschrift van 27 juli 2010 heeft mevrouw S. A.M. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

Mevrouw S. A.M. voert in haar verzoekschrift in beroep aan dat haar (vierde) kind vanaf 11 september 2007 tot en met 10 april 2008 onder cardiorespiratoire thuisbewaking stond, zodat zij in de onmogelijkheid verkeerde om naar werk te zoeken.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is van oordeel dat de evaluatieperiode van mevrouw S. A.M. liep van 1 december 2006 tot en met 31 maart 2007 (of ten hoogste tot 14 juni 2007), dit is een periode die zich situeert vóór deze waarin haar kind onder cardiorespiratoire huisbewaking stond, zodat de argumentatie van mevrouw S. A.M. niet dienende zou zijn.

2.

In de overeenkomst die mevrouw S. A.M. op 26 januari 2006 ondertekende was voorzien dat zij binnen de 30 dagen de ORBEM zou contacteren, dat zij een activakaart zou aanvragen en zich bij 4 interim-bureaus zou laten inschrijven. Mevrouw S. A.M. kon bij het tweede evaluatiegesprek geen activakaart voorleggen noch aantonen dat ze zich bij vier interim-bureaus had laten inschrijven. Zij liet zich op 2 augustus 2006 wel inschrijven als werkzoekende bij de VDAB (zij was inmiddels verhuisd naar Zemst), waar zij een collectieve infosessie volgde op 7 september 2006 en waar eveneens een diagnosegesprek plaats vond op 9 maart 2007. Mevrouw S. A.M. houdt voor zich niet ingeschreven te hebben bij interim-bureaus omdat haar kind ziek was.

3.

Overeenkomstig artikel 59bis van het werkloosheidsbesluit volgt de directeur van het werkloosheidsbureau het actieve zoekgedrag naar werk op van de werkloze, die tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoet:

"1° een werkloosheidsduur van tenminste 15 maanden bereikt hebben, indien hij jonger is dan 25 jaar of van tenminste 21 maanden, indien hij 25 jaar of ouder is.

2° niet vrijgesteld zijn van de verplichting om ingeschreven te zijn als werkzoekende....;

3° niet tewerkgesteld zijn als deeltijds werknemer met behoud van rechten;

4° zich niet meer bevinden in de periode van de eerste twaalf maanden werkloosheid...;

5° geen blijvende arbeidsongeschiktheid van tenminste 33% vertonen, vastgesteld door de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141;

6° geen werknemer zijn bedoeld in artikel 28, § 3."

4.

Zoals terecht opgemerkt wordt door de heer advocaat-generaal in zijn advies, blijkt uit de instructie van het dossier door het auditoraat bij de arbeidsrechtbank dat mevrouw S. A.M. op 20 februari 2008 aan de arbeidsrechtbank een getuigschrift heeft laten geworden, uitgaande van de FOD Sociale Zekerheid, waarin aangegeven wordt dat zij sedert 1 november 2000 een vermindering van haar verdienvermogen van tenminste 66 % vertoonde. Deze vermindering van het verdienvermogen hield verband met het feit dat zij op jonge leeftijd het slachtoffer was van een zwaar ongeval, waarbij zij gekwetst werd aan bekken, kaak en enkel. Als gevolg daarvan diende zij twee jaar revalidatie te volgen.

De medische problematiek van mevrouw S. A.M. was bekend aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, zoals blijkt uit het verslag van het eerste gesprek van 26 januari 2006. In het schrijven van 17 maart 2008 van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gericht aan de Arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, is trouwens aangegeven dat rekening werd gehouden met de medische problematiek van mevrouw S. A.M. en de persoonlijke belemmerende factoren door het opstellen van een licht contract. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening meende nochtans dat aangezien op geen enkel moment een attest van een geneesheer werd voorgelegd "door de RVA geen medisch onderzoek wordt aangevraagd".

De omstandigheid dat mevrouw S. A.M. zich slechts in de loop van de procedure, die zij aanhangig maakte bij de arbeidsrechtbank, beriep op haar handicap, belet niet dat steeds kan onderzocht te worden of wel voldaan was aan alle voorwaarden waarvan sprake in artikel 59 bis § 1 van het werkloosheidsbesluit.

Zoals gesuggereerd door het Openbaar Ministerie in zijn advies dient de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, nu er twijfel over bestaat of mevrouw S. A.M. wel voldeed aan de voorwaarden dat zij minder dan 33 % blijvend arbeidsongeschikt was, mevrouw S. A.M. aan een medisch onderzoek te onderwerpen overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141 van het werkloosheidsbesluit. De debatten worden ten dien einde heropend.

5.

Naar aanleiding van de heropening van de debatten zal de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tevens dienen aan te geven welke referentieperiode zij in acht genomen heeft om na te gaan of mevrouw S. A.M. voldaan had aan de voorwaarden die haar opgelegd werden in het kader van de eerste activeringsovereenkomst. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt in zijn besluiten dat dit de periode is van 1 december 2006 tot 31 maart 2007 (even verder stelt zij dat de evaluatieperiode kon lopen tot 14 juni 2007). Mevrouw S. A.M. is echter bevallen op 20 april 2007. Dit is ook de reden waarom geen verder gevolg werd gegeven aan de oproeping voor een tweede evaluatiegesprek in de loop van de maand juni 2007, omdat aanvaard wordt of dient te worden dat een werkneemster niet actief naar werk dient te zoeken tijdens een periode dat zij zwanger is of tijdens de periode van de postnatale rust. Om die reden ook werd bij het eerste activeringsgesprek, toen mevrouw S. A.M. ook zwanger was (maar aan deze zwangerschap kwam blijkbaar een einde, waarna mevrouw S. A.M. opnieuw zwanger werd) de aanvangsdatum van de evaluatieperiode vastgesteld werd op 1 december 2006, terwijl het evaluatiegesprek reeds plaatsvond op 26 januari 2006.

Indien de evaluatieperiode slechts aanvangt op 14 juni 2007, dan valt de door mevrouw S. A.M. aangevoerde reden, minstens gedeeltelijk, tijdens de evaluatieperiode.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk;

Alvorens uitspraak te doen over de grond van het hoger beroep, beveelt de heropening der debatten teneinde:

1. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toe te laten mevrouw S. A.M. te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141 van het werkloosheidsbesluit, ten einde vast te stellen of zij al dan niet meer dan 33 % blijvend arbeidsongeschikt is;

2. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toe te laten verder toelichting te geven over de door hem in aanmerking genomen evaluatieperiode voor de opvolging van het actief zoekgedrag van mevrouw S. A.M..

Stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van donderdag 10 november 2011 om 14u voor een gezamenlijke pleitduur van 20 minuten.

Houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 14 april 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • WERKLOOSHEID

  • Opvolging van het actieve zoekgedrag naar werk van de volledig werkloze

  • Voorwaarden

  • Arbeidsongeschiktheid

  • Ogenblik waarop de werkloze zich kan beroepen op zijn arbeidsongeschiktheid.